Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-05-08
ECLI:NL:RBNHO:2024:4676
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,395 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/351447 / KG ZA 24-192
Vonnis in kort geding van 8 mei 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. C.A.F. Visser te Wormerveer,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 1],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.S. Bijsterbosch te Maasdijk.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn ex-samenwoners. Zij hebben de gezamenlijk eigendom van een woning en zijn het erover eens dat de woning verkocht moet worden aan een derde. Ter zitting hebben partijen hierover (en over de verdere afwikkeling van de samenleving) afspraken gemaakt. Partijen wensen nog slechts een beslissing van de voorzieningenrechter op de vraag wie van partijen tot aan de levering van de woning het uitsluitend gebruiksrecht van de woning krijgt. De voorzieningenrechter bepaalt dat partijen om beurten, steeds voor de duur van drie maanden, in de woning mogen verblijven totdat de woning notarieel geleverd wordt aan een derde.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties A t/m H
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie
de aanvulling eis na eis in reconventie met bijlagen van de zijde van [eiser]
de mondelinge behandeling van 2 mei 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.
2.2.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:
[eiser], bijgestaan door mr. Visser voornoemd
[gedaagde], bijgestaan door mr. Bijsterbosch voornoemd.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en enkele jaren met elkaar samengewoond. Sinds september 2018 zijn partijen ieder voor de helft gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning).
3.2.
Partijen verhuren in de woning een kamer aan [betrokkene], die hiervoor maandelijks € 450,- betaalt.
3.3.
Op 1 april 2024 heeft er in de woning een incident plaatsgevonden tussen partijen. Naar aanleiding daarvan heeft de burgemeester bij beschikking van 2 april 2024 aan [eiser] een huisverbod opgelegd voor de periode van 2 tot 12 april 2024 (hierna: de beschikking).
3.4.
In de beschikking staat, voor zover relevant:
Belangrijkste signalen (feiten en omstandigheden) die hebben geleid tot een huisverbod
In de relatie geven pleger en slachtoffer aan te willen scheiden. Er waren tegenstrijdige verklaringen. Gezien het feit dat huisgenoot [betrokkene] (ook) gebeten is, is de verstandhouding in de woning niet optimaal. De kans dat er op korte termijn weer een conflict ontstaat is groot.
Pleger en slachtoffer zijn met elkaar in "gevecht "over de woning. Pleger wil zijn nieuwe vriendin in de woning laten wonen. Huisgenoot [betrokkene] geeft aan dat hij regelmatig getuige is van geweld. Ook zegt hij dat er altijd spanningen in huis zijn en hij hoort hoe slachtoffer wordt vernederd. Pleger was onder invloed van alcohol op het moment van zijn aanhouding. Pleger toonde geen berouw/spijt en/of was niet in staat om te reflecteren.
Slachtoffer en een huisgenoot zijn gebeten en er is zichtbaar letsel bij betrokkenen. Pleger zegt dat hij zich onveilig voelt in zijn eigen woning.
(…)
Belangenafweging
Huisverbod is opgelegd aan pleger, omdat de huisgenoot [betrokkene] anders ook de woning moet verlaten.
3.5.
Het huisverbod is daarna verlengd tot 30 april 2024.
Geschil
in conventie
4.1.
[eiser] vorderde aanvankelijk, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, – samengevat –medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning. Ter zitting hebben partijen hierover afspraken gemaakt, zodat na vermeerdering van eis alleen nog de volgende vordering voorligt:
I. te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de woning aan [eiser] toekomt totdat de woning bij notariële akte is geleverd aan een derde of aan [gedaagde], op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de huidige situatie (waarbij partijen beiden in de woning verblijven) onhoudbaar is. Partijen zijn ieder afzonderlijk niet in staat om de woning over te nemen. Omdat [gedaagde] heeft verklaard niet bereid te zijn om samen met [eiser] in de woning te verblijven, verzoekt [eiser] het alleengebruik van de woning aan hem toe te scheiden.
4.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[gedaagde] vorderde aanvankelijk, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ook om [eiser] te veroordelen om de helft van de hypothecaire verplichtingen en de eigenaarslasten maandelijks te voldoen. Ter zitting hebben partijen hierover afspraken gemaakt, zodat nu alleen nog de volgende vordering voorligt:
I. aan [gedaagde] het uitsluitend gebruiksrecht van de woning toe te kennen totdat de woning is verkocht en notarieel wordt geleverd aan een derde. Met het gebod dat [eiser] de woning niet meer mag betreden, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,-.
4.6.
[gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] heeft aangegeven de woning weer te willen betreden, omdat het huisverbod op 30 april jl. is geëindigd. Omdat dit grote veiligheidsrisico’s met zich meebrengt, [eiser] elders onderdak kan vinden en niet of nauwelijks bijdraagt in de kosten van de woning vordert [gedaagde] het uitsluitend gebruiksrecht van de woning totdat de woning is verkocht en wordt geleverd aan een derde.
4.7.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zal de voorzieningenrechter deze gezamenlijk behandelen.
Uitsluitend gebruik woning
5.2.
Tot 1 april 2024 hebben partijen gezamenlijk in de woning gewoond, waarbij zij ieder in een ‘eigen’ vertrek van de woning verbleven. Op 2 april 2024 heeft de burgemeester aan [eiser] een huisverbod opgelegd, wegens een incident dat op 1 april in de woning tussen partijen heeft plaatsvonden. Na verlenging is het huisverbod op 30 april 2024 geëindigd. [eiser] is daarna teruggekeerd naar de woning.
5.3.
[gedaagde] betoogt dat zij niet langer samen met [eiser] in de woning wil wonen, omdat zij zich dan – gelet op hetgeen tussen partijen is voorgevallen – onveilig voelt. [eiser] meent dat als partijen zich beiden aan de afspraak houden dat zij in afzonderlijke kamers in de woning verblijven er geen reden is tot frustraties en/of incidenten.
5.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet wenselijk dat partijen tegelijkertijd in de woning verblijven. Het volgende is hiervoor van belang.
5.5.
[gedaagde] stelt dat zij er geen vertrouwen in heeft dat partijen op goede voet met elkaar in de woning kunnen verblijven. Ter onderbouwing verwijst zij naar de beschikking, waarin staat vermeld dat de kans dat er op korte termijn weer een conflict ontstaat groot is. Verder blijkt uit de beschikking dat huisgenoot [betrokkene] heeft verklaard regelmatig getuige te zijn van geweld en dat er altijd spanningen in de woning zijn. Ook Veilig Thuis heeft partijen geadviseerd niet gezamenlijk in de woning te verblijven.
5.6.
Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat het onveilige gevoel nog steeds bij haar bestaat, omdat zij onlangs nog bedreigende voice-berichten (in het Pools) van [eiser] heeft ontvangen. Zij heeft deze voice-berichten door een beëdigd vertaler laten vertalen naar het Nederlands en de vertaling daarvan ter zitting aan de voorzieningenrechter getoond.
Samengevat heeft [eiser] het volgende aan [gedaagde] gestuurd:
Voor alles wat nu gebeurt en wat er nog gaat gebeuren ga je boeten. Je zal ervoor boeten, ik wacht alleen tot de zaak met de woning voorbij is en dan ga ik jou aanpakken. Je zal verbaasd zijn, want het is een kwestie van één of twee weken dat ik intrek met mijn vriendin. Kom op hoer, je was zo dapper, ik wil je zien. Kom op, kom op, ik wacht op je verdomde slet. Kom hier. Ik wil graag de glimlach op je bek zien.
5.7.
Het voorgaande onderschrijft de vrees van [gedaagde] dat [eiser] zich niet aan de afspraken zal houden en de gemoederen tussen partijen dusdanig zijn opgelopen dat een gezamenlijk verblijf in de woning niet raadzaam is. De voorzieningenrechter kent ook betekenis toe aan het feit dat er ook in 2020 sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag van [eiser] en dat dit er toen toe heeft geleid dat [gedaagde] een trauma heeft opgelopen waarvoor zij zich onder behandeling heeft moeten stellen. Aan te nemen valt tegen die achtergrond dat gevoelens van angst en onveiligheid bij haar sneller worden ge(re)activeerd.
De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat, totdat de woning notarieel geleverd wordt aan een derde, partijen om beurten het uitsluitend gebruiksrecht van de woning krijgen, steeds voor de duur van drie maanden. Daarbij zal [gedaagde] eerst de gelegenheid krijgen om in de woning te verblijven, omdat zij gebonden is aan [plaats 1] vanwege haar werk. Hoewel [eiser] heeft betoogd niet elders in Nederland te kunnen verblijven, staat vast dat hij familie in [plaats 2] en een vriend in [plaats 3] heeft wonen en hij voor zijn werk niet gebonden is aan [plaats 1]. Een afweging van de belangen leidt daarom tot de beslissing dat [gedaagde] eerst in de woning mag verblijven, zodat zij langer de tijd heeft om een alternatieve verblijfplaats te zoeken. Uiteraard geldt dat zodra de woning geleverd moet worden, de op dat moment in de woning verblijvende partij hoe dan ook de woning moet verlaten.
Proceskosten
5.8.
Gelet op de omstandigheid dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
6.1.
bepaalt dat – totdat de woning notarieel geleverd wordt aan een derde – partijen om beurten het uitsluitend gebruiksrecht van de woning krijgen voor de duur van drie maanden ingaand 8 mei 2024, waarbij eerst [gedaagde] deze gelegenheid krijgt en vervolgens [eiser] enzovoorts,
6.2.
bepaalt dat het de partij die op grond van het bepaalde in 6.1. niet het recht heeft om in de woning te verblijven gedurende de periode waarin dit het geval is niet is toegestaan om zich zonder de instemming van de wederpartij naar de woning te begeven en/of daarin te verblijven,
6.3.
bepaalt dat als één van partijen niet aan de hoofdveroordeling van 6.2. voldoet, hij/zij een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag totdat per persoon een maximum van € 10.000,- is bereikt,
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. de Bert op 8 mei 2024.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Conc.: 1589