Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-06-05
ECLI:NL:RBNHO:2024:5583
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,520 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10791889 CV EXPL 23-4874
Uitspraakdatum: 5 juni 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
Woningstichting Den Helder
te Den Helder
de eisende partij
gemachtigde: J. Schutte
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 7 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de
kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van bepaalde bedingen uit de toepasselijke algemene voorwaarden van de eisende partij.Dit heeft de eisende partij gedaan bij akte van 6 maart 2024 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen over de oneerlijkheid van de incasso- en rentebedingen in artikel 22.2 respectievelijk 22.1 van de algemene voorwaarden (in combinatie met het boetebeding van artikel 3 van de algemene voorwaarden).
2.2.
Dat zou tot gevolg hebben dat de kantonrechter deze bedingen vernietigt en de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente afwijst. De kantonrechter stelt echter vast dat de eisende partij bij brief van 21 februari 2024 aan de gedaagde partij ‘op onvoorwaardelijke en onherroepelijke wijze’ afstand heeft gedaan van artikel 3 en 22.2 van de algemene voorwaarden. De eisende partij stelt dat er daardoor geen bedingen meer zijn die vernietigd kunnen of moeten worden met als gevolg dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente toewijsbaar zijn. De kantonrechter volgt de eisende partij niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.
2.3.
De eisende partij heeft de onderhavige vordering ingesteld bij dagvaarding van 6 november 2023 en ziet op een huurachterstand van daarvoor. Een eerste aanmaning ex artikel 6:96 lid 6 BW is door de eisende partij op 8 augustus 2020 aan de gedaagde verstuurd. Het tussenvonnis dateert van 7 februari 2024. De eisende partij is dus pas in de loop van deze procedure, na op de oneerlijkheid van de bedingen en de gevolgen daarvan gewezen te zijn door de kantonrechter én nadat de gedaagde partij al (geruime tijd) in verzuim was, tot actie (afstand nemen van de oneerlijke bedingen) overgegaan.
2.4.
Dat betekent in dit geval dat ondanks dat de kantonrechter niet meer tot vernietiging van de bedingen kan overgaan, wel de gevolgtrekking die daaraan wordt verbonden, wordt toegepast. Dit is pas anders als het nieuwe vorderingen zou betreffen die zijn ontstaan na het moment van afstand van de oneerlijke bedingen. Anders kan de eisende partij de sanctie op het gebruik van oneerlijke bedingen in feite omzeilen en is er geen prikkel om uit zichzelf, en los van een geschil, over te gaan tot wijziging van dergelijke oneerlijke bedingen. Daarmee zou het doel van de onderhavige ambtshalve toetsing voorbij worden geschoten.
2.5.
Dat de eisende partij, zoals zij verder nog stelt, nooit uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in de artikelen 3 en 22.2 van de algemene voorwaarden, doet aan het voorgaande niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. De kantonrechter verwijst naar hetgeen hierover in 3.3. van het tussenvonnis al is overwogen.
2.6.
De conclusie is dat de oorspronkelijk met de gedaagde partij bedongen rente- en incassobedingen als oneerlijk zijn aan te merken. De kantonrechter zou deze bedingen daarom hebben vernietigd, zij het niet dat de eisende partij van deze bedingen inmiddels zelf afstand heeft gedaan en deze dus niet meer vernietigd kúnnen worden. Niettemin is het gevolg hetzelfde: de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente worden afgewezen.
Huurachterstand
2.7.
De gevorderde huurachterstand tot en met oktober 2023 bedraagt 1.896,45 (€ 3.493,96 huurachterstand - € 1.597,51 aan deelbetalingen). Dit bedrag is toewijsbaar.
Conclusie
2.8.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Voor het overige wordt de vordering gedeeltelijk toegewezen.
2.9.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 1.896,45 aan achterstallige huurpenningen tot en met oktober 2023;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 129,96 wegens dagvaardingskosten,
€ 365,00 wegens griffierecht en
€ 204,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Huurreglement 2007