Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-01-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:599
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,662 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 10675937 \ CV EXPL 23-5588
Vonnis van 24 januari 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
de stichting
STICHTING PRÉ WONEN,
gevestigd te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: Pré Wonen,
gemachtigde: [gemachtigde] / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. H. Temel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 augustus 2023
- de conclusie van antwoord van 25 oktober 2023
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de zitting was aanwezig namens Pré Wonen mevrouw [betrokkene], bijgestaan door mr. J. Boudewijn en [gedaagde] bijgestaan door mr. Temel. Pré Wonen heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De vader van [gedaagde] huurde van Pré Wonen de woning aan het adres [adres] te [plaats] (verder: de woning).
2.2.
De vader van [gedaagde] is op 13 februari 2022 overleden.
2.3.
[gedaagde] heeft op 8 juli 2022 een vordering ingesteld ex artikel 7:268 BW ter verkrijging van medehuurderschap na overlijden. Pré Wonen heeft als tegenvordering ontbinding en ontruiming van de woning gevorderd.
2.4.
Op 15 maart 2023 heeft de kantonrechter de vordering van [gedaagde] inzake het verkrijgen van medehuurderschap afgewezen en de tegenvordering van Pré Wonen inzake ontbinding en ontruiming toegewezen.
2.5.
[gedaagde] is in hoger beroep gegaan.
2.6.
[gedaagde] heeft sinds juli 2022 geen betalingen aan Pré Wonen verricht.
Geschil
3.1.
Pré Wonen vordert – samengevat – ontbinding van de voortgezette huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en incassokosten. Tevens vordert Pré Wonen betaling van € 470,84 voor iedere maand dat [gedaagde] na 31 augustus 2023 de woning in gebruik heeft, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
3.2.
Pré Wonen legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de betalingsverplichting jegens Pré Wonen. Deze tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de voortgezette huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan – samengevat – dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over en toezeggingen zijn gedaan betreffende het medehuurderschap. [gedaagde] mocht erop vertrouwen dat Pré Wonen hem als medehuurder zou aanmerken. Pas dan komt hij zijn betalingsverplichting na. Daarnaast is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 maart 2023. Zolang niet onherroepelijk is beslist op het verzoek tot medehuurderschap, mag niet tot ontbinding en/of ontruiming worden overgegaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het feit dat in de procedure omtrent het medehuurderschap nog niet onherroepelijk is beslist, betekent, anders dan [gedaagde] aanvoert, niet dat [gedaagde] vrijgesteld is van het betalen van huur aan Pré Wonen. Volgens artikel 7:268 lid 2 en lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zet [gedaagde], in afwachting van een onherroepelijke beslissing, de huur voor. Die voortzetting brengt met zich mee dat zolang [gedaagde] in de woning verblijft, hij een vergoeding gelijk aan de hoogte van de huur aan Pré Wonen moet betalen. Aan deze verplichting heeft [gedaagde] niet voldaan. Vaststaat immers dat [gedaagde] sinds juli 2022 geen huurbetalingen meer aan Pré Wonen heeft verricht.
4.2.
De vordering tot betaling van de vanaf juli 2022 niet betaalde huur zal dan ook worden toegewezen.
4.3.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of het niet betalen van de huurpenningen ontbinding van de thans bestaande voorgezette huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van zijn verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is alleen anders als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Anders dan [gedaagde] stelt, maakt het feit dat er nog geen onherroepelijke beslissing is op het verzoek van [gedaagde] tot medehuurderschap, niet dat ontbinding en ontruiming zonder meer niet gerechtvaardigd is.
4.4.
De betalingsachterstand dateert al vanaf juli 2022 zodat er geen sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of het niet betalen een dusdanig bijzondere aard heeft dat een ontbinding niet gerechtvaardigd kan worden.
4.5.
Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat hij niet tot betaling over kon gaan omdat hij druk bezig was met de financiële afwikkeling van de erfenis van zijn vader.
4.6.
De door [gedaagde] aangevoerde financiële omstandigheden (die overigens niet verder zijn onderbouwd of bewezen) kunnen, hoe vervelend voor [gedaagde] ook, geen reden zijn om niet aan Pré Wonen te betalen. Die financiële omstandigheden worden dan ook niet gezien als omstandigheden van bijzondere aard dat de ontbinding niet kan worden gerechtvaardigd.
4.7.
[gedaagde] stelt verder ter zitting dat de afwikkeling van de erfenis inmiddels afgerond is en hij nu wel voldoende in staat is om tot aflossing van de achterstand en betaling van de lopende termijnen over te kunnen gaan. Hij verzoekt om een betalingsregeling. Pré Wonen heeft ter zitting verklaard niet (langer) bereid te zijn om afspraken te maken hierover en de kantonrechter heeft geen bevoegdheid om een regeling eenzijdig op te leggen.
4.8.
Uit het bovenstaande blijkt dat de tekortkoming geen bijzondere aard heeft of van geringe betekenis is. Toewijzing van de gevorderde ontbinding van de voortgezette huurovereenkomst en ontruiming van de woning is daarom gerechtvaardigd.
4.9.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor [gedaagde] wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
4.10.
Ook de vordering tot betaling van € 470,84 voor iedere maand dat [gedaagde] na 31 augustus 2023 de woning in gebruik houdt, wordt toegewezen.
4.11.
Pré Wonen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In de zogeheten veertiendagen brief zijn de incassokosten berekend over een hoofdsom van € 3.484,05. Over dit bedrag zullen de incassokosten worden toegewezen
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
6.430,72
- buitengerechtelijke incassokosten
€
572,83
+
totaal
€
7.003,55
- betalingen
€
0,00
-/-
Totaal
€
7.003,55
4.13.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Pré Wonen als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
129,85
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
660,00
(2,00 punten × € 330,00)
Totaal
€
1.303,85
Dictum
5.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de voortgezette huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning staande en gelegen te [plaats] aan het adres [adres];
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alwie en alwat zich vanwege [gedaagde] in het gehuurde moge bevinden te ontruimen;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Pré Wonen van € 7.003,55 aan achterstallige huur tot en met augustus 2023 en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van de gehele betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Pré Wonen van € 470,84 voor iedere maand dat [gedaagde] na 31 augustus 2023 de woning in gebruik heeft;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Pré Wonen tot dit vonnis vastgesteld op € 1.303,85;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Kanninga-Jonker en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2024.
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 10675937 \ CV EXPL 23-5588
Vonnis van 24 januari 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
de stichting
STICHTING PRÉ WONEN,
gevestigd te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: Pré Wonen,
gemachtigde: [gemachtigde] / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. H. Temel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 augustus 2023
- de conclusie van antwoord van 25 oktober 2023
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de zitting was aanwezig namens Pré Wonen mevrouw [betrokkene], bijgestaan door mr. J. Boudewijn en [gedaagde] bijgestaan door mr. Temel. Pré Wonen heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De vader van [gedaagde] huurde van Pré Wonen de woning aan het adres [adres] te [plaats] (verder: de woning).
2.2.
De vader van [gedaagde] is op 13 februari 2022 overleden.
2.3.
[gedaagde] heeft op 8 juli 2022 een vordering ingesteld ex artikel 7:268 BW ter verkrijging van medehuurderschap na overlijden. Pré Wonen heeft als tegenvordering ontbinding en ontruiming van de woning gevorderd.
2.4.
Op 15 maart 2023 heeft de kantonrechter de vordering van [gedaagde] inzake het verkrijgen van medehuurderschap afgewezen en de tegenvordering van Pré Wonen inzake ontbinding en ontruiming toegewezen.
2.5.
[gedaagde] is in hoger beroep gegaan.
2.6.
[gedaagde] heeft sinds juli 2022 geen betalingen aan Pré Wonen verricht.
Geschil
3.1.
Pré Wonen vordert – samengevat – ontbinding van de voortgezette huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en incassokosten. Tevens vordert Pré Wonen betaling van € 470,84 voor iedere maand dat [gedaagde] na 31 augustus 2023 de woning in gebruik heeft, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
3.2.
Pré Wonen legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de betalingsverplichting jegens Pré Wonen. Deze tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de voortgezette huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan – samengevat – dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over en toezeggingen zijn gedaan betreffende het medehuurderschap. [gedaagde] mocht erop vertrouwen dat Pré Wonen hem als medehuurder zou aanmerken. Pas dan komt hij zijn betalingsverplichting na. Daarnaast is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 maart 2023. Zolang niet onherroepelijk is beslist op het verzoek tot medehuurderschap, mag niet tot ontbinding en/of ontruiming worden overgegaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het feit dat in de procedure omtrent het medehuurderschap nog niet onherroepelijk is beslist, betekent, anders dan [gedaagde] aanvoert, niet dat [gedaagde] vrijgesteld is van het betalen van huur aan Pré Wonen. Volgens artikel 7:268 lid 2 en lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zet [gedaagde], in afwachting van een onherroepelijke beslissing, de huur voor. Die voortzetting brengt met zich mee dat zolang [gedaagde] in de woning verblijft, hij een vergoeding gelijk aan de hoogte van de huur aan Pré Wonen moet betalen. Aan deze verplichting heeft [gedaagde] niet voldaan. Vaststaat immers dat [gedaagde] sinds juli 2022 geen huurbetalingen meer aan Pré Wonen heeft verricht.
4.2.
De vordering tot betaling van de vanaf juli 2022 niet betaalde huur zal dan ook worden toegewezen.
4.3.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of het niet betalen van de huurpenningen ontbinding van de thans bestaande voorgezette huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van zijn verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is alleen anders als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Anders dan [gedaagde] stelt, maakt het feit dat er nog geen onherroepelijke beslissing is op het verzoek van [gedaagde] tot medehuurderschap, niet dat ontbinding en ontruiming zonder meer niet gerechtvaardigd is.
4.4.
De betalingsachterstand dateert al vanaf juli 2022 zodat er geen sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of het niet betalen een dusdanig bijzondere aard heeft dat een ontbinding niet gerechtvaardigd kan worden.
4.5.
Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat hij niet tot betaling over kon gaan omdat hij druk bezig was met de financiële afwikkeling van de erfenis van zijn vader.
4.6.
De door [gedaagde] aangevoerde financiële omstandigheden (die overigens niet verder zijn onderbouwd of bewezen) kunnen, hoe vervelend voor [gedaagde] ook, geen reden zijn om niet aan Pré Wonen te betalen. Die financiële omstandigheden worden dan ook niet gezien als omstandigheden van bijzondere aard dat de ontbinding niet kan worden gerechtvaardigd.
4.7.
[gedaagde] stelt verder ter zitting dat de afwikkeling van de erfenis inmiddels afgerond is en hij nu wel voldoende in staat is om tot aflossing van de achterstand en betaling van de lopende termijnen over te kunnen gaan. Hij verzoekt om een betalingsregeling. Pré Wonen heeft ter zitting verklaard niet (langer) bereid te zijn om afspraken te maken hierover en de kantonrechter heeft geen bevoegdheid om een regeling eenzijdig op te leggen.
4.8.
Uit het bovenstaande blijkt dat de tekortkoming geen bijzondere aard heeft of van geringe betekenis is. Toewijzing van de gevorderde ontbinding van de voortgezette huurovereenkomst en ontruiming van de woning is daarom gerechtvaardigd.
4.9.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor [gedaagde] wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
4.10.
Ook de vordering tot betaling van € 470,84 voor iedere maand dat [gedaagde] na 31 augustus 2023 de woning in gebruik houdt, wordt toegewezen.
4.11.
Pré Wonen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In de zogeheten veertiendagen brief zijn de incassokosten berekend over een hoofdsom van € 3.484,05. Over dit bedrag zullen de incassokosten worden toegewezen
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
6.430,72
- buitengerechtelijke incassokosten
€
572,83
+
totaal
€
7.003,55
- betalingen
€
0,00
-/-
Totaal
€
7.003,55
4.13.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Pré Wonen als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
129,85
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
660,00
(2,00 punten × € 330,00)
Totaal
€
1.303,85
Dictum
5.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de voortgezette huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning staande en gelegen te [plaats] aan het adres [adres];
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alwie en alwat zich vanwege [gedaagde] in het gehuurde moge bevinden te ontruimen;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Pré Wonen van € 7.003,55 aan achterstallige huur tot en met augustus 2023 en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van de gehele betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Pré Wonen van € 470,84 voor iedere maand dat [gedaagde] na 31 augustus 2023 de woning in gebruik heeft;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Pré Wonen tot dit vonnis vastgesteld op € 1.303,85;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Kanninga-Jonker en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2024.