Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-05-22
ECLI:NL:RBNHO:2024:5091
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,875 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/2000
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2024 in de zaak tussen
de besloten vennootschap FSB Beveiliging B.V., uit Den Helder, verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Sikkes),
en
het bestuur van de stichting Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, verweerder (hierna ook: de SBB),
(gemachtigden: P. Buijs en mr. J.H. Goudriaan).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de intrekking van de haar eerder verleende erkenning als leerbedrijf voor alle kwalificaties.
1.1.
De erkenning als leerbedrijf voor alle kwalificaties is door de SBB ingetrokken bij besluit van 22 maart 2024 (het bestreden besluit). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De SBB heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de SBB.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekster is een leer-werkbedrijf en verzorgt het praktijkdeel van de opleiding tot beveiliger van studenten die voor hun opleiding zijn verbonden aan een onderwijsinstelling. De SBB heeft van een medewerkster van onderwijsinstelling NTI een klacht ontvangen over verzoekster, meer in het bijzonder over [naam 1] . Volgens de medewerkster heeft [naam 1] haar tijdens een telefoongesprek uitgescholden en bedreigd. Nadien heeft de stagecoördinator van het NTI de klacht nogmaals onder de aandacht gebracht van de SBB en daarbij een geluidsopname van het bedoelde telefoongesprek ingezonden. Op 24 januari 2024 is de klacht door de SBB in behandeling genomen.
4. Bij besluit van 22 maart 2024 heeft de SBB de erkenning van verzoekster als leerbedrijf voor alle kwalificaties ingetrokken. Aan de intrekking heeft de SBB voornoemde klacht ten grondslag gelegd. De SBB stelt gelet op de inhoud en ernst van de ontvangen klacht, zoals deze met verzoekster is besproken tijdens de hoorzitting op 13 februari 2024, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat:
er niet voldoende bereidheid is tot samenwerking met de onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling erkenning leerbedrijven SBB (hierna: de Regeling);
de praktijkbegeleiding niet voldoet aan het profiel voor de praktijkopleider als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Regeling en
er geen voldoende borging is van een sociaal veilige leeromgeving als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Regeling.
Omdat volgens de SBB niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 5, heeft de SBB op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling besloten de erkenning in te trekken.
5. De van toepassing zijnde bepalingen uit de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) en de Regeling zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
In bijlage 1 (Model profiel Praktijkopleider) van de Regeling is – onder meer – het volgende opgenomen: “De praktijkopleider zorgt voor een (sociaal) veilige leeromgeving voor de student. Hij zorgt dat de student instructie rondom veilig werken krijgt en uitvoert, zoals vastgelegd in de wettelijke eisen en Arbowetgeving over veiligheid. De praktijkopleider geeft het goede voorbeeld.”
Is er sprake van spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als er een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is waardoor de beslissing in de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Bij de afweging of er een (spoedeisend) belang is voor het treffen van een voorziening, kan de voorzieningenrechter ook betrekken of er sprake is van een evidente onrechtmatigheid in het door de SBB genomen besluit waartegen het verzoek is gericht. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden.
7. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen totdat door de SBB op haar bezwaar is beslist. Verzoekster stelt dat zij zich als leer-werkbedrijf inzet voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt door hen (samen met de onderwijsinstelling) op te leiden tot beveiliger en dat de intrekking voor haar vergaande gevolgen heeft omdat er studenten bij haar in opleiding zijn. Verweerder betwist het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
8. De voorzieningenrechter overweegt, mede onder verwijzing naar hetgeen door de SBB in het verweerschrift is aangegeven, dat het primaire belang van de Web en de daarvan afgeleide Regeling ligt bij het belang van studenten om een zo goed mogelijk verzorgde stageplaats of leerbaan aangeboden te krijgen waarmee zij een zo goed mogelijk perspectief op de arbeidsmarkt krijgen. Dit belang komt overeen met de doelstelling van verzoekster als leer-werkbedrijf. Als gevolg van de intrekking van de erkenning kan verzoekster niet langer studenten opleiden. In dit geval raakt de intrekking derhalve niet alleen het belang van de studenten, maar ook verzoekster zelf in de doelstelling van haar leer-werkbedrijf. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden, gelet op het ontbreken van een beoordeling in het bestreden besluit over de noodzaak en evenwichtigheid van de getroffen maatregel.
9. Verzoekster heeft gelet op het vorenstaande spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Waarom betwijfelt de voorzieningenrechter zeer ernstig of het besluit in bezwaar stand zal houden?
Was verweerder bevoegd?
10. Verweerder was wel bevoegd om de erkenning in te trekken, hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom. In de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) is bepaald dat onderricht in de praktijk van het beroep (hierna: beroepspraktijkvorming) deel uitmaakt van elke beroepsopleiding. De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd door zogenoemde leerbedrijven, die daarvoor een erkenning van de SBB hebben gekregen. De SBB zorgt ervoor dat deze leerbedrijven minstens eenmaal in de vier jaar worden beoordeeld aan de hand van door de SBB in de Regeling vastgestelde criteria. Bij een ongunstige beoordeling trekt de SBB de erkenning in.
11. De SBB heeft de erkenning ingetrokken op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van de Regeling omdat verzoekster volgens de SBB niet langer voldoet aan drie criteria genoemd in artikel 5, waaronder het vereiste dat er sprake moet zijn van praktijkbegeleiding die voldoet aan het profiel van de praktijkopleiders zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de Regeling. De voorzieningenrechter stelt in dat verband vast dat [naam 1] heeft erkend dat hij de medewerkster van het NTI tijdens het telefoongesprek heeft uitgescholden en bedreigd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [naam 1] zich daarmee niet gedragen zoals van een praktijkopleider mag worden verwacht. Hij heeft met zijn gedragingen niet het goede voorbeeld gegeven.
Was de maatregel noodzakelijk?
12. Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onevenredig is en dat de feiten en omstandigheden die in dat verband van belang zijn niet bij de besluitvorming zijn betrokken. De intrekking is gebaseerd op één incident naar aanleiding van een telefoongesprek, zonder daarbij de voorgeschiedenis die tot het incident heeft geleid te betrekken. [naam 1] heeft voor zijn gedrag meermalen spijt betuigd bij alle betrokkenen en het conflict met het NTI is op directieniveau opgelost. Er zijn verder nooit (eerder) klachten ontvangen vanuit het NTI of haar studenten over verzoekster. In de besluitvorming is ook niet betrokken dat verzoekster de samenwerking met het NTI al medio 2022 heeft verbroken en inmiddels al ruim een jaar samenwerkt met onderwijsinstelling SF-S BV, naar wederzijdse tevredenheid. De studenten van deze onderwijsinstelling worden nu door de intrekking gedupeerd en zij zijn tot op heden nog niet benaderd voor een overplaatsing.
13. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit om de erkenning als leerbedrijf voor alle kwalificaties in te trekken een belastend besluit is. Artikel 1.5.3, vierde lid, van de Web, gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, van de Regeling heeft geen imperatief karakter. Intrekking is geen onredelijk middel om een zo goed mogelijk verzorgde praktijkleergang te bewerkstellingen.
Conclusie
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 22 maart 2024 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De omstandigheid dat de hoorzitting op 11 juni 2024 en daarmee op relatief korte termijn is gepland, doet daaraan – gelet op het belang van continuïteit voor zowel verzoekster als haar studenten – niet af.
20. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat SBB het griffierecht moet vergoeden. Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De SBB moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat SBB het griffierecht van € 371,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op22 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage wettelijk kader
Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel 1.5.3. Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming
1. De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven is belast met het bij regeling vaststellen van de erkenningsvoorwaarden voor bedrijven en andere organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen.
2. De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven erkent op aanvraag een bedrijf of organisatie, die aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming.
3. Een erkenning geldt voor vier jaren. Zij wordt van rechtswege verlengd bij een positieve herbeoordeling. Ten bewijze daarvan wordt ambtshalve een beschikking uitgereikt.
4. De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken als niet of niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. De erkenning vervalt van rechtswege als het leerbedrijf gedurende een periode van vier jaren geen beroepspraktijkvorming heeft verzorgd.
Regeling erkenning leerbedrijven SSB
Artikel 5. Voorwaarden voor erkenning
Het bedrijf of de organisatie wordt geacht:
1. een goede leerplaats en werkzaamheden binnen de eigen arbeidsorganisatie te bieden die behoren tot de werkprocessen van het beroep waarvoor de student wordt opgeleid;
2. voor iedere student een goede leerplaats in (sociaal) veilige omstandigheden beschikbaar te hebben;
3. voldoende en deskundige begeleiding te bieden gericht op de student. Het leerbedrijf benoemt en faciliteert een deskundige praktijkopleider. Het profiel voor praktijkopleider wordt hierbij als maatstaf genomen (bijlage 1);
4. bereid te zijn tot samenwerking met de onderwijsinstelling en SBB en verstrekt daartoe de benodigde informatie;
5. akkoord te gaan met de vermelding van de bedrijfs- en contactgegevens in het openbare register leerbedrijven. Er kan sprake zijn van een onderbouwd verzoek tot uitzondering van vermelding in het openbaar register in het kader van de veiligheid van medewerkers van het leerbedrijf en/of de student. Hierbij worden de adresgegevens niet vermeld. De beoordeling om deze uitzondering toe te passen ligt bij SBB.
De eisen die aan een leerplaats en aan de begeleiding worden gesteld, kunnen afhankelijk zijn van de bijzondere eisen per kwalificatie waarvoor de erkenning wordt verleend (bijlage 2).
Artikel 8. Intrekken van de erkenning
1. SBB kan besluiten tot intrekking van de erkenning, indien naar haar oordeel:
a. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3 en 5, 5a en 5b, die aan het besluit tot erkenning ten grondslag hebben gelegen;
b. omstandigheden optreden waardoor de persoonlijke belangen van een student worden geschaad, waaronder in elk geval maar niet uitsluitend begrepen: omstandigheden waarbij sprake is van (seksuele) intimidatie, discriminatie, agressie, pesten en/of geweld en omstandigheden waarbij arbeid -, gezondheid -, milieu – en veiligheidsrisico’s optreden.
c. andere zwaarwegende omstandigheden optreden, waaronder in elk geval maar niet uitsluitend begrepen: faillissement van het leerbedrijf of maatregelen in het leerbedrijf door een toezichthoudende instantie op het leerbedrijf, waardoor de erkenning in redelijkheid niet kan worden gehandhaafd.
2. Van intrekking van de erkenning wordt het leerbedrijf schriftelijk onder opgave van redenen door SBB op de hoogte gebracht.
3. SBB heeft het recht om, wanneer zij het voornemen heeft om een besluit te nemen tot intrekking van de erkenning, in afwachting van de beoordeling en het definitieve besluit over de intrekking van de erkenning, de erkenning bij schriftelijk gemotiveerd besluit te schorsen.
Zie hoofdstuk 7
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2026, ECLI:NL:RVS:2016:2870