Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-01-17
ECLI:NL:RBNHO:2024:375
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,918 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10203525 \ CV EXPL 22-6774
Uitspraakdatum: 17 januari 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Parking aan Zee B.V.
wonende te IJmuiden
de eisende partij
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
procederend in persoon
1Het procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft bij dagvaarding van 17 november 2022 een vordering tegen de gedaagde partij ingesteld. De gedaagde partij heeft mondeling geantwoord.
1.2.
De eisende partij heeft hierop schriftelijk gereageerd. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de gedaagde partij niet meer gereageerd
Feiten
2.1.
De eisende partij exploiteert en beheert meerdere parkeeraccommodaties, waaronder het parkeerterrein aan de Kennemerboulevard te IJmuiden (hierna: de parkeeraccommodatie).
2.2.
Op het informatiebord bij de ingang van de parkeeraccommodatie wordt voorafgaand aan het naar binnenrijden verwezen naar het boetebedrag van € 300,00 voor ‘meetreinen’.
2.3.
Met behulp van op de parkeeraccomodatie aanwezige camera’s is geconstateerd dat een personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) op 12 mei 2022 de parkeeraccommodatie heeft verlaten door direct achter een voorganger aan onder de slagboom door te rijden.
2.4.
Het kenteken van het voertuig staat op naam van de gedaagde partij.
3De vordering
3.1.
De eisende partij vordert dat de gedaagde partij veroordeeld wordt tot betaling van € 369,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2022. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: een hoofdsom van € 311,00, de buitengerechtelijke incassokosten van € 46,65, leges RDW van € 8,40 en de verschenen rente van € 3,23. Daarnaast vordert de eisende partij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
3.2.
De eisende partij heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat de gedaagde partij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen tot stand gekomen huurovereenkomst. De eisende partij stelt dat sprake is geweest van ‘treintje rijden’ en dat de gedaagde partij daarom op grond van artikel 5.8. van de Algemene voorwaarden parkeren van Parking aan Zee BV (hierna: de algemene voorwaarden) gehouden is het geldende tarief verloren kaart van € 11,00 en de aanvullende schadevergoeding van € 300,00 aan haar te voldoen.
4Het verweer
4.1.
De gedaagde partij betwist de vordering. Hieronder zal worden ingegaan op zijn verweer.
Beoordeling
Niet rauwelijks gedagvaard
5.1.
De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van de gedaagde partij dat hij rauwelijks is gedagvaard en dat hij niet eerder op de hoogte is gesteld van de vordering van de eisende partij. Uit productie 3 bij de dagvaarding blijkt namelijk dat de eisende partij op 1 juni 2022 per brief een sommatie tot betaling aan de gedaagde partij heeft gestuurd.
Er is sprake geweest van treintje rijden
5.2.
De gedaagde partij betwist dat hij zonder te betalen door middel van treintje rijden de parkeeraccomodatie heeft verlaten. Hij heeft aangevoerd dat zijn bijrijder het parkeerkaartje heeft betaald bij de parkeerautomaat. Verder dacht hij dat hij zijn parkeerkaartje niet hoefde te scannen omdat de slagboom bij een parkeeraccomodatie vaak al opengaat op kenteken. De slagboom was al open door de auto die vóór het voertuig van de gedaagde partij reed, aldus de gedaagde partij.
5.3.
Dit verweer slaagt niet. De eisende betwist dat de gedaagde partij heeft betaald voor het parkeren. Daarom had de gedaagde partij met stukken moeten onderbouwen dat hij heeft betaald, maar hij heeft dat niet gedaan. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat er niet is betaald.
5.4.
Verder heeft de eisende partij erop gewezen dat de slagboom na het doorlaten van een auto altijd eerst dichtgaat voordat een volgende auto wordt doorgelaten. De gedaagde partij heeft dat niet betwist. In artikel 5.7. van de algemene voorwaarden is toegelicht dat ‘treintje rijden’ inhoudt dat een klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt zonder te betalen voor het parkeren en dat dat niet is toegestaan. De gedaagde partij heeft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden niet betwist. In dit geval staat vast dat de slagboom niet dicht is geweest nadat de auto die voor het voertuig van de gedaagde partij reed, was doorgelaten. Door direct daar achteraan te rijden terwijl bovendien niet is komen vast te staan dat de gedaagde partij heeft betaald voor het parkeren, heeft de gedaagde partij treintje gereden.
5.5.
De vraag of de gedaagde partij vanwege het treintje rijden op grond van artikel 5.8. van de algemene voorwaarden moet betalen voor het tarief verloren kaart en een aanvullende schadevergoeding zal hieronder worden beoordeeld.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
5.6.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13/EEG) is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Concrete ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden: tarief verloren kaart en aanvullende schadevergoeding
5.7.
De kantonrechter begrijpt dat de vordering is gebaseerd op de artikelen 5.5 tot en met 5.8 van de algemene voorwaarden. Daarin staat – voor zover van belang - het volgende:
“5.5 Het met een Motorvoertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig, door Parking aan Zee geaccepteerd Parkeerbewijs is onder geen beding toegestaan.
5.6
In geval van verlies of het ontbreken van het Parkeerbewijs, is de Parkeerder het door Parking aan Zee voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Parking aan Zee om de Parkeerder het werkelijke Parkeergeld in rekening te brengen mocht dat hoger zijn dan het tarief “verloren kaart”(…).
5.7
Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde Parkeergeld met het Motorvoertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden” waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan.
5.8
Indien Parking aan Zee een gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in artikel 5.5 of 5.7 van deze Voorwaarden constateert, is de Klant het door Parking aan Zee voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit verschuldigd, vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,00 (incl. BTW prijspeil 2022) (…).”
5.8.
De kantonrechter heeft in een eerder vonnis in een andere zaak van dezelfde eisende partij (tussenvonnis van 21 september 2022: ECLI:NL:RBNHO:2022:12638 en eindvonnis van 16 november 2022: ECLI:NL:RBNHO:2022:12639, beiden te vinden op rechtspraak.nl) geoordeeld dat deze bedingen niet oneerlijk zijn. De kantonrechter ziet, gelet op het gestelde in de dagvaarding en uitgaande van de huidige stand van de jurisprudentie, in deze zaak geen aanleiding om daar anders over te denken.
5.9.
Gelet hierop is de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 311,00 (bestaande uit het tarief verloren kaart en de aanvullende schadevergoeding) toewijsbaar. Ook de daarover gevorderde rente van € 3,23 is toewijsbaar. Voor zover ook rente wordt gevorderd over de reeds verschenen rente is die niet toewijsbaar.
BIK-beding
5.10.
De eisende partij vordert ook betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 8.2 van de algemene voorwaarden luidt: ‘Indien Parking aan Zee genoodzaakt is een sommatie, ingebrekestelling of ander exploot aan de Klant te doen uitbrengen of in geval van noodzakelijke procedures tegen de Klant, is de Klant verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, waaronder de kosten van rechtskundige bijstand, zowel in als buiten rechte, aan Parking aan Zee te vergoeden. Voor zover incassomaatregelen noodzakelijk zijn, worden de buitengerechtelijke kosten tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op 15% van de onbetaalde hoofdsom, met een minimum van € 300,-, tenzij hiervoor een andersluidende bindende wettelijke regelding geldt.’
5.11.
Dit artikel wordt vermoed oneerlijk te zijn omdat het ten nadele van de consument afwijkt van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Met de zinsnede ‘tenzij hiervoor een andersluidende bindende wettelijke regeling geldt’ is onvoldoende duidelijk en begrijpelijk gemaakt dat de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten volgt uit artikel 6:96 BW en het Besluit. Dat geldt te meer nu in afwijking van de wettelijke regeling de hoogte van die kosten op 15% wordt vastgesteld, terwijl op grond van de wettelijke regeling een staffel geldt en de onbetaalde hoofdsom niet op voorhand is gemaximeerd. Bovendien suggereert dit beding dat zodra de eisende partij een sommatie, ingebrekestelling of ander exploot verstuurt incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
beveelt de eisende partij om bij akte op de rol van 14 februari 2024 de stellingen in de dagvaarding nader toe te lichten door de inlichtingen te verstrekken zoals hiervoor is overwogen;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
HvJ 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia)
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10203525 \ CV EXPL 22-6774
Uitspraakdatum: 17 januari 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Parking aan Zee B.V.
wonende te IJmuiden
de eisende partij
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
procederend in persoon
1Het procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft bij dagvaarding van 17 november 2022 een vordering tegen de gedaagde partij ingesteld. De gedaagde partij heeft mondeling geantwoord.
1.2.
De eisende partij heeft hierop schriftelijk gereageerd. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de gedaagde partij niet meer gereageerd
Feiten
2.1.
De eisende partij exploiteert en beheert meerdere parkeeraccommodaties, waaronder het parkeerterrein aan de Kennemerboulevard te IJmuiden (hierna: de parkeeraccommodatie).
2.2.
Op het informatiebord bij de ingang van de parkeeraccommodatie wordt voorafgaand aan het naar binnenrijden verwezen naar het boetebedrag van € 300,00 voor ‘meetreinen’.
2.3.
Met behulp van op de parkeeraccomodatie aanwezige camera’s is geconstateerd dat een personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) op 12 mei 2022 de parkeeraccommodatie heeft verlaten door direct achter een voorganger aan onder de slagboom door te rijden.
2.4.
Het kenteken van het voertuig staat op naam van de gedaagde partij.
3De vordering
3.1.
De eisende partij vordert dat de gedaagde partij veroordeeld wordt tot betaling van € 369,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2022. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: een hoofdsom van € 311,00, de buitengerechtelijke incassokosten van € 46,65, leges RDW van € 8,40 en de verschenen rente van € 3,23. Daarnaast vordert de eisende partij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
3.2.
De eisende partij heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat de gedaagde partij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen tot stand gekomen huurovereenkomst. De eisende partij stelt dat sprake is geweest van ‘treintje rijden’ en dat de gedaagde partij daarom op grond van artikel 5.8. van de Algemene voorwaarden parkeren van Parking aan Zee BV (hierna: de algemene voorwaarden) gehouden is het geldende tarief verloren kaart van € 11,00 en de aanvullende schadevergoeding van € 300,00 aan haar te voldoen.
4Het verweer
4.1.
De gedaagde partij betwist de vordering. Hieronder zal worden ingegaan op zijn verweer.
Beoordeling
Niet rauwelijks gedagvaard
5.1.
De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van de gedaagde partij dat hij rauwelijks is gedagvaard en dat hij niet eerder op de hoogte is gesteld van de vordering van de eisende partij. Uit productie 3 bij de dagvaarding blijkt namelijk dat de eisende partij op 1 juni 2022 per brief een sommatie tot betaling aan de gedaagde partij heeft gestuurd.
Er is sprake geweest van treintje rijden
5.2.
De gedaagde partij betwist dat hij zonder te betalen door middel van treintje rijden de parkeeraccomodatie heeft verlaten. Hij heeft aangevoerd dat zijn bijrijder het parkeerkaartje heeft betaald bij de parkeerautomaat. Verder dacht hij dat hij zijn parkeerkaartje niet hoefde te scannen omdat de slagboom bij een parkeeraccomodatie vaak al opengaat op kenteken. De slagboom was al open door de auto die vóór het voertuig van de gedaagde partij reed, aldus de gedaagde partij.
5.3.
Dit verweer slaagt niet. De eisende betwist dat de gedaagde partij heeft betaald voor het parkeren. Daarom had de gedaagde partij met stukken moeten onderbouwen dat hij heeft betaald, maar hij heeft dat niet gedaan. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat er niet is betaald.
5.4.
Verder heeft de eisende partij erop gewezen dat de slagboom na het doorlaten van een auto altijd eerst dichtgaat voordat een volgende auto wordt doorgelaten. De gedaagde partij heeft dat niet betwist. In artikel 5.7. van de algemene voorwaarden is toegelicht dat ‘treintje rijden’ inhoudt dat een klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt zonder te betalen voor het parkeren en dat dat niet is toegestaan. De gedaagde partij heeft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden niet betwist. In dit geval staat vast dat de slagboom niet dicht is geweest nadat de auto die voor het voertuig van de gedaagde partij reed, was doorgelaten. Door direct daar achteraan te rijden terwijl bovendien niet is komen vast te staan dat de gedaagde partij heeft betaald voor het parkeren, heeft de gedaagde partij treintje gereden.
5.5.
De vraag of de gedaagde partij vanwege het treintje rijden op grond van artikel 5.8. van de algemene voorwaarden moet betalen voor het tarief verloren kaart en een aanvullende schadevergoeding zal hieronder worden beoordeeld.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
5.6.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13/EEG) is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Concrete ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden: tarief verloren kaart en aanvullende schadevergoeding
5.7.
De kantonrechter begrijpt dat de vordering is gebaseerd op de artikelen 5.5 tot en met 5.8 van de algemene voorwaarden. Daarin staat – voor zover van belang - het volgende:
“5.5 Het met een Motorvoertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig, door Parking aan Zee geaccepteerd Parkeerbewijs is onder geen beding toegestaan.
5.6
In geval van verlies of het ontbreken van het Parkeerbewijs, is de Parkeerder het door Parking aan Zee voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Parking aan Zee om de Parkeerder het werkelijke Parkeergeld in rekening te brengen mocht dat hoger zijn dan het tarief “verloren kaart”(…).
5.7
Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde Parkeergeld met het Motorvoertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden” waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan.
5.8
Indien Parking aan Zee een gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in artikel 5.5 of 5.7 van deze Voorwaarden constateert, is de Klant het door Parking aan Zee voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit verschuldigd, vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,00 (incl. BTW prijspeil 2022) (…).”
5.8.
De kantonrechter heeft in een eerder vonnis in een andere zaak van dezelfde eisende partij (tussenvonnis van 21 september 2022: ECLI:NL:RBNHO:2022:12638 en eindvonnis van 16 november 2022: ECLI:NL:RBNHO:2022:12639, beiden te vinden op rechtspraak.nl) geoordeeld dat deze bedingen niet oneerlijk zijn. De kantonrechter ziet, gelet op het gestelde in de dagvaarding en uitgaande van de huidige stand van de jurisprudentie, in deze zaak geen aanleiding om daar anders over te denken.
5.9.
Gelet hierop is de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 311,00 (bestaande uit het tarief verloren kaart en de aanvullende schadevergoeding) toewijsbaar. Ook de daarover gevorderde rente van € 3,23 is toewijsbaar. Voor zover ook rente wordt gevorderd over de reeds verschenen rente is die niet toewijsbaar.
BIK-beding
5.10.
De eisende partij vordert ook betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 8.2 van de algemene voorwaarden luidt: ‘Indien Parking aan Zee genoodzaakt is een sommatie, ingebrekestelling of ander exploot aan de Klant te doen uitbrengen of in geval van noodzakelijke procedures tegen de Klant, is de Klant verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, waaronder de kosten van rechtskundige bijstand, zowel in als buiten rechte, aan Parking aan Zee te vergoeden. Voor zover incassomaatregelen noodzakelijk zijn, worden de buitengerechtelijke kosten tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op 15% van de onbetaalde hoofdsom, met een minimum van € 300,-, tenzij hiervoor een andersluidende bindende wettelijke regelding geldt.’
5.11.
Dit artikel wordt vermoed oneerlijk te zijn omdat het ten nadele van de consument afwijkt van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Met de zinsnede ‘tenzij hiervoor een andersluidende bindende wettelijke regeling geldt’ is onvoldoende duidelijk en begrijpelijk gemaakt dat de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten volgt uit artikel 6:96 BW en het Besluit. Dat geldt te meer nu in afwijking van de wettelijke regeling de hoogte van die kosten op 15% wordt vastgesteld, terwijl op grond van de wettelijke regeling een staffel geldt en de onbetaalde hoofdsom niet op voorhand is gemaximeerd. Bovendien suggereert dit beding dat zodra de eisende partij een sommatie, ingebrekestelling of ander exploot verstuurt incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
beveelt de eisende partij om bij akte op de rol van 14 februari 2024 de stellingen in de dagvaarding nader toe te lichten door de inlichtingen te verstrekken zoals hiervoor is overwogen;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
HvJ 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia)