Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-12
ECLI:NL:RBNHO:2024:3848
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,982 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/5910
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Hoofddorp, verzoeker
(gemachtigde: P. Vonck)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: mr. F.J.H. van Tienen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het buiten behandeling stellen van zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo-verzoek).
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 25 september 2023 op het Woo-verzoek beslist. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 maart 2024 op zitting behandeld, nadat het wrakingsverzoek van verzoeker was afgewezen. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker; de gemachtigde van verweerder en mr. [naam] ; en namens verweerder mr. R. Braecken en mr. M. van Schip. Verzoeker was met bericht vooraf niet aanwezig bij de zitting.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 7 augustus 2023 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek op grond van de Woo ingediend en verzocht om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op de geplande ontwikkelingen aan de [adres 1] en de [adres 2] in Haarlem. Op 10 augustus 2023 heeft verweerder de ontvangst van dit Woo-verzoek bevestigd aan verzoeker. Nadat verweerder op 5 september 2023 de beslistermijn heeft opgeschort met twee weken, heeft verweerder met het besluit van 25 september 2023 (het bestreden besluit) het Woo-verzoek op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling gesteld. Volgens verweerder is sprake van misbruik van recht.
2.2.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Volgens verzoeker is het bestreden besluit evident onrechtmatig, omdat de termijnen van artikel 4.4 en 4.6 van de Woo worden genegeerd.
Beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De beantwoording van de vraag of sprake is van spoedeisend belang komt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De vraag die daarbij moet worden beantwoord is of het belang van verzoeker bij directe openbaarmaking van de door hem gevraagde documenten zo spoedeisend is dat niet kan worden gewacht totdat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoeker.
3.2.
Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat het bezwaar van verzoeker in behandeling is bij de commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). Verzoeker heeft afgezien van het horen door de commissie en de commissie zal binnenkort een advies uitbrengen aan verweerder. Na ontvangst van het advies hoopt verweerder over ruim twee maanden een beslissing op bezwaar nemen.
3.3.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit, waarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van misbruik van recht, te schorsen, zodat de gevraagde documenten direct openbaar worden gemaakt. Volgens verzoeker heeft zijn Woo-verzoek een spoedeisend belang, omdat hij door middel van de gevraagde documenten mogelijke fouten en onrechtmatigheden ten aanzien van de bouwkundige en planologische ontwikkelingen aan de [adres 1] en de [adres 2] wil kunnen corrigeren. De prognose laat zien dat men al achterloopt met de planning en dat waarschijnlijk snel met de sloop zal worden begonnen. Waarschijnlijk tussen 31 maart 2024 en 15 mei 2024. Verzoeker stelt dat als dat het geval is hij bij het ontbreken van de gevraagde documenten geen invloed meer kan uitoefenen op het verdere verloop van het project en andere bezorgde Haarlemmers daarin niet kan informeren.
3.4.
Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er op dit moment alleen nog een aanvraag ligt voor een sloopvergunning, dat er nog geen besluit is genomen op deze aanvraag en dat het ook nog wel een aanzienlijke tijd zal duren voordat hierover een besluit zal worden genomen.
3.5.
Omdat verweerder nog geen sloopvergunning heeft verleend en verweerder hoogstwaarschijnlijk binnen een paar maanden een besluit op het bezwaar van verzoeker zal nemen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Niet valt in te zien dat niet gewacht kan worden totdat op het bezwaar is beslist.
Conclusie
4. Omdat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/5910
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Hoofddorp, verzoeker
(gemachtigde: P. Vonck)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: mr. F.J.H. van Tienen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het buiten behandeling stellen van zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo-verzoek).
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 25 september 2023 op het Woo-verzoek beslist. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 maart 2024 op zitting behandeld, nadat het wrakingsverzoek van verzoeker was afgewezen. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker; de gemachtigde van verweerder en mr. [naam] ; en namens verweerder mr. R. Braecken en mr. M. van Schip. Verzoeker was met bericht vooraf niet aanwezig bij de zitting.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 7 augustus 2023 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek op grond van de Woo ingediend en verzocht om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op de geplande ontwikkelingen aan de [adres 1] en de [adres 2] in Haarlem. Op 10 augustus 2023 heeft verweerder de ontvangst van dit Woo-verzoek bevestigd aan verzoeker. Nadat verweerder op 5 september 2023 de beslistermijn heeft opgeschort met twee weken, heeft verweerder met het besluit van 25 september 2023 (het bestreden besluit) het Woo-verzoek op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling gesteld. Volgens verweerder is sprake van misbruik van recht.
2.2.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Volgens verzoeker is het bestreden besluit evident onrechtmatig, omdat de termijnen van artikel 4.4 en 4.6 van de Woo worden genegeerd.
Beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De beantwoording van de vraag of sprake is van spoedeisend belang komt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De vraag die daarbij moet worden beantwoord is of het belang van verzoeker bij directe openbaarmaking van de door hem gevraagde documenten zo spoedeisend is dat niet kan worden gewacht totdat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoeker.
3.2.
Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat het bezwaar van verzoeker in behandeling is bij de commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). Verzoeker heeft afgezien van het horen door de commissie en de commissie zal binnenkort een advies uitbrengen aan verweerder. Na ontvangst van het advies hoopt verweerder over ruim twee maanden een beslissing op bezwaar nemen.
3.3.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit, waarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van misbruik van recht, te schorsen, zodat de gevraagde documenten direct openbaar worden gemaakt. Volgens verzoeker heeft zijn Woo-verzoek een spoedeisend belang, omdat hij door middel van de gevraagde documenten mogelijke fouten en onrechtmatigheden ten aanzien van de bouwkundige en planologische ontwikkelingen aan de [adres 1] en de [adres 2] wil kunnen corrigeren. De prognose laat zien dat men al achterloopt met de planning en dat waarschijnlijk snel met de sloop zal worden begonnen. Waarschijnlijk tussen 31 maart 2024 en 15 mei 2024. Verzoeker stelt dat als dat het geval is hij bij het ontbreken van de gevraagde documenten geen invloed meer kan uitoefenen op het verdere verloop van het project en andere bezorgde Haarlemmers daarin niet kan informeren.
3.4.
Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er op dit moment alleen nog een aanvraag ligt voor een sloopvergunning, dat er nog geen besluit is genomen op deze aanvraag en dat het ook nog wel een aanzienlijke tijd zal duren voordat hierover een besluit zal worden genomen.
3.5.
Omdat verweerder nog geen sloopvergunning heeft verleend en verweerder hoogstwaarschijnlijk binnen een paar maanden een besluit op het bezwaar van verzoeker zal nemen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Niet valt in te zien dat niet gewacht kan worden totdat op het bezwaar is beslist.
Conclusie
4. Omdat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.