Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-02-27
ECLI:NL:RBNHO:2024:14290
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
vernietiging erkenning
zaak-/rekestnr.: C/15/350184 / FA RK 24-1259
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 februari 2025
in de zaak van:
[verzoekster]
,
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: [verzoekster] ,
advocaat mr. S. Kievit, kantoorhoudende te Breda,
--tegen--
[verweerster]
,
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: [verweerster] ,
Het minderjarige kind [de minderjarige] wordt vertegenwoordigd door [de bijzonder curator] , bijzondere curator.
1Procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van [verzoekster] , ingekomen op 6 maart 2024;
de brief met bijlagen namens [verzoekster] van 29 maart 2024;
het F-formulier met bijlagen, namens [verzoekster] van 25 april 2024;
de beschikking van 23 mei 2024, waarbij [de bijzonder curator] te [plaats] is benoemd tot bijzondere curator;
de brief met bijlagen van de bijzondere curator van 19 juni 2024;
het F-formulier namens [verzoekster] van 26 juni 2024.
1.2.
De behandeling van het verzoek is geweest op 5 februari 2025 in aanwezigheid van:
- [verzoekster] bijgestaan door mr. S. Kievit, en
- [de bijzonder curator] , bijzondere curator.
Tevens waren als toehoorders aanwezig [de biologische vader] en [toehoorder] .
[verweerster] is, hoewel opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 29 april 2022.
2.2.
Gedurende het huwelijk van partijen is uit [verzoekster] op [geboortedatum] in [plaats] geboren het kind [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ).
[de minderjarige] is op [datum] (als ongeboren vrucht) door [verweerster] erkend. Op de erkenning is het Nederlandse recht van toepassing.
Het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] is na de echtscheiding in stand gebleven.
2.3.
Bij de beschikking van 29 april 2022 is bepaald dat het door partijen gesloten ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan is bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij [verzoekster] heeft en dat [de minderjarige] -kortgezegd- bij [verweerster] verblijft:
in de even weken op donderdag;
in de oneven week van donderdag tot zondag;
gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.
2.4.
De biologische vader van [de minderjarige] is de bekende spermadonor [de biologische vader] (hierna: [de biologische vader] ). Partijen hebben met [de biologische vader] een omgangsregeling afgesproken waarbij [de minderjarige] iedere zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur bij [de biologische vader] verblijft. Deze omgangsregeling is ook opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2024 gewezen tussen partijen en [de biologische vader] .
3Verzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt primair op grond van artikel 1:205 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de op [datum] door [verweerster] gedane erkenning van [de minderjarige] te vernietigen. Subsidiair verzoekt [verzoekster] te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan haar toekomt. Tot slot verzoekt zij om de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 16 maart 2022 stop te zetten.
3.2.
[verzoekster] stelt daartoe dat de relatie tussen partijen kort na de geboorte van [de minderjarige] is verbroken. Tijdens en kort na de echtscheiding zag [verweerster] [de minderjarige] nog regelmatig, conform de afspraken van het ouderschapsplan. Het contact werd echter snel steeds stroever. [verweerster] kreeg kort na de echtscheiding een nieuwe relatie en was sindsdien nauwelijks meer betrokken in het leven van [de minderjarige] . Ze gaf aan hier geen behoefte aan te hebben. De afspraken uit het ouderschapsplan werden dan ook niet nagekomen, zodat in praktijk [verzoekster] alleen de zorg over [de minderjarige] droeg. [verzoekster] heeft sinds [de minderjarige] een paar maanden oud was alleen de zorg over haar gedragen. [verweerster] vraagt niet naar [de minderjarige] en heeft haar al anderhalf jaar niet meer gezien. [de biologische vader] heeft inmiddels een actieve rol in het leven van [de minderjarige] en er is tussen partijen en [de biologische vader] een omgangsregeling overeengekomen. Eind januari 2024 heeft [verweerster] aan [de biologische vader] aangegeven dat ze niet langer betrokken te willen zijn in het leven van [de minderjarige] omdat ze [de minderjarige] toch niet ziet. Dit heeft ze ook per e-mail bevestigd aan [verzoekster] . [verweerster] heeft ook aangegeven de erkenning ongedaan te willen maken. [verzoekster] en [de biologische vader] geven inmiddels samen invulling aan het ouderschap van [de minderjarige] . [de biologische vader] en [verzoekster] wonen een groot deel van de tijd in dezelfde woning in [plaats] . Doordeweeks slaapt [de biologische vader] vaak in [plaats] omdat hij daar een café heeft. [verzoekster] en [de biologische vader] willen dat [de minderjarige] door [de biologische vader] wordt erkend.
4Standpunt en verzoek bijzondere curator
4.1.
De bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek van [verzoekster] toe te wijzen. In het geval de rechtbank van oordeel is dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning door [verweerster] , verzoekt de bijzondere curator zelf om de vernietiging van de erkenning door [verweerster] uit te spreken.
4.2.
De bijzondere curator heeft met partijen en [de biologische vader] gesproken en heeft een ontmoeting gehad met [de minderjarige] . Uit de gespreksverslagen blijkt het volgende.
[de biologische vader]
heeft verteld dat het altijd de bedoeling was dat hij [de minderjarige] zou erkennen en haar een keer per week zou zien. Hij ondersteunt [verzoekster] praktisch en financieel en heeft een woning voor haar gevonden. [de biologische vader] wil [de minderjarige] erkennen zodra dat mogelijk is en het is ook de bedoeling dat [de minderjarige] zijn geslachtsnaam krijgt.
[verzoekster]
heeft verteld dat de relatie met [verweerster] grillig verliep. Er was sprake van drank en drugsgebruik en [verweerster] verdween soms een paar dagen. Toen de relatie definitief werd verbroken is [verzoekster] samen met [de minderjarige] door [verweerster] op straat gezet. [verweerster] ziet [de minderjarige] al een jaar niet meer en draagt financieel ook niet bij. [verweerster] heeft in mei 2023 aan [verzoekster] laten weten dat ze afstand wil doen van haar ouderlijke rechten. [verzoekster] gaat binnenkort samen met [de biologische vader] een woning betrekken en het is de wens van [verzoekster] dat [de biologische vader] [de minderjarige] erkent en dat [de minderjarige] zijn geslachtsnaam krijgt.
[verweerster] heeft verteld dat partijen een kind kregen om de relatie te redden. Partijen hebben de donor samen uitgezocht. Er heeft maar één ontmoeting plaatsgevonden en het was niet de bedoeling dat hij een rol in het leven van het kind zou krijgen. Ook na de geboorte van [de minderjarige] was er veel ruzie. [verzoekster] luisterde niet, was niet eerlijk en rookte marihuana. Na de scheiding is een zorgregeling afgesproken en [verweerster] had een kamer voor [de minderjarige] ingericht, maar toen is [verzoekster] zonder overleg verhuisd. [verweerster] weet niet waar [verzoekster] nu woont en de zorgregeling wordt vaak niet nagekomen door [verzoekster] . [verweerster] heeft het gevoel dat ze er bewust buiten gehouden wordt door [verzoekster] en [de biologische vader] . [verweerster] is bang dat slecht over haar wordt gepraat tegen [de minderjarige] . Zij heeft geen zin om te vechten en neemt daarom afstand. Ze doet dat niet omdat ze het zelf wil. Ze houdt van [de minderjarige] en zou haar graag zien.
4.3.
De bijzondere curator overweegt het volgende. Het staat vast dat [verweerster] niet de biologische moeder van [de minderjarige] is zodat het verzoek tot vernietiging van de erkenning in beginsel toewijsbaar is. De vraag is of het in het belang van [de minderjarige] is om op dit moment de erkenning te vernietigen dan wel te wachten totdat zij meerderjarig is zodat zij zelf een mening kan vormen of zij al dan niet de erkenning wil vernietigen. [verweerster] geeft aan dat zij om haar moverende redenen afstand doet van contact met [de minderjarige] en de zorgregeling wordt al langere tijd niet nageleefd. Het ontbreken van contact met [verweerster] zal [de minderjarige] in de toekomst mogelijk als een persoonlijke afwijzing voelen. Dat kan haar zowel psychisch als emotioneel beschadigen, temeer nu [de minderjarige] wel de geslachtsnaam van [verweerster] draagt. Het in stand houden van de erkenning voor [de minderjarige] geeft daarom een aanzienlijk risico dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige, sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Daar staat tegenover dat er een bekende donor is.
Beoordeling
6.1.
Op grond van artikel 1:205a lid 1 sub c BW kan de andere moeder een verzoek tot vernietiging van de erkenning indienen op de grond dat de erkenner niet de biologische moeder van het kind is, indien de andere moeder door bedreiging, dwaling, bedrog of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden, bewogen is hiervoor toestemming te geven.
6.2.
Wanneer de moeder een verzoek tot vernietiging van de erkenning indient, geldt als uitgangspunt dat de moeder in beginsel niet kan terugkomen op de door haar gegeven toestemming voor erkenning. Zo’n verzoek kan worden toegewezen indien de moeder door bedreiging, dwaling of bedrog is bewogen toestemming tot erkenning te geven.
6.3.
Het is niet gesteld of gebleken dat de moeder door een wilsgebrek (bedreiging, dwaling of bedrog) heeft ingestemd met de erkenning van [de minderjarige] door [verweerster] . Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de moeder daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning.
6.4.
Vervolgens moet de rechtbank beslissen op het door de bijzondere curator namens [de minderjarige] ingediende verzoek tot vernietiging van de erkenning.
Op deze situatie is de tweede volzin van artikel 1:205 lid 4 BW van toepassing. Dat artikel geeft een termijn voor de indiening van het verzoek tot vernietiging van de erkenning door het kind zelf; als het kind tijdens zijn minderjarigheid bekend is geworden met het feit dat de erkenner vermoedelijk niet zijn biologische ouder is moet het verzoek binnen drie jaar na de meerderjarigheid ingediend worden.
Gelet op het voorgaande is het verzoek van de bijzondere curator namens [de minderjarige] tijdig ingediend. De bijzonder curator is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
6.5.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is komen vast te staan dat [verweerster] niet de biologische ouder is van [de minderjarige] en al langdurig geen rol meer speelt in haar leven. Weliswaar moet een ouder de beslissing om een kind te laten erkennen niet lichtvaardig nemen, maar in dit geval zijn er bijzondere omstandigheden die het terugdraaien van die beslissing rechtvaardigen. [verweerster] en haar familie spelen namelijk geen rol spelen in het leven van [de minderjarige] terwijl de biologische vader van [de minderjarige] , [de biologische vader] , als vader betrokken is in het dagelijkse leven van [de minderjarige] . [de biologische vader] woont als huisgenoot samen met [verzoekster] en [de minderjarige] en [de biologische vader] en [verzoekster] van plan zijn [de minderjarige] te laten erkennen door [de biologische vader] zodra dit kan. Gelet op het voorgaande is het in het belang van [de minderjarige] dat het juridisch ouderschap in overeenstemming wordt gebracht met het biologisch en sociaal ouderschap.
Tot slot is van belang dat uit het gespreksverslag van de bijzondere curator valt op te maken dat [verweerster] van [de minderjarige] houdt en liever in haar leven was gebleven, maar desondanks instemt met het verzoek.
Het verzoek tot vernietiging van de erkenning van de bijzondere curator namens [de minderjarige] zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank komt zodoende niet meer toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van [verzoekster] .
6.4.
Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 1:206 BW wordt de erkenning, zodra deze beschikking onherroepelijk is en daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, geacht nooit gevolg te hebben gehad. De geslachtsnaam van [de minderjarige] zal daarom van rechtswege worden gewijzigd in [verzoekster] . Bij de erkenning van [de minderjarige] door [de biologische vader] houdt zij die geslachtsnaam, tenzij de [verzoekster] en [de biologische vader] ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben of van beide ouders in een vrij te bepalen volgorde (artikel 1:5 lid 2 BW).
Dictum
De rechtbank:
7.1.
vernietigt de erkenning door [verweerster] gedaan op [datum] van het kind [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
7.2.
wijst af het meer of anders verzochte;
7.3.
draagt de griffier - op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.