Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-14
ECLI:NL:RBNHO:2024:14287
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,950 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357412 / JU RK 24-1444
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Haarlem,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
[de oma]
,
hierna te noemen de oma (mz),
wonende in [plaats] in [land] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 september 2024;
de brieven, met bijlage, van de GI van 8 oktober 2024;
de brief van de Raad van 17 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
De moeder, de vader en de oma zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
[de minderjarige] is door de man erkend.
2.2.
[de minderjarige] woont sinds mei 2022 bij de oma in Duitsland.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 mei 2022 [de minderjarige]
onder toezicht gesteld van de GI. Die ondertoezichtstelling is nadien verlengd en duurt nu
nog tot 17 november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 17 mei 2022 is ook een machtiging verleend om [de minderjarige] uit
huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, welke machtiging daarna is verlengd en nog duurt tot 17 november 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt primair:
I. op grond van artikel 12 lid 1 sub b van Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna te noemen: Brussel II-ter) onderhavig verzoekschrift over te dragen naar de Duitse rechtbank te Meppen en te verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 lid 2 Brussel II-ter uit te oefenen;
II. op grond van artikel 3 IVRK, de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige, voor korte duur te verlengen en voor het overige aan te houden, in afwachting van nader bericht van de Duitse autoriteiten over de uitoefening van de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 lid 1 van de Brussel II-ter, zodat de noodzakelijk hulp voor de minderjarige voortgezet kan worden en haar plaatsing in het pleeggezin gecontinueerd kan worden, totdat de maatregel daadwerkelijk in Duitsland wordt uitgesproken;
en subsidiair:
I. op grond van artikel 1:260 lid 2 BW de ondertoezichtstelling van bovengenoemde minderjarige te verlengen voor de duur van 1 jaar;
II. op grond van artikel 1:265c lid 2 BW de machtiging te verlengen om bovengenoemde minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin met ingang van 17 mei 2022 voor de duur van de ondertoezichtstelling;
en in alle gevallen de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Sinds mei 2022 woont [de minderjarige] bij de oma (mz) in Duitsland. Bij de oma wonen ook haar twee (volwassen) dochters en de tien jaar oudere zus van [de minderjarige] . De jeugdbeschermer van het in- en doorstroomteam is begin september 2024 bij de oma en [de minderjarige] op bezoek geweest in Duitsland. De oma heeft een grote boerderij met veel ruimte in en om het huis. [de minderjarige] heeft een eigen slaapkamer met daarin een eigen bed, een kast en veel speelgoed. [de minderjarige] oogt vrolijk en ziet er verzorgd uit. [de minderjarige] gaat sinds januari 2024 twee dagen in de week naar een gastouder in Nederland, op deze momenten gaat de oma naar haar werk. Het perspectief van [de minderjarige] is bepaald bij oma. Dit is door de rechtbank onderschreven.
Bij de start van de ondertoezichtstelling werd [de minderjarige] in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij is blootgesteld aan onveiligheid, als gevolg van huiselijk geweld tussen ouders. De ouders lijken beperkt inzicht te hebben in de gevolgen van hun handelen op de ontwikkeling van [de minderjarige] en lijken over onvoldoende opvoedvaardigheden te beschikken om [de minderjarige] veilig groot te laten groeien en bij haar behoeftes aan te sluiten. [de minderjarige] spreekt de ouders bijna dagelijks via videobellen en vindt dat erg leuk. De ouders komen soms langs en blijven dan een weekend slapen. De oma geeft aan dat wanneer ouders een weekend komen dit goed gaat, maar na drie dagen merkt de oma dat [de minderjarige] het te druk vindt. Tijdens deze weekenden begrenst de oma de ouders wanneer zij ziet dat het niet goed gaat en/of wanneer de oma ziet dat ouders [de minderjarige] zelf niet begrenzen.
3.3.
De GI heeft in juli 2024 een aanvraag ex. artikel 82 Brussel II-ter gedaan bij de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (CA). De CA heeft in augustus 2024 geadviseerd de rechtbank te verzoeken om de kinderbeschermingsmaatregel over te dragen aan de Duitse rechtbank op grond van artikel 12 Brussel II-ter. Op de zitting heeft de GI verklaard dat het voor hen niet mogelijk is gebleken om de zaak aan Duitsland over te dragen.
4De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming
De Raad stemt in met het voorgenomen besluit van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Daarbij ziet de Raad aanleiding om te veronderstellen dat verlenging van de maatregelen het meest bijdraagt aan het welzijn van [de minderjarige] en dat het nodig is om de maatregel over te dragen naar Duitsland. De Raad concludeert echter dat het nog altijd niet gelukt is om de overdracht naar de Duitse instanties te realiseren. Uit de stukken blijkt dat het na het advies van de Centrale autoriteiten in augustus 2024 nog twee maanden heeft geduurd voordat de GI het verzoek ex art. 12 Brussel II-ter heeft ingediend bij de rechtbank. Het wordt de Raad niet duidelijk waarom hier telkens zoveel tijd overheen gaat. De Raad vindt het primaire verzoek om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een “korte duur” te verlengen niet concreet. Het is wenselijk als de GI kan achterhalen hoe lang zo’n procedure ongeveer in beslag neemt en het termijn daarop aan te passen. Dit is nodig voor de rechtsbescherming en de transparantie. De Raad stemt in met het subsidiaire, voor het geval het primaire verzoek niet wordt toegewezen. De Raad geeft dan in overweging mee dat de GI gaat nadenken over de noodzaak van een verderstrekkende maatregel, daar de kinderrechter al heeft geoordeeld dat de aanvaardbare termijn is verstreken en het perspectief al is bepaald.
5De standpunten
Uit de brief van de GI van 8 oktober 2024 blijkt dat de oma (mz) zich kan vinden in de verzoeken en wil meewerken aan de stappen die de GI zet om het contact tussen [de minderjarige] en haar ouders te blijven stimuleren. De oma hoopt dat het contact tussen [de minderjarige] en haar ouders ook voldoende voortgezet kan worden als de maatregel wordt overgedragen aan Duitsland.
De moeder heeft de GI per e-mail kort gezegd laten weten dat ze het verzoek tot uithuisplaatsing oneerlijk vindt en dat vader meer betrokken zou moeten worden.
Beoordeling
6.1.
Gelet op de omstandigheid dat [de minderjarige] sinds mei 2022 bij de oma (mz) in Duitsland verblijft, ziet de kinderrechter zich voor de vraag gesteld of de rechtbank Noord-Holland bevoegd is om van het verzoek van de GI kennis te nemen. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
6.2.
Omdat het perspectief bij de oma is bepaald zal de rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken voortaan niet langer bij de Nederlandse rechter liggen maar overgaan naar de Duitse rechter. Om de in Nederland getroffen kinderbeschermingsmaatregel om te zetten naar het Duitse systeem zal de kinderrechter de Duitse rechter verzoeken de bevoegdheid ten aanzien van de nu nog lopende maatregelen over te nemen waarna de Duitse rechter de kinderbeschermingsmaatregelen conform de Duitse wetgeving kan vormgeven.
6.3.
Tot de bevoegdheid is overgedragen aan het Duitse gerecht blijft de rechtbank Noord-Holland haar bevoegdheid uitoefenen. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De ouders werken niet mee aan de gezinsopname bij de GGZ en zijn niet in staat gebleken de tussen hen gewortelde, onveilige patronen te doorbreken. De ouders staan op dit moment niet achter de plaatsing en er zijn signalen dat zij meer contact zoeken met [de minderjarige] en dat de oma ondersteuning nodig heeft om daarmee om te gaan. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen tot 17 februari 2025. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden.
6.4.
De kinderrechter zal de Duitse autoriteiten op grond van artikel 12 lid 1 sub b Brussel II-ter verzoeken de bevoegdheid over te dragen aan de Duitse rechter omdat de Duitse rechter beter in staat is over het aangehouden verzoek tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen te beslissen. De Duitse rechter wordt verzocht op korte termijn – doch in ieder geval binnen zes weken – mee te delen of het de bevoegdheid aanvaardt overeenkomstig artikel 12 lid 2 b Brussel II-ter.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 17 februari 2025;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 februari 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
verzoekt de Duitse rechter zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 12, lid 2 Brussel II-ter uit te oefenen terzake de voorliggende verzoeken betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 17 februari 2025 tot 17 november 2025;
7.5.
bepaalt dat de overdracht van voormelde verzoeken aan de Duitse rechter zal geschieden door tussenkomst van de liaisonrechter en bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de onderhavige beschikking per e-mail zal doen toekomen aan de liaisonrechter door toezending daarvan aan het navolgende emailadres: [emailadres] ;
7.6.
houdt de beslissing op het verzoek van de GI voor het overige aan tot 17 februari 2025 in afwachting van het bericht van het Duitse gerecht met betrekking tot aanvaarding van de bevoegdheid.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357412 / JU RK 24-1444
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Haarlem,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
[de oma]
,
hierna te noemen de oma (mz),
wonende in [plaats] in [land] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 september 2024;
de brieven, met bijlage, van de GI van 8 oktober 2024;
de brief van de Raad van 17 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
De moeder, de vader en de oma zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
[de minderjarige] is door de man erkend.
2.2.
[de minderjarige] woont sinds mei 2022 bij de oma in Duitsland.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 mei 2022 [de minderjarige]
onder toezicht gesteld van de GI. Die ondertoezichtstelling is nadien verlengd en duurt nu
nog tot 17 november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 17 mei 2022 is ook een machtiging verleend om [de minderjarige] uit
huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, welke machtiging daarna is verlengd en nog duurt tot 17 november 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt primair:
I. op grond van artikel 12 lid 1 sub b van Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna te noemen: Brussel II-ter) onderhavig verzoekschrift over te dragen naar de Duitse rechtbank te Meppen en te verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 lid 2 Brussel II-ter uit te oefenen;
II. op grond van artikel 3 IVRK, de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige, voor korte duur te verlengen en voor het overige aan te houden, in afwachting van nader bericht van de Duitse autoriteiten over de uitoefening van de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 lid 1 van de Brussel II-ter, zodat de noodzakelijk hulp voor de minderjarige voortgezet kan worden en haar plaatsing in het pleeggezin gecontinueerd kan worden, totdat de maatregel daadwerkelijk in Duitsland wordt uitgesproken;
en subsidiair:
I. op grond van artikel 1:260 lid 2 BW de ondertoezichtstelling van bovengenoemde minderjarige te verlengen voor de duur van 1 jaar;
II. op grond van artikel 1:265c lid 2 BW de machtiging te verlengen om bovengenoemde minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin met ingang van 17 mei 2022 voor de duur van de ondertoezichtstelling;
en in alle gevallen de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Sinds mei 2022 woont [de minderjarige] bij de oma (mz) in Duitsland. Bij de oma wonen ook haar twee (volwassen) dochters en de tien jaar oudere zus van [de minderjarige] . De jeugdbeschermer van het in- en doorstroomteam is begin september 2024 bij de oma en [de minderjarige] op bezoek geweest in Duitsland. De oma heeft een grote boerderij met veel ruimte in en om het huis. [de minderjarige] heeft een eigen slaapkamer met daarin een eigen bed, een kast en veel speelgoed. [de minderjarige] oogt vrolijk en ziet er verzorgd uit. [de minderjarige] gaat sinds januari 2024 twee dagen in de week naar een gastouder in Nederland, op deze momenten gaat de oma naar haar werk. Het perspectief van [de minderjarige] is bepaald bij oma. Dit is door de rechtbank onderschreven.
Bij de start van de ondertoezichtstelling werd [de minderjarige] in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij is blootgesteld aan onveiligheid, als gevolg van huiselijk geweld tussen ouders. De ouders lijken beperkt inzicht te hebben in de gevolgen van hun handelen op de ontwikkeling van [de minderjarige] en lijken over onvoldoende opvoedvaardigheden te beschikken om [de minderjarige] veilig groot te laten groeien en bij haar behoeftes aan te sluiten. [de minderjarige] spreekt de ouders bijna dagelijks via videobellen en vindt dat erg leuk. De ouders komen soms langs en blijven dan een weekend slapen. De oma geeft aan dat wanneer ouders een weekend komen dit goed gaat, maar na drie dagen merkt de oma dat [de minderjarige] het te druk vindt. Tijdens deze weekenden begrenst de oma de ouders wanneer zij ziet dat het niet goed gaat en/of wanneer de oma ziet dat ouders [de minderjarige] zelf niet begrenzen.
3.3.
De GI heeft in juli 2024 een aanvraag ex. artikel 82 Brussel II-ter gedaan bij de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (CA). De CA heeft in augustus 2024 geadviseerd de rechtbank te verzoeken om de kinderbeschermingsmaatregel over te dragen aan de Duitse rechtbank op grond van artikel 12 Brussel II-ter. Op de zitting heeft de GI verklaard dat het voor hen niet mogelijk is gebleken om de zaak aan Duitsland over te dragen.
4De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming
De Raad stemt in met het voorgenomen besluit van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Daarbij ziet de Raad aanleiding om te veronderstellen dat verlenging van de maatregelen het meest bijdraagt aan het welzijn van [de minderjarige] en dat het nodig is om de maatregel over te dragen naar Duitsland. De Raad concludeert echter dat het nog altijd niet gelukt is om de overdracht naar de Duitse instanties te realiseren. Uit de stukken blijkt dat het na het advies van de Centrale autoriteiten in augustus 2024 nog twee maanden heeft geduurd voordat de GI het verzoek ex art. 12 Brussel II-ter heeft ingediend bij de rechtbank. Het wordt de Raad niet duidelijk waarom hier telkens zoveel tijd overheen gaat. De Raad vindt het primaire verzoek om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een “korte duur” te verlengen niet concreet. Het is wenselijk als de GI kan achterhalen hoe lang zo’n procedure ongeveer in beslag neemt en het termijn daarop aan te passen. Dit is nodig voor de rechtsbescherming en de transparantie. De Raad stemt in met het subsidiaire, voor het geval het primaire verzoek niet wordt toegewezen. De Raad geeft dan in overweging mee dat de GI gaat nadenken over de noodzaak van een verderstrekkende maatregel, daar de kinderrechter al heeft geoordeeld dat de aanvaardbare termijn is verstreken en het perspectief al is bepaald.
5De standpunten
Uit de brief van de GI van 8 oktober 2024 blijkt dat de oma (mz) zich kan vinden in de verzoeken en wil meewerken aan de stappen die de GI zet om het contact tussen [de minderjarige] en haar ouders te blijven stimuleren. De oma hoopt dat het contact tussen [de minderjarige] en haar ouders ook voldoende voortgezet kan worden als de maatregel wordt overgedragen aan Duitsland.
De moeder heeft de GI per e-mail kort gezegd laten weten dat ze het verzoek tot uithuisplaatsing oneerlijk vindt en dat vader meer betrokken zou moeten worden.
Beoordeling
6.1.
Gelet op de omstandigheid dat [de minderjarige] sinds mei 2022 bij de oma (mz) in Duitsland verblijft, ziet de kinderrechter zich voor de vraag gesteld of de rechtbank Noord-Holland bevoegd is om van het verzoek van de GI kennis te nemen. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
6.2.
Omdat het perspectief bij de oma is bepaald zal de rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken voortaan niet langer bij de Nederlandse rechter liggen maar overgaan naar de Duitse rechter. Om de in Nederland getroffen kinderbeschermingsmaatregel om te zetten naar het Duitse systeem zal de kinderrechter de Duitse rechter verzoeken de bevoegdheid ten aanzien van de nu nog lopende maatregelen over te nemen waarna de Duitse rechter de kinderbeschermingsmaatregelen conform de Duitse wetgeving kan vormgeven.
6.3.
Tot de bevoegdheid is overgedragen aan het Duitse gerecht blijft de rechtbank Noord-Holland haar bevoegdheid uitoefenen. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De ouders werken niet mee aan de gezinsopname bij de GGZ en zijn niet in staat gebleken de tussen hen gewortelde, onveilige patronen te doorbreken. De ouders staan op dit moment niet achter de plaatsing en er zijn signalen dat zij meer contact zoeken met [de minderjarige] en dat de oma ondersteuning nodig heeft om daarmee om te gaan. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen tot 17 februari 2025. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden.
6.4.
De kinderrechter zal de Duitse autoriteiten op grond van artikel 12 lid 1 sub b Brussel II-ter verzoeken de bevoegdheid over te dragen aan de Duitse rechter omdat de Duitse rechter beter in staat is over het aangehouden verzoek tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen te beslissen. De Duitse rechter wordt verzocht op korte termijn – doch in ieder geval binnen zes weken – mee te delen of het de bevoegdheid aanvaardt overeenkomstig artikel 12 lid 2 b Brussel II-ter.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 17 februari 2025;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 februari 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
verzoekt de Duitse rechter zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 12, lid 2 Brussel II-ter uit te oefenen terzake de voorliggende verzoeken betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 17 februari 2025 tot 17 november 2025;
7.5.
bepaalt dat de overdracht van voormelde verzoeken aan de Duitse rechter zal geschieden door tussenkomst van de liaisonrechter en bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de onderhavige beschikking per e-mail zal doen toekomen aan de liaisonrechter door toezending daarvan aan het navolgende emailadres: [emailadres] ;
7.6.
houdt de beslissing op het verzoek van de GI voor het overige aan tot 17 februari 2025 in afwachting van het bericht van het Duitse gerecht met betrekking tot aanvaarding van de bevoegdheid.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.