Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-04-17
ECLI:NL:RBNHO:2024:3914
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
867 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10838375 CV EXPL 23-8125
Uitspraakdatum: 17 april 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting [eiser]
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: Lawpoint Gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 14 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van een bepaald beding uit de toepasselijke algemene voorwaarden van de eisende partij. Dit heeft de eisende partij gedaan bij akte van 13 maart 2024 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
Buitengerechtelijke incassokosten
2.1.
In de akte heeft de eisende partij gesteld dat artikel 7.12 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk is. Hierbij heeft de eisende partij toegelicht dat in artikel 7.12 expliciet het woord ‘betalingsverplichting’ wordt genoemd. Volgens de eisende partij wordt hiermee bedoeld de verplichting van de huurder om binnen de wettelijke betalingstermijn van veertien dagen over te gaan tot algehele betaling van de vordering, zoals dit uitdrukkelijk vermeld is in de aanmaning van 12 september 2023 en in de veertiendagenbrief van 6 november 2023.
2.2.
De kantonrechter volgt deze stellingen niet. De formulering van artikel 7.12 van de algemene voorwaarden suggereert dat na aanmaning direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding onduidelijk en voldoet het niet aan de wettelijke vereisten. Uit het woord ‘betalingsverplichting’ kan niet worden afgeleid dat dit de verplichting van de huurder inhoudt om binnen de wettelijke betalingstermijn van veertien dagen zoals bedoeld in de veertiendagenbrief over te gaan tot algehele betaling. Dat de eisende partij wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd en in zoverre feitelijk heeft voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW, doet daaraan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.
2.3.
Gelet op het voorgaande worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.4.
Voor het overige blijft de kantonrechter bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Huurvoorwaarden februari 2021