Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-20
ECLI:NL:RBNHO:2024:2703
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
2,597 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10940737 \ CV EXPL 24-515
Uitspraakdatum: 20 maart 2024
Tussenvonnis in de zaak van:
de stichting
Stichting Intermaris
gevestigd te Hoorn
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [plaats]
de gedaagde partijen
beiden niet verschenen
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De vordering
2.1.
De eisende partij vordert – na vermindering van eis – veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van een bedrag van € 1.095,77 (€ 1.868,01 - € 772,24) aan achterstallige huurpenningen, buitengerechtelijke incassokosten en rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.750,00 vanaf 1 februari 2024. Daarnaast vordert de eisende partij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst.
Beoordeling
Ambtshalve toetsing van: de
Huurovereenkomst
en de
Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte 2017
3.1.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met de gedaagde partijen algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de
Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
3.2.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
3.3.
De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding. Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente.
3.4.
Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Huurprijswijzigingsbedingen
3.5.
Artikel 4.1 van de Algemene Huurvoorwaarden betreft een huurprijswijzigingsbeding. Dit artikel luidt als volgt. Artikel 4.1: ‘De huurprijs kan worden gewijzigd op grond van de huurprijsbedingen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een daarvoor in de plaatstredende regeling’
3.6.
In de huurovereenkomst is ook een bepaling opgenomen die ziet op het wijzigen van de huurprijs. Deze luidt als volgt: ‘De netto huurprijs wordt jaarlijks per 1 jul gewijzigd overeenkomstig de bij of krachtens de wet bepaalde wijze.’
3.7.
Omdat beide bedingen verwijzen naar de wettelijke regels omtrent het wijzigen van de huurprijs, is de kantonrechter van oordeel dat deze bedingen als niet oneerlijk kunnen worden beschouwd.
Servicekosten
3.8.
Artikel 5 van de Algemene Huurvoorwaarden betreft een servicekostenbeding. Ook de huurovereenkomst bevat een servicekostenbeding. In de huurovereenkomst is een huurspecificatie opgenomen met daarin ook bijkomende kosten voor levering en diensten en het glasfonds. Daaronder staat, voor zover van belang: “Alle bovenstaande kosten, met uitzondering van het glasfonds (indien van toepassing), worden jaarlijks afgerekend. De jaarlijkse afrekening betekent dat de werkelijke kosten van levering en/of diensten (zoals gas en/of elektra en onderhoud tuin) worden vergeleken met de door u betaalde vergoedingen. Bij een eventueel verschil krijgt u jaarlijkse een rekening of ontvangt u binnen 6 maanden na het einde van het kalenderjaar een bedrag terug. Jaarlijkse worden de vergoedingen voor leveringen en diensten aangepast. Veelal zal dit per 1 januari gebeuren.”
Hoewel het servicekostenbeding in de huurovereenkomst niet (expliciet) verwijst naar artikel 5 van de Algemene Huurvoorwaarden, begrijpt de kantonrechter dat deze bepalingen in samenhang moeten worden gelezen. De kantonrechter heeft deze bedingen ook op die manier getoetst en ze niet oneerlijk bevonden.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
3.9.
In de Algemene Huurvoorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
Artikel 7.3: ‘Als huurder, te laat of zelfs helemaal niet betaald heeft, is hij zonder ingebrekestelling vanaf de vervaldag wettelijke rente verschuldigd. Tevens is verhuurder gerechtigd zijn invorderingskosten aan huurder in rekening te brengen, met een minimum van € 25,- (ex. BTW) per gebeurtenis.’
Artikel 17.2: ‘Wanneer de huurder zijn verplichtingen op grond van de wet en/of de huurovereenkomst niet nakomt, als gevolg waarvan de verhuurder genoodzaakt is gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen te treffen, komen de kosten van deze maatregelen voor rekening van huurder. Met betrekking tot de gerechtelijke kosten gaat het om de werkelijk door verhuurder gemaakte kosten in verband met het inschakelen van bijvoorbeeld een deurwaarder, een advocaat, een andere rechtshulpverlener of een andere deskundige. De gerechtelijke kosten zijn dus niet beperkt tot het bedrag dat op grond van het zogenaamde liquidatietarief door de rechter wordt bepaald.’
Artikel 17.3: ‘Indien een van beide partijen enige bepaling uit deze Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, is die partij verplicht ten behoeve van de andere partij een onmiddellijke opeisbare boete te betalen van € 25,- (niveau november 2013, geïndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens) per kalenderdag met een maximum van € 15.000,--, onverminderd de verplichting van die partij om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd de rechten op schadevergoeding. Deze boete zal, zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn.’
3.10.
Het rentebeding in artikel 7.3, eerste zin, is in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW. Dit beding is op zichzelf daarom voor wat betreft de verschuldigdheid van rente niet oneerlijk.
3.11.
In combinatie met het boetebeding in artikel 17.3 is het rentebeding wel oneerlijk. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van de aanvullend rechtelijke bepalingen in artikel 6:92 BW. In artikel 17.3 is namelijk opgenomen dat naast deze rente op iedere tekortkoming, dus ook niet tijdige huurbetaling, de huurder nog een boete van € 25,00 per dag verschuldigd is. Gelet hierop wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de gedaagde partij verstoord. Het rentebeding is daarom een onredelijk bezwarend beding als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW.
3.12.
De incassobedingen in artikel 7.3, tweede zin, en artikel 17.2 zijn op zichzelf, maar ook in combinatie met artikel 17.3, oneerlijk.
Conclusie
3.16.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen en de gevolgen daarvan.
3.17.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2024 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter