Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-27
ECLI:NL:RBNHO:2024:6993
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,492 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10355547 \ CV EXPL 23-1151
Uitspraakdatum: 27 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], wonende te [plaats 1],
2. [eiser 2], wonende te [plaats 2],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Turk Havayollari A.O. (Turkish Airlines),
gevestigd te Istanbul, Turkije,
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. H. Bulut-Yazir (Seneca Advocaten)
1Het procesverloop
1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 1 februari 2023 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten, op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 25 april 2022 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Istanboel Airport, Istanboel, Turkije naar Mumbai Airport, Mumbai, India, met de vluchtcombinatie TK1958 en TK720.
2.2.
Vlucht TK1958 van Amsterdam naar Istanboel (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn door de vervoerder omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van 48 uur op de eindbestemming zijn aangekomen.
2.3.
Passagier sub 1 heeft het vermeende vorderingsrecht van haar minderjarige kind aan zichzelf overgedragen door middel van cessie.
2.4.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3De vordering en het verweer
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.830,81, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 dagen na de annulering, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel de datum van de betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 274,62 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. Daarnaast stellen zij dat de vervoerder gehouden is kosten voor eten en drinken te vergoeden op grond van artikel 9 van de Verordening tot een bedrag van € 30,81.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de overeengekomen eindbestemming zijn aangekomen, zodat de vervoerder in beginsel een compensatieplicht heeft. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden als hiervoor bedoeld.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet gebleken is dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen of te beperken. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (TAP, C-74/19) volgt dat indien een passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijke dag aankomt, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde alternatieve vlucht bestond die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende, gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van 48 uur op de overeengekomen eindbestemming zijn aangekomen.
4.4.
De vervoerder heeft aangevoerd dat hij niet meer kon doen dan de passagiers om te boeken naar de eerstvolgende vlucht. De vervoerder heeft dit echter niet onderbouwd. Het was aan de vervoerder om in het onderhavige geval gemotiveerd aan te geven dat de passagiers naar de eerst beschikbare vlucht (van de vervoerder of van een andere luchtvaartmaatschappij) zijn omgeboekt. Zodoende is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder er niet in is geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat de alternatief aangeboden vlucht een redelijke maatregel vormt in de zin van bovengenoemd arrest. Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen omdat hij niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen.
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar, met dien verstande dat deze toewijsbaar is vanaf de datum van de dagvaarding omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en niet of onvoldoende gesteld of gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze in het ongelijk wordt gesteld. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.105,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2023, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 125,86;griffierecht € 244,00;salaris gemachtigde € 408,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter