Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-21
ECLI:NL:RBNHO:2024:2702
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
1,360 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10823286 \ CV EXPL 23-3975
Uitspraakdatum: 21 maart 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting
Stichting Intermaris voorheen genaamd Stichting Intermarishoeksteen h.o.d.n. Stichting Intermaris voorheen genaamd Stichting Intermarishoeksteen en Intermaris Woondiensten, voorheen genaamd Stichting Intermaris en Woonstichting Hoorn
gevestigd te Hoorn
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
[gedaagde]
zonder vaste woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
Bij tussenvonnis van 4 januari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van bepaalde bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend.
2De vordering
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
Beoordeling
3.1.
De eisende partij heeft aangevoerd dat artikel 7.3. van de Algemene Voorwaarden niet oneerlijk is, omdat zij niets meer doet dan de wettelijke bepalingen en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toepassen. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen (r.o. 2.3.) is dat echter niet relevant. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak.
3.2.
De eisende partij heeft geen andere gronden aangevoerd voor haar stelling dat het beding niet oneerlijk is. De kantonrechter blijft daarom bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter artikel 7.3 tweede zin van de Algemene Voorwaarden. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Ontbinding, ontruiming, huurachterstand, rente en gebruiksvergoeding
3.3.
De vorderingen zullen voor het overige worden toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de gedaagde partij wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Conclusie
3.4.
De vordering van de eisende partij wordt grotendeels toegewezen.
3.5.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij om het perceel aan de [adres] [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn) en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de eisende partij te stellen;
4.3.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 2.551,48 aan achterstallige huurpenningen (tot en met november 2023) en € 4,72 aan vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.551,48 vanaf 13 november 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 637,87 per maand, voor iedere maand dat de gedaagde partij het gehuurde vanaf 1 december 2023 in gebruik houdt;
4.5.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 129,85 wegens dagvaardingskosten,
€ 353,00 wegens griffierecht en
€ 238,00 wegens salaris gemachtigde;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter