Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-06-20
ECLI:NL:RBNHO:2024:6270
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,391 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.326954.21 (P)
Uitspraakdatum: 20 juni 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 juni 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. van den Driest en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 december 2021 op de treintrajecten van Alphen aan den Rijn naar Leiden en/of van Leiden naar Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas en/of broek en/of telefoon (met pincode) en/of telefoonlader en/of muntgeld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde], in elk geval aan die [benadeelde] en/of een derde toebehoorde(n) door- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij zijn broek uit moet doen en/of- (vervolgens) een hamer te tonen en hierbij dreigend de woorden toe te voegen:"Als je nu niet opschiet dan krijg je deze op je hoofd" en/of- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij zijn jas af moet geven en/of- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij zijn jas en broek terugkrijgt als hij zijn telefoon en pincode afgeeft;
2Voorvragen
De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat er meer dan genoeg bewijs in het dossier is dat erop wijst dat de verdachte samen met anderen de aangever in de trein heeft afgeperst.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft gezegd dat hij niets met een afpersing te maken heeft. Hij was wel in de trein met de medeverdachten en de aangever die dag, maar heeft niets meegekregen van het onder dwang afgeven van kleren en een telefoon door de aangever.
De raadsvrouw heeft onderkend dat er voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is voor een bewezenverklaring, maar heeft ook gewezen op de stellige ontkenning van de verdachte en op de wisselende verklaringen van getuige (en medeverdachte) [medeverdachte 1].
3.3.
Oordeel van de rechtbank - redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot de conclusie dat het bewezen is dat de verdachte samen met anderen het slachtoffer heeft afgeperst. Het bewijs daarvoor staat in de bijlage bij dit vonnis.
De verdachte heeft gezegd dat hij er niet bij was toen de aangever zijn spullen moest afgeven. Dat gelooft de rechtbank niet. Er is namelijk bewijs dat de verdachte er wel bij was. De aangever verklaart dat en ook de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat. Zij hebben alle twee gezegd dat de verdachte er bij was. Zij hebben ook gezegd dat de verdachte met een hamer heeft gedreigd. Bovendien heeft de politie in de trein een hamer gevonden en op die hamer zit het DNA van de verdachte.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 4 december 2021 op de treintrajecten van Alphen aan den Rijn naar Leiden en van Leiden naar Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas, broek en telefoon, die geheel aan die [benadeelde] toebehoorden door- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij zijn broek uit moet doen en- (vervolgens) een hamer te tonen en hierbij dreigend de woorden toe te voegen:"Als je nu niet opschiet dan krijg je deze op je hoofd" en- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij zijn jas af moet geven en- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij zijn jas en broek terugkrijgt als hij zijn telefoon afgeeft;
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit en de dader
Het bewezenverklaarde levert op:
Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Dit is een strafbaar feit en de verdachte is een strafbare dader.
5Welke straf moet er worden opgelegd?
5.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het adolescentenstrafrecht wordt toegepast en dat de verdachte wordt veroordeeld tot 165 dagen jeugddetentie, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de 137 dagen die de verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dat zou betekenen dat de verdachte niet terug de cel in hoeft, maar dat er nog een voorwaardelijke celstraf van 28 dagen boven zijn hoofd hangt.
5.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ook betoogd dat het adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast en heeft de rechtbank verzocht een werkstraf op te leggen.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft gekeken naar de ernst van het feit en naar de omstandigheden waaronder dat is begaan. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de persoon van de verdachte.
Ernst van het feit
De verdachte heeft samen met twee anderen de 14-jarige [benadeelde] afgeperst in de trein, waarbij deze werd gedwongen om zijn broek, jas, telefoon, lader en muntgeld af te geven. De afpersing vond plaats tijdens twee opeenvolgende treinreizen van Alphen aan den Rijn naar Leiden en Leiden naar Amsterdam en heeft dus erg lang geduurd. De verdachte heeft daarbij het slachtoffer gedreigd met een hamer te slaan, wat voor het slachtoffer erg beangstigend moet zijn geweest. Daar komt bij dat ook omstanders het gezien zouden kunnen hebben omdat het in de trein is gebeurd, een openbare ruimte die voor iedereen toegankelijk is. En iedereen die van deze gebeurtenis hoort, zal daardoor gevoelens van angst en onveiligheid hebben.
De rechtbank betreurt het dat de verdachte niet eerlijk heeft verteld wat er is gebeurd en daar dus ook geen verantwoordelijkheid voor neemt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte (het ‘Uittreksel Justitiële Documentatie’ van 11 mei 2024). Hieruit blijkt dat hij al eerder voor iets soortgelijks is veroordeeld en een lange taakstraf heeft gekregen van de rechtbank Amsterdam. Dit weegt mee in zijn nadeel.
De rechtbank heeft ook gekeken naar de verschillende rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt, zoals het Reclasseringsrapport van 1 december 2023. Hierin wordt de verdachte omschreven als iemand met een verstandelijke beperking en onvoldoende handelingsvaardigheden. Hij heeft een ambivalente houding: aan de ene kant wil hij afstand nemen van een pro-crimineel bestaan, maar aan de andere kant lukt het hem vaak niet om zich aan afspraken met instanties te houden. Dat laatste is wel gebleken tijdens de schorsingen. Er is ook een gevaar dat hij zich laat beïnvloeden door andere criminele jongeren die niet het beste met hem voor hebben.
Toch ziet de Reclassering nog steeds mogelijkheden om de verdachte op het goede pad te helpen en te houden. Dan moet er wel intensieve begeleiding komen en ook ondersteuning in de dagelijkse dingen. Daarnaast is het belangrijk dat de psychische problemen van de verdachte goed in kaart worden gebracht, zodat kan worden gewerkt aan het voorkomen van nieuw strafbaar gedrag. De verdachte staat daar voor open.
Het advies van de Reclassering is om het jeugdstrafrecht toe te passen omdat hij nog jong is en het nog mogelijk is om hem opvoedkundig te beinvloeden. Verder is het advies om hem te veroordelen tot een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met een reeks bijzondere voorwaarden.
Jeugdstrafrecht
Omdat de verdachte op het moment dat het feit werd gepleegd 20 jaar oud was, kan (op grond van artikel 77c Wetboek van Strafrecht) het sanctierecht voor jeugdigen worden toegepast in plaats van het sanctierecht voor volwassenen. Dat zal de rechtbank ook doen, kijkend naar de jeugdige leeftijd van de verdachte en wat er in het Reclasseringsrapport staat geschreven over de mogelijkheden die er op dit moment bestaan om met de verdachte aan de slag te gaan.
Conclusie
Alles bij elkaar genomen vindt de rechtbank dat de verdachte een straf moet krijgen die betekent dat hij niet meer terug de gevangenis in hoeft, maar die er wel voor zorgt dat de verdachte zich gaat houden aan een pakket maatregelen, zodat de Reclassering met hem aan de slag kan gaan om hem op het rechte pad te houden.
Dat komt neer op een veroordeling tot jeugddetentie voor de duur van 137 dagen onvoorwaardelijk, maar die heeft de verdachte al uitgezeten in voorarrest. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie voorwaardelijk. Die hoeft hij nu niet uit te zitten, maar dan moet hij zich wel aan de voorwaarden houden.
Dat zijn in de eerste plaats de algemene voorwaarden (de verdachte mag geen nieuwe strafbare feiten plegen en moet meewerken als zijn identiteit wordt vastgesteld). Daarnaast gelden de bijzondere voorwaarden die in het advies van de Reclassering staan. Dat zijn, kort gezegd:
- een meldplicht bij reclassering,
- een ambulante behandeling,
- begeleid wonen of maatschappelijke opvang,
- een contactverbod met medeverdachten en het slachtoffer,
- dagbesteding,
- het meewerken aan schuldhulpverlening,
- het meewerken aan middelencontrole, en
- het ondergaan van een ambulante begeleiding.
Als de verdachte een van de voorwaarden overtreedt, dan loopt hij het risico dat hij die 90 dagen alsnog moet gaan uitzitten. De voorwaarden gelden gedurende een proeftijd van 2 jaar.
Het is aan de volwassenreclassering om te controleren of de verdachte zich aan alle voorwaarden gaat houden. In het rapport staat namelijk dat de jeugdreclassering niet meer goed in staat is om de verdachte te begeleiden.
De rechtbank legt dus een hoger voorwaardelijk strafdeel op dan de officier van justitie heeft gevorderd. Dat komt omdat de rechtbank heeft gezien dat de verdachte tijdens de schorsingen van de voorlopige hechtenis meerdere keren voorwaarden niet is nagekomen, terwijl er voor hem toen wel veel op het spel stond. Daarom vindt de rechtbank het belangrijk dat er een extra stevige ‘stok achter de deur’ komt, in de hoop dat de verdachte zich aan alle voorwaarden zal blijven houden en zijn leven daardoor op de rit krijgt.
6Bijkomende straf en maatregel
De officier van justitie heeft gevraagd om de kniptang en het mes, die in de trein zijn aangetroffen en door de politie in beslag zijn genomen, te onttrekken aan het verkeer.
De rechtbank vindt dat de kniptang moet worden verbeurd verklaard en dat het mes moet worden onttrokken aan het verkeer. Het verschil wordt hieronder uitgelegd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de kniptang en het mes, samen met de hamer, zijn aangetroffen in de coupé van de trein waar de verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat in ieder geval de hamer door de verdachte bij de afpersing is gebruikt. Nu het mes en de kniptang vlakbij de hamer zijn aangetroffen en bovendien qua kleur identiek aan elkaar zijn, worden deze voorwerpen in gezamenlijkheid beschouwd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte en zijn medeverdachten deze voorwerpen voorhanden hebben gehad.
Niet alleen de hamer maar ook de kniptang en het mes behoren aldus (ook) aan de verdachte toe en zij waren bovendien bestemd tot het begaan van het misdrijf.
De kniptang zal daarom verbeurd worden verklaard op grond van artikel 33a, eerste lid, onder e, van het Wetboek van Strafrecht. Dat is een straf voor de verdachte.
Voor het mes geldt dat dit ook gevaarlijk is als het zomaar zou worden teruggegeven: het ‘ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet’, zoals dat in het Wetboek van Strafrecht staat. Een mes dat gebruikt wordt bij of bestemd is voor het begaan van een afpersing, valt immers onder Categorie IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie en het voorhanden hebben daarvan is strafbaar op grond van artikel 26, vijfde lid van die wet. Het mes wordt daarom onttrokken aan het verkeer. Dat is een maatregel.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33a, 36c, 77c, 77g, 77 i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
8Alle beslissingen op een rijtje
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 227 dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.
Bij de voorwaardelijke straf gelden algemene voorwaarden:
Hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit, en
Hij moet meewerken als zijn identiteit moet worden vastgesteld. Dat kan door het afnemen van vingerafdrukken of door het tonen van een identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht).
Bij de voorwaardelijke straf gelden ook bijzondere voorwaarden:
3. Hij meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN Den Haag. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
4. Hij werkt mee aan diagnostiek en zich laat behandelen door Fivoor (FACT-team) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
5. Hij laat zich begeleiden naar en verblijft in een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
6. Hij heeft of neemt op geen enkele wijze contact op - direct of indirect - met de medeverdachten [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2]) en [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum 3]) en het slachtoffer [benadeelde] (geboren op [geboortedatum 4]), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
7. Hij volgt een opleiding of zet zich actief in voor passende dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk of school, zolang de reclassering dit nodig vindt;
8. Hij spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur.
9. Hij werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
10. Hij werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd, en
11.