Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-06
ECLI:NL:RBNHO:2024:3430
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
2,015 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./repnr.: 10961260 HZ VERZ 24-5
Uitspraakdatum: 6 maart 2024
Beschikking van de kantonrechter in het gezamenlijke verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[bedrijf]
gevestigd te [plaats 1] en kantoorhoudende te [plaats 2] verzoekster sub 1
verder te noemen: [bedrijf]
gemachtigde: mr. D.J.A. van den Berg
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V.gevestigd te Rotterdam verzoekster sub 2
verder te noemen: Shell
gemachtigde: mr. D.J.A. van den Berg
en hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters
1Het procesverloop
1.1.
Op 28 februari 2024 is ter griffie een verzoekschrift ex artikel 7:291 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontvangen van verzoekers.
1.2.
Verzoeksters hebben op voorhand afgezien van een mondelinge behandeling.
Feiten
2.1.
Shell huurt met ingang van 1 januari 2024 een bedrijfsruimte gelegen aan [adres] te [plaats 3] (hierna: het gehuurde) van [bedrijf]. De huurovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan en eindigt op 31 december 2038.
2.2.
Het gehuurde is op grond van artikel 1.4 van de huurovereenkomst bestemd om te worden gebruikt als bemand Shell-verkooppunt voor motorbrandstoffen met shop, magazijn, kantoorruimte en autowasgelegenheden.
2.3.
De huurovereenkomst bevat bedingen die ten nadele van Shell als huurder afwijkt van de bepalingen van afdeling 6, titel 4 van boek 7 BW.
3Het verzoek
3.1.
Verzoeksters verzoeken gezamenlijk aan de kantonrechter om goedkeuring te geven aan een aantal afwijkende bedingen. De bedingen waarvan goedkeuring wordt verzocht, zijn de artikelen 2.1, 2.2, 12.2 en 13.1 van de huurovereenkomst en luiden als volgt:“2. Looptijd. 2.1. Deze Huurovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van 15 jaren ingaande op 1 januari 2024 en eindigend op 31 december 2038.
2.2.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1, komen partijen uitdrukkelijk overeen dat deze Huurovereenkomst van rechtswege een einde neemt op de overeengekomen einddatum van 31 december 2038. Opzegging van de Huurovereenkomst is daartoe niet vereist.
(…)
12. Tussentijdse beëindiging
(…)
12.2.
In geval van voorgenomen infrastructurele wijzigingen rondom het Gehuurde en/of wijziging van de planologische bestemming van het perceel waarop het Gehuurde is gevestigd, zal verhuurder zich ervoor inspannen dat deze op een voor het Gehuurde zo min mogelijk bezwarende wijze worden uitgevoerd. Indien deze wijzigingen desondanks worden doorgevoerd en het motorbrandstoffenverkooppunt als gevolg daarvan ter plaatse niet gehandhaafd kan blijven, heeft verhuurder het recht deze Huurovereenkomst tussentijds met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één (1) jaar op te zeggen zonder dat hij tot schadevergoeding gehouden is. In afwijking van artikel 7:295 BW eindigt de Huurovereenkomst in een dergelijk geval na afloop van de opzegtermijn, dus zonder rechterlijke tussenkomst.
(…)
13. Faillissement, tekortkoming in de nakoming.
13.1
Indien;
huurder in staat van faillissement wordt verklaard, surséance van betaling aanvraagt,
huurder de bedrijfsvoering zonder rechtsgrond staakt;
huurder of verhuurder (essentiële) verplichtingen uit deze Huurovereenkomst niet nakomt;
heeft de andere partij:
voor de gevallen als omschreven in sub a direct;
voor het geval omschreven in sub b nadat huurder onverwijld uitdrukkelijk is gesommeerd tot nakoming binnen acht dagen;
voor het geval als omschreven in sub c nadat de nalatige partij uitdrukkelijk tot nakoming is gesommeerd en met inachtneming van een termijn van dertig dagen in gebreke is gesteld en in gebreke blijft;
het recht de onderhavige Huurovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één (1) maand op te zeggen. In dat geval zal de Huurovereenkomst zonder tussenkomst van de rechter eindigen aan het einde van de opzegtermijn, onverminderd haar recht op volledige nakoming en schadevergoeding.”
3.2.
Verzoeksters hebben toegelicht – kort samengevat - dat de maatschappelijke positie van Shell in vergelijking met die van [bedrijf] zodanig is dat Shell de bescherming van Afdeling 6 van Titel 4 van Boek 7 BW in redelijkheid niet behoeft. Shell is een grote onderneming die in Nederland circa 450 tankstations (servicestations) exploiteert en daarnaast onder meer actief is als brandstoffen- en smeermiddelengroothandel. Bovendien maakt Shell onderdeel uit van het Shell-concern. Verder hebben verzoeksters toegelicht dat de genoemde bepalingen de rechten van Shell niet wezenlijk aantast, omdat Shell – gelet op de huurperiode – voldoende tijd heeft om haar investeringen, die beperkt nodig zijn, terug te verdienen. Voorts heeft Shell, als sprake is van een gewijzigde planologische bestemming waardoor het motorbrandstoffenverkooppunt niet kan worden gehandhaafd, het recht op teruggave van de entrance fee naar rato en ook kan Shell nadeelcompensatie vorderen van de betrokken overheidsinstantie. [bedrijf] zal in een dergelijk geval de nodige medewerking verlenen aan Shell bij verkrijging van de vergoeding conform artikel 12.4 van de Huurovereenkomst, aldus verzoeksters.
Beoordeling
4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:291 lid 3 BW kan iedere partij bij een zodanige huurovereenkomst goedkeuring verzoeken van bedingen waarbij ten nadele van de huurder wordt afgeweken van de wettelijke voorschriften betreffende huur van bedrijfsruimte. Goedkeuring wordt alleen dan verleend indien de bedingen de rechten van de huurder niet wezenlijk aantasten of diens maatschappelijke positie in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is, dat hij de bescherming die deze wettelijke bepalingen bieden, in redelijkheid niet behoeft.
4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit hetgeen in het verzoekschrift is gesteld genoegzaam dat Shell een zodanige maatschappelijke positie heeft in vergelijking met die van [bedrijf], dat zij de bescherming van afdeling 6, titel 4 van boek 7 BW in redelijkheid niet behoeft. De kantonrechter zal daarom de goedkeuring geven ten aanzien van de artikelen 2.1, 2.2, 12.2 en 13.1 van de huurovereenkomst.
4.3.
Nu de onderhavige procedure voortvloeit uit een gemeenschappelijk verzoek, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
geeft goedkeuring aan de verzochte afwijkende huurbedingen zoals genoemd in de artikelen 2.1, 2.2, 12.2 en 13.1 van de huurovereenkomst.
5.2.
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter