Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-05-15
ECLI:NL:RBNHO:2024:5386
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,142 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10560870 / CV EXPL 23-2763
Uitspraakdatum: 15 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de stichting Stichting Intermaris
gevestigd te Hoorn
eiseres
verder te noemen: Intermaris
gemachtigde: M.G. Lasonder
tegen
1.) [gedaagde 1]
wonende te Hoorn
2.) [gedaagde 2]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagden
verder te noemen: [gedaagden]
gemachtigde: mr. F.J.J. Baars
1Het procesverloop
1.1.
Intermaris heeft bij dagvaarding van 8 juni 2023 een vordering tegen [gedaagde 1] ingesteld. In de brief van 21 juni 2023 heeft Intermaris nadere stukken ingediend. [gedaagde 1] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
In een brief van 7 november 2023 heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rol van 6 maart 2024 voor akte uitlating partijen.
1.3.
Op 17 april heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.4.
Vóór de zitting heeft Intermaris een akte van 1 maart 2024 met producties ingediend en in de brief van 4 maart 2024 heeft Intermaris nadere producties ingediend.
Feiten
2.1.
[gedaagde 1] huurt van Intermaris de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning) voor een huurprijs van € 567,70 per maand.
2.2.
Op 2 maart 2023 heeft Intermaris [gedaagde 1] aangemeld bij ‘Vroeg erop af Hoorn’, vanwege een huurachterstand van twee maanden.
2.3.
Op 12 mei 2023 heeft Intermaris een melding gedaan bij de gemeente, afdeling ‘bemoeizorg’.
2.4.
Op 15 juni 2023 is [gedaagde 1] in het kader van de WVGGZ opgenomen voor een intensieve behandeling.
2.5.
Bij beschikking van 26 juli 2023 is [gedaagde 1] onder bewind gesteld vanaf 27 juli 2023. [bewindvoerder] (hierna: de bewindvoerder) van het kantoor [gedaagde 2] is benoemd als bewindvoerder.
2.6.
Op 14 september 2023 zijn Intermaris en de bewindvoerder overeengekomen dat de huurachterstand voorlopig wordt afgelost met € 75,00 per maand voor de duur van zes maanden, vanaf 1 oktober 2023. Daarnaast is afgesproken dat de lopende huur stipt wordt betaald.
2.7.
In de brieven van 15 september 2023 en 27 november 2023 heeft Intermaris aan [gedaagde 1] verzocht het onkruid en de zandberg uit zijn tuin weg te halen.
2.8.
In een e-mailbericht van 13 februari 2024 bericht de bewindvoerder aan Intermaris dat de situatie van [gedaagde 1] onveranderd is en verzoekt om de betalingsregeling voort te zetten. Intermaris heeft met dit verzoek ingestemd.
3De vordering
3.1.
Intermaris vordert dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde 1] veroordeelt om de woning met al de zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan Intermaris te stellen. Verder vordert Intermaris veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 3.167,77 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.838,50 vanaf 7 juni 2023 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van € 567,70 per maand met ingang van 1 juli 2023 tot de dag van ontruiming en tot betaling van de proceskosten.
3.2.
In de akte van 1 maart 2024 voegt Intermaris een nieuwe grondslag toe aan de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Intermaris stelt – kort weergegeven – dat voor iedere betalingsregeling ter aflossing van een huurachterstand goed huurderschap een voorwaarde is en dat daarvan bij [gedaagde 1] geen sprake is. [gedaagde 1] heeft ondanks meerdere herinneringen van Intermaris de achtertuin niet hersteld in acceptabele staat. Ook de bewindvoerder van [gedaagde 1] heeft geen actie ondernomen om de tuin te herstellen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen.
4Het verweer
4.1.
[gedaagde 1] betwist de vordering. [gedaagde 1] voert ter zitting aan dat de akte van 1 maart 2024, waarin Intermaris een nieuwe grondslag aan de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst heeft toegevoegd, en de brief van 4 maart 2024 niet door hem ontvangen zijn. [gedaagde 1] maakt daarom ter zitting bezwaar tegen het inbrengen van deze stukken. Verder heeft [gedaagde 1] ter zitting betwist dat er geen sprake is van goed huurderschap. Hij was al bezig met het opknappen van zijn tuin, maar kon dit door zijn ziekte niet afmaken. Inmiddels is hij weer bezig met de werkzaamheden aan zijn tuin. De verwachting is dat de werkzaamheden aan de tuin binnen afzienbare tijd zijn afgerond.
Beoordeling
5.1.
De kantonrechter overweegt allereerst als volgt. [gedaagde 1] is bij beschikking van 26 juli 2023 onder bewind gesteld. [gedaagde 2] is benoemd tot de bewindvoerder van [gedaagde 1] . Gelet op het feit dat de bewindvoerder ingevolgde artikel 1:441 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tijdens het bewind [gedaagde 1] in en buiten rechte vertegenwoordigt, vloeit daaruit voort dat [gedaagde 1] met ingang van 27 juli 2023 niet meer bevoegd is om zelf te procederen en/of als formele procespartij op te treden. In de brief van 27 maart 2024 heeft [gedaagde 2] gereageerd op de tegen [gedaagde 1] uitgebrachte dagvaarding. De kantonrechter houdt het er voor dat [gedaagde 2] vrijwillig in het geding is verschenen. De procedure wordt geacht mede aanhangig te zijn tegen [gedaagde 2] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde 1] . De aanhef van het vonnis is hieraan aangepast.
5.2.
Ter zitting heeft Intermaris de vordering tot betaling van de huurachterstand van € 3.167,77 en tot betaling van € 567,70 per maand met ingang van 1 juli 2023 tot de dag van ontruiming ingetrokken omdat partijen hiervoor een betalingsregeling hebben afgesproken en [gedaagde 1] zich hieraan houdt. Intermaris heeft op de zitting bevestigd dat de vordering tot ontbinding alleen is gebaseerd op de grondslag dat er geen sprake is van goed huurderschap omdat [gedaagde 1] zijn tuin niet in acceptabele staat herstelt. Ter zitting heeft de kantonrechter geoordeeld dat de akte van 1 maart 2024, waarin Intermaris deze grondslag aanvoert, en de brief van 4 maart 2024 buiten beschouwing blijven omdat Intermaris deze stukken niet aan (de gemachtigde van) [gedaagde 1] heeft gestuurd. Na de zitting is de kantonrechter gebleken dat niet Intermaris maar de griffie van deze rechtbank deze stukken had moeten doorsturen en dat de griffie dat niet heeft gedaan. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Intermaris heeft onvoldoende– bijvoorbeeld met foto’s - onderbouwd dat de situatie in de tuin dusdanig is dat moet worden geoordeeld dat er geen sprake is van goed huurderschap. Bovendien is ter zitting door [gedaagde 1] aangevoerd dat hij juist bezig was met opknappen van zijn tuin, maar deze werkzaamheden door zijn ziekte niet kon afronden. Inmiddels zijn de werkzaamheden bijna afgerond. Tegen deze achtergrond is er geen sprake van een tekortkoming die een ontbinding rechtvaardigt.
5.3.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Intermaris zal afwijzen.
5.4.
De kantonrechter overweegt dat Intermaris de dagvaarding heeft uitgebracht op het moment dat er sprake was van een huurachterstand van drie maanden, daarna is pas een betalingsregeling afgesproken. Dit betekent dat Intermaris de procedure niet nodeloos is gestart. Dit betekent dat ondanks het feit dat de vordering van Intermaris zal worden afgewezen, de kantonrechter van oordeel is dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
6.3.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter