Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-05-31
ECLI:NL:RBNHO:2024:5440
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,906 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11093289 \ VV EXPL 24-89
Vonnis in kort geding van 31 mei 2024
in de zaak van
STICHTING YMERE,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
gemachtigde: mr. H.M.G. Brunklaus,
tegen
1
[gedaagde 1],
wonende te [plaats],gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen 2. [gedaagde 2] werkzaam voor STICHTING BUDGET, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde 1],
kantoorhoudende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 28 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
1.2.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is [gedaagde 1] zelf ter zitting niet verschenen. De bewindvoerder is wel verschenen.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald op heden.
Feiten
2.1.
[gedaagde 1] is onder bewind gesteld. [gedaagde 2] werkzaam voor Stichting Budget (verder: de bewindvoerder) is tot bewindvoerder benoemd.
2.2.
Ymere verhuurt vanaf 28 augustus 2014 de woning aan het adres [adres] te [plaats] aan [gedaagde 1] tegen een laatstelijk huurprijs van € 615,93 bruto per maand (verder: het gehuurde).
2.3.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden van toepassing verklaard. In artikel 6 staat dat [gedaagde 1] verplicht is haar hoofdverblijf in het gehuurde te hebben en te houden.
2.4.
In augustus 2021 heeft [gedaagde 1] een laatste kans verklaring ondertekend. Daarin staat – samengevat – dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf in het gehuurde moet hebben en als zij langer dan twee maanden afwezig is, zij Ymere hiervan op de hoogte moet stellen.
2.5.
In september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde omdat een melding was gedaan dat [gedaagde 1] brand wilde stichten. Op 13 november 2023 vindt een gesprek plaats tussen [gedaagde 1], haar maatschappelijk werkster en Ymere. [gedaagde 1] verklaart dat zij tijdens de politie-inval in de Dominicaanse Republiek verbleef.
2.6.
In februari 2024 ontvangt Ymere meldingen dat [gedaagde 1] niet in het gehuurde verblijft. Ymere legt diverse huisbezoeken af maar treft [gedaagde 1] nooit aan het in het gehuurde.
2.7.
Op 26 maart 2024 sommeert Ymere [gedaagde 1] via aangetekend schrijven om de huurovereenkomst op te zeggen. De brief wordt aan Ymere retour verzonden. Ymere stuurt vervolgens aan [gedaagde 1] en de bewindvoerder een e-mail dat een ontruimingsprocedure in gang zal worden gezet.
Geschil
3.1.
Ymere vordert – samengevat – ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats].
3.2.
Ymere legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] dan wel de bewindvoerder ernstig tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst door haar hoofdverblijf niet in de woning te hebben. Die tekortkoming rechtvaardigt ontruiming van het gehuurde.
3.3.
De bewindvoerder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De goederen van [gedaagde 1] staan onder bewind. Stichting Budget vertegenwoordigt als bewindvoerder [gedaagde 1] in en buiten rechte. Hieruit volgt dat alleen de bewindvoerder de formele procespartij is (zie HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). Ymere is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 1].
4.2.
Het is voldoende gebleken dat Ymere een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering tegen de bewindvoerder.
4.3.
[gedaagde 1] heeft tegen zowel de bewindvoerder als Ymere verklaard dat zij in de Dominicaanse Republiek verblijft. De bewindvoerder erkent dan ook dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Zij heeft ter zitting een e-mail laten zien van [gedaagde 1] die desgevraagd heeft bevestigd dat zij de huur niet wil voortzetten. Hiermee is aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Vooruitlopend daarop wordt de vordering tot ontruiming dan ook toegewezen. Gezien de feitelijke omstandigheden acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van zeven dagen redelijk.
4.4.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie wordt afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. De gevorderde ontruimingskosten worden eveneens afgewezen, omdat die kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, wat niet op voorhand kan worden beoordeeld.
4.5.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
920,37
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart Ymere niet-ontvankelijk in haar vordering, voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 1];
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde 1], om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ymere zijn, en de sleutels af te geven aan Ymere,
5.3.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 920,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meerdere of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11093289 \ VV EXPL 24-89
Vonnis in kort geding van 31 mei 2024
in de zaak van
STICHTING YMERE,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
gemachtigde: mr. H.M.G. Brunklaus,
tegen
1
[gedaagde 1],
wonende te [plaats],gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen 2. [gedaagde 2] werkzaam voor STICHTING BUDGET, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde 1],
kantoorhoudende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 28 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
1.2.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is [gedaagde 1] zelf ter zitting niet verschenen. De bewindvoerder is wel verschenen.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald op heden.
Feiten
2.1.
[gedaagde 1] is onder bewind gesteld. [gedaagde 2] werkzaam voor Stichting Budget (verder: de bewindvoerder) is tot bewindvoerder benoemd.
2.2.
Ymere verhuurt vanaf 28 augustus 2014 de woning aan het adres [adres] te [plaats] aan [gedaagde 1] tegen een laatstelijk huurprijs van € 615,93 bruto per maand (verder: het gehuurde).
2.3.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden van toepassing verklaard. In artikel 6 staat dat [gedaagde 1] verplicht is haar hoofdverblijf in het gehuurde te hebben en te houden.
2.4.
In augustus 2021 heeft [gedaagde 1] een laatste kans verklaring ondertekend. Daarin staat – samengevat – dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf in het gehuurde moet hebben en als zij langer dan twee maanden afwezig is, zij Ymere hiervan op de hoogte moet stellen.
2.5.
In september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde omdat een melding was gedaan dat [gedaagde 1] brand wilde stichten. Op 13 november 2023 vindt een gesprek plaats tussen [gedaagde 1], haar maatschappelijk werkster en Ymere. [gedaagde 1] verklaart dat zij tijdens de politie-inval in de Dominicaanse Republiek verbleef.
2.6.
In februari 2024 ontvangt Ymere meldingen dat [gedaagde 1] niet in het gehuurde verblijft. Ymere legt diverse huisbezoeken af maar treft [gedaagde 1] nooit aan het in het gehuurde.
2.7.
Op 26 maart 2024 sommeert Ymere [gedaagde 1] via aangetekend schrijven om de huurovereenkomst op te zeggen. De brief wordt aan Ymere retour verzonden. Ymere stuurt vervolgens aan [gedaagde 1] en de bewindvoerder een e-mail dat een ontruimingsprocedure in gang zal worden gezet.
Geschil
3.1.
Ymere vordert – samengevat – ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats].
3.2.
Ymere legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] dan wel de bewindvoerder ernstig tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst door haar hoofdverblijf niet in de woning te hebben. Die tekortkoming rechtvaardigt ontruiming van het gehuurde.
3.3.
De bewindvoerder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De goederen van [gedaagde 1] staan onder bewind. Stichting Budget vertegenwoordigt als bewindvoerder [gedaagde 1] in en buiten rechte. Hieruit volgt dat alleen de bewindvoerder de formele procespartij is (zie HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). Ymere is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 1].
4.2.
Het is voldoende gebleken dat Ymere een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering tegen de bewindvoerder.
4.3.
[gedaagde 1] heeft tegen zowel de bewindvoerder als Ymere verklaard dat zij in de Dominicaanse Republiek verblijft. De bewindvoerder erkent dan ook dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Zij heeft ter zitting een e-mail laten zien van [gedaagde 1] die desgevraagd heeft bevestigd dat zij de huur niet wil voortzetten. Hiermee is aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Vooruitlopend daarop wordt de vordering tot ontruiming dan ook toegewezen. Gezien de feitelijke omstandigheden acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van zeven dagen redelijk.
4.4.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie wordt afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. De gevorderde ontruimingskosten worden eveneens afgewezen, omdat die kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, wat niet op voorhand kan worden beoordeeld.
4.5.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
920,37
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart Ymere niet-ontvankelijk in haar vordering, voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 1];
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde 1], om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ymere zijn, en de sleutels af te geven aan Ymere,
5.3.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 920,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meerdere of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.