Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-02-20
ECLI:NL:RBNHO:2024:2002
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,718 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7199
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend
(gemachtigde: mr. L.C. Dankbaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 6 november 2023 om verzoeker op grond van de Wet Basisregistratie Personen (wet BRP) uit te schrijven.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2024 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verweerder en N. Smid-Kuhlman namens verweerder. De gemachtigde van verzoeker is niet verschenen.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoeker stond ingeschreven op het briefadres [adres] in [plaats] .
Verweerder heeft aan verzoeker op 30 september 2022 een vragenlijst verlening briefadres gestuurd met het verzoek de vragenlijst volledig ingevuld terug te sturen. Op 23 mei 2023 is opnieuw een vragenlijst toegestuurd. Hierop is niet gereageerd door verzoeker. Dit is aanleiding geweest voor het adresonderzoek. Verweerder heeft aan de begeleider van verzoeker, [naam] , meegedeeld de post van verzoeker niet meer naar de begeleider door te sturen.
2.1.
Verweerder heeft per brief 26 juli 2023 vermeld een adresonderzoek te zijn gestart en aan verzoeker verzocht om binnen vier weken te reageren. Daarbij is ook aangekondigd dat als verzoeker niet reageert, verweerder in de BRP registreert dat verzoeker niet langer op het adres staat ingeschreven. Per brieven van 26 juli 2023 heeft verweerder de broers van verzoeker en de begeleider [naam] aangeschreven met de vraag of zij op de hoogte zijn van verzoekers verblijfsadres. Op 27 juli 2023 heeft verzoeker gebeld en een terugbelverzoek aangemaakt. Per brief van 4 augustus 2023 hebben de broers en begeleider gereageerd en vermeld dat verzoeker binnen een maand zelf zal reageren op de gestelde vragen. Op 9 augustus 2023 heeft verzoeker een brief gestuurd naar verweerder.
2.2.
Vervolgens heeft verweerder op 29 augustus 2023 het voornemen ambtshalve uitschrijving verstuurd. De beslistermijn is per brief van 28 september 2023 uitgesteld met 8 weken. Op 10 oktober 2023 is een brief gestuurd naar verzoeker met het verzoek contact op te nemen. Op 6 november 2023 heeft verweerder het primaire besluit genomen.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
4. Verzoeker stelt spoedeisend belang te hebben omdat hij geen post meer kan ontvangen. Ook kan hij zonder adres niet meer ingeschreven staan voor de zorgverzekering.
Verzoeker stelt ten onrechte te zijn uitgeschreven en nog steeds ingeschreven te moeten staan op het woonadres [adres 2]. Hij verzoekt om per direct zijn woonadres te herstellen. Hij wijst erop dat hij geen toestemming heeft verleend een briefadres aan te maken.
5. Tijdens de zitting is afgesproken dat verzoeker zich in ging schrijven in de BRP op een briefadres op het adres van zijn moeder, dan wel een ander door hem te kiezen adres. In afwachting van de uitvoering daarvan is de beslissing aangehouden. Op 12 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter zowel van verzoeker als van verweerder de bevestiging ontvangen dat verzoeker per 7 februari 2024 is ingeschreven in de BRP op een briefadres bij zijn broer.
6. Aangezien verzoeker weer is ingeschreven in de BRP op een briefadres, is er geen sprake (meer) van spoedeisend belang en ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7199
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend
(gemachtigde: mr. L.C. Dankbaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 6 november 2023 om verzoeker op grond van de Wet Basisregistratie Personen (wet BRP) uit te schrijven.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2024 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verweerder en N. Smid-Kuhlman namens verweerder. De gemachtigde van verzoeker is niet verschenen.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoeker stond ingeschreven op het briefadres [adres] in [plaats] .
Verweerder heeft aan verzoeker op 30 september 2022 een vragenlijst verlening briefadres gestuurd met het verzoek de vragenlijst volledig ingevuld terug te sturen. Op 23 mei 2023 is opnieuw een vragenlijst toegestuurd. Hierop is niet gereageerd door verzoeker. Dit is aanleiding geweest voor het adresonderzoek. Verweerder heeft aan de begeleider van verzoeker, [naam] , meegedeeld de post van verzoeker niet meer naar de begeleider door te sturen.
2.1.
Verweerder heeft per brief 26 juli 2023 vermeld een adresonderzoek te zijn gestart en aan verzoeker verzocht om binnen vier weken te reageren. Daarbij is ook aangekondigd dat als verzoeker niet reageert, verweerder in de BRP registreert dat verzoeker niet langer op het adres staat ingeschreven. Per brieven van 26 juli 2023 heeft verweerder de broers van verzoeker en de begeleider [naam] aangeschreven met de vraag of zij op de hoogte zijn van verzoekers verblijfsadres. Op 27 juli 2023 heeft verzoeker gebeld en een terugbelverzoek aangemaakt. Per brief van 4 augustus 2023 hebben de broers en begeleider gereageerd en vermeld dat verzoeker binnen een maand zelf zal reageren op de gestelde vragen. Op 9 augustus 2023 heeft verzoeker een brief gestuurd naar verweerder.
2.2.
Vervolgens heeft verweerder op 29 augustus 2023 het voornemen ambtshalve uitschrijving verstuurd. De beslistermijn is per brief van 28 september 2023 uitgesteld met 8 weken. Op 10 oktober 2023 is een brief gestuurd naar verzoeker met het verzoek contact op te nemen. Op 6 november 2023 heeft verweerder het primaire besluit genomen.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
4. Verzoeker stelt spoedeisend belang te hebben omdat hij geen post meer kan ontvangen. Ook kan hij zonder adres niet meer ingeschreven staan voor de zorgverzekering.
Verzoeker stelt ten onrechte te zijn uitgeschreven en nog steeds ingeschreven te moeten staan op het woonadres [adres 2]. Hij verzoekt om per direct zijn woonadres te herstellen. Hij wijst erop dat hij geen toestemming heeft verleend een briefadres aan te maken.
5. Tijdens de zitting is afgesproken dat verzoeker zich in ging schrijven in de BRP op een briefadres op het adres van zijn moeder, dan wel een ander door hem te kiezen adres. In afwachting van de uitvoering daarvan is de beslissing aangehouden. Op 12 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter zowel van verzoeker als van verweerder de bevestiging ontvangen dat verzoeker per 7 februari 2024 is ingeschreven in de BRP op een briefadres bij zijn broer.
6. Aangezien verzoeker weer is ingeschreven in de BRP op een briefadres, is er geen sprake (meer) van spoedeisend belang en ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.