Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-20
ECLI:NL:RBNHO:2024:3338
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,036 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
locatie Haarlem
schorsing van het gezag en voorlopige voogdij (artikel 1:241 en 1:268 BW)
zaak-/rekestnummer: C/15/350032 / FA RK 24/1170
verkort proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden zitting van de kinderrechter op 20 maart 2024,
naar aanleiding van een verzoek van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
wonende in een crisispleeggezin.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats] .
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming (Regio Amsterdam),
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
Aanwezig zijn: mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, en mr. I.N. Inge, griffier.
Procesverloop
1.1.
Ter zitting zijn verschenen en gehoord:
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordiger van de GI.
1.2.
De man en de vrouw zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Feiten
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 maart 2024 de vrouw in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] geschorst. Daarbij is bepaald dat de maatregel na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking verloopt, tenzij voor het einde van deze termijn bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. Ook is bij beschikking van 12 maart 2024 de GI belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] . Nu de voorlopige voogdij bij de GI berust, is het gezag van de man ook van rechtswege geschorst. Om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen door de kinderrechter te worden gehoord, is de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald op 20 maart 2024.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
Gelet op de Syrische nationaliteit van de man en de vrouw heeft deze procedure een internationaal karakter. Beoordeeld dient te worden of de rechtbank in deze zaak rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek. Het verzoek is te kwalificeren als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van de verordening Brussel II-ter (hierna te noemen: Brussel II-ter). Op grond van artikel 7 Brussel II-ter komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het gezag, nu [de minderjarige] in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft.
3.2.
Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna te noemen: HKBV 1996) past de Nederlandse rechter op het verzoek het interne, Nederlandse recht toe, omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt.
3.3.
Alvorens verder te kunnen gaan met de beoordeling van het verzoek, dient de kinderrechter twee voorvragen te beantwoorden. De eerste is of het huwelijk van de man en de vrouw in Nederland kan worden erkend. De tweede voorvraag is of [de minderjarige] in familierechtelijke betrekking staat tot de vrouw en/of de man.
3.4.
De kinderrechter is van oordeel dat er geen aanleiding is om het huwelijk van partijen niet te erkennen op een van de gronden bedoeld in artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Ook is niet gebleken van omstandigheden, als bedoeld in artikel 10:32 BW, op grond waarvan erkenning van het huwelijk zou moeten worden onthouden. Gelet op het voorgaande is dan ook sprake van een huwelijk tussen de man en de vrouw dat in Nederland wordt erkend.
3.5.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van een familierechtelijke betrekking tussen [de minderjarige] en de vrouw en/of de man. Deze vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 10:92 BW. Op grond van artikel 10:92 lid, eerste lid, BW dient te worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de vrouw. Ingevolge artikel 10:92, derde lid, BW is hiervoor bepalend het tijdstip van de geboorte van het kind. De man en de vrouw bezitten de Syrische nationaliteit. Uit het verzoek blijkt dat ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] in ieder geval de man in het bezit van een verblijfsstatus is. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 10:17, eerste lid, BW wordt aangeknoopt bij de woonplaats van de man, zijnde in Nederland, in plaats van bij het recht van zijn nationaliteit. Daarmee vervalt de aanknoping met de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen (Syrisch recht). De man en de vrouw hadden op het moment van de geboorte van [de minderjarige] een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, namelijk Nederland, waardoor het Nederlands recht van toepassing is op het bestaan van de familierechtelijke betrekking tussen [de minderjarige] en partijen.
3.6.
Op grond van artikel 1:198 jo. 1:199 BW staat [de minderjarige] door de geboorte in een familierechtelijke betrekking tot de vrouw, nu zij de geboortemoeder is. De man is gehuwd met de vrouw en daarmee is hij de juridische ouder van [de minderjarige] . De conclusie luidt dan ook dat [de minderjarige] in familierechtelijke betrekking staat tot zowel de man als de vrouw.
3.7.
Vervolgens moet de kinderrechter beoordelen of beide ouders het gezag hebben over [de minderjarige] . Op grond van artikel 16 HKBV 1996 wordt het van rechtswege ontstaan van gezag of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Dat is in dit geval dus Nederlands recht. Op grond van artikel 1:251 BW hebben gehuwde ouders gezamenlijk het gezag over hun kind. De man en de vrouw hebben om die reden gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .
Beoordeling
3.8.
Uit de informatie van de Raad ter zitting blijkt het navolgende. [de minderjarige] verblijft inmiddels in een crisispleeggezin. Hier zal hij de komende drie maanden blijven, tot duidelijk is of de man en de vrouw bij hun voornemen tot het doen van afstand blijven en de afstandsverklaring ondertekenen. Hoewel de man enige betrokkenheid heeft getoond rondom zijn geboorte, hebben de man en de vrouw om de redenen genoemd in het verzoek nu nog altijd het voornemen afstand te doen van [de minderjarige] . De Raad handhaaft daarom het verzoek. De geboorteakte van [de minderjarige] zal de Raad nasturen.
3.9.
Namens de GI is ter zitting aangegeven dat [de minderjarige] het goed maakt in het crisispleeggezin. De man heeft [de minderjarige] in het ziekenhuis vastgehouden. Het doet veel met de man. Door foto’s en updates wil hij [de minderjarige] dan ook volgen. Volgens de GI heeft [de minderjarige] zijn voornaam van partijen gekregen.
3.10.
In het voorgaande en wat ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het oordeel, zoals geformuleerd in de beschikking van 12 maart 2024, te wijzigen. Die beschikking moet daarom worden gehandhaafd.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de rechter en de griffier is vastgesteld en door de rechter is ondertekend