Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-02-28
ECLI:NL:RBNHO:2024:1575
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Bodemzaak
1,572 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/345959 / HA ZA 23-627
Vonnis in incident van 28 februari 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
weduwe van [erflater],
wonende te [plaats 1],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R.J.M.H. Orgel te Enschede,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2], gemeente [gemeente],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P.F. Keuchenius te Hoorn (NH).
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties
de incidentele conclusie
de akte wijziging van eis tevens houdende antwoordakte in incident tot oproeping van [betrokkene 2].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Uitgangspunten
2.1.
[erflater] (hierna: erflater) is op 23 december 2022 overleden. Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [eiseres] in gemeenschap van goederen.
2.2.
Erflater had laatstelijk op 8 maart 1985 bij testament beschikt over zijn nalatenschap. Op dat moment was erflater gehuwd met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Samen met [betrokkene 2] had erflater twee kinderen [gedaagde] (gedaagde) en [betrokkene 3]. [betrokkene 3] is inmiddels ook overleden.
Beoordeling
3.1.
In de hoofdzaak vordert [eiseres] – na wijziging van eis – primair een verklaring voor recht dat de erfstellingen in de uiterste wil van erflater zijn vervallen en geen effect sorteren omdat [betrokkene 2] de kwalificatie als echtgenote van erflater niet beschikt op het moment van het openvallen van de nalatenschap van erflater en een verklaring voor recht dat de wettelijke verdeling van toepassing is en dat [eiseres] en [gedaagde] erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater omdat alle erfstellingen in de uiterste wil van erflater zijn vervallen. Subsidiair vordert [eiseres] dat de erfstelling in het testament van erflater van 1985 aldus moet worden uitgelegd conform artikel 4:46 BW dat de beschikkingen in het testament van erflater geen effect sorteren op het moment dat het huwelijk door echtscheiding met [betrokkene 2] is ontbonden en ook niet voor het geval dat hij met een ander dan [betrokkene 2] zou zijn gehuwd, waardoor [eiseres] tezamen met [gedaagde] erfgenaam zijn en de wettelijke verdeling in artikel 4:13 BW van toepassing is althans dat het testament als vervallen moet worden beschouwd in de zin dat [betrokkene 2] geen rechten aan die erfstelling kan ontlenen en de wettelijke verdeling conform artikel 4:13 BW van toepassing is.
3.2.
[gedaagde] vordert in het incident dat de rechtbank [eiseres] veroordeelt [betrokkene 2] in het geding te betrekken op grond van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.3.
[eiseres] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.5.
Artikel 118 Rv heeft betrekking op gevallen waar derden in het geding moeten worden betrokken. Daarvoor kan aanleiding bestaan als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, op basis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling of op basis van de juridische verhouding tussen (één van) partijen en die derde. Het moet gaan om een geschil waarin de belangen van die derde rechtstreeks worden geraakt en waarover niet zinvol kan worden beslist zonder de positie van de derde daarin te betrekken (hof Den Haag 19 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1093).
3.6.
In de hoofdzaak legt [eiseres] aan de rechtbank de vraag voor of de inhoud van het testament van erflater uit 1985 nog effect sorteert of dat de daarin opgenomen erfstellingen zijn vervallen. In dat testament heeft erflater onder meer zijn toenmalige echtgenote [betrokkene 2] tot erfgenaam benoemd. [eiseres] heeft [betrokkene 2] niet in rechte betrokken, maar uitsluitend de eveneens tot erfgename benoemde dochter van erflater gedagvaard. Gelet op de inhoud van het testament wordt voorshands geoordeeld dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat [eiseres] ook [betrokkene 2] in deze procedure had moeten betrekken. Het enkele feit dat [betrokkene 2] niet aan [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat zij erfgenaam is op grond van het testament uit 1985, leidt niet tot een ander oordeel.
3.7.
De vordering van [gedaagde] zal dan ook worden toegewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 521,00 aan salaris advocaat.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
beveelt [eiseres] om binnen vier weken na vandaag de processtukken in deze zaak (inclusief dit vonnis) te betekenen aan [betrokkene 2], geboren [geboortedatum], wonende te [plaats 1], en haar op te roepen uiterlijk 10 april 2024, niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat, in deze procedure te verschijnen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 118 Rv,
4.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van € 521,00 ter zake van de proceskosten,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van 10 april 2024 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde],
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024.
type: 1155
coll: