Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-01
ECLI:NL:RBNHO:2024:14281
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
3,520 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/358263 / KG ZA 24-621
Vonnis in kort geding van 1 november 2024
in de zaak van
[de moeder]
,
wonende te [plaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. S.A.S. Matheij te Haarlem,
tegen
[de vader]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem.
Partijen zullen hierna de moeder en de vader genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met bijlagen, van 25 oktober 2024;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 29 oktober 2024;
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met bijlagen, van 30 oktober 2024;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 31 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2024. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
Feiten
2.1.
Partijen hebben tot [datum] een affectieve relatie gehad en hebben niet samengewoond. Uit deze relatie is geboren de minderjarige:
- [de minderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats] .
De vader heeft [de minderjarige] erkend en de ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .
Geschil
3.1.
De moeder vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
- [de minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de moeder;
- te bepalen dat [de minderjarige] om de week op woensdag van 9.00 uur tot donderdag 9.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [de minderjarige] op woensdag naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] op donderdag naar de moeder brengt, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag, met een maximum van € 10.000.
3.2.
De moeder legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De vader woont bij zijn ouders. De moeder had een eigen woning, maar omdat die wordt gesloopt verblijft zij met [de minderjarige] in een maatschappelijke opvang [opvang] . De moeder heeft inmiddels een nieuwe woning toegewezen gekregen en verwacht tussen nu en twee maanden de sleutel te krijgen. [de minderjarige] heeft vanaf zijn geboorte bij de moeder verbleven. Sinds de moeder in de opvang woont is het niet toegestaan voor de vader om te blijven logeren. Na het eindigen van de relatie hebben partijen afgesproken wanneer [de minderjarige] bij de vader zou blijven logeren. Nadien heeft de vader geweigerd [de minderjarige] terug te brengen naar de moeder. De vader stelt dat de woonomgeving van de moeder niet veilig is. De vader heeft aangegeven dat de moeder [de minderjarige] mag komen opzoeken bij hem thuis, maar de grootmoeder vz. heeft aangegeven dat de moeder niet welkom is. De moeder heeft van het ene op het andere moment geen enkel contact meer met [de minderjarige] en maakt zich veel zorgen. De vader gebruikt dagelijks verdovende middelen. De moeder wil zo snel mogelijk worden herenigd met [de minderjarige] .
3.3.
De vader voert verweer
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Geschil
4.1.
De vader vordert voorwaardelijk, voor het geval de moeder ontvankelijk wordt geacht, uitvoerbaar bij voorraad,
- [de minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de vader;
- te bepalen dat [de minderjarige] driemaal per week, op dinsdag, donderdag en zaterdag, van 10.00 uur tot 16.00, onder toezicht/begeleiding/samen met de vader bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [de minderjarige] om 10.00 uur bij de grootouders vz. ophaalt en vader [de minderjarige] om 16.00 uur weer terugbrengt naar de grootouders vz.
4.2.
De vader legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Beide partijen hebben geen adequate huisvesting, maar bij de vader is het iets beter geregeld dan bij de moeder. De moeder moet overdag verkassen terwijl de vader overdag bij zijn ouders kan verblijven. [de minderjarige] is daarom veel beter af bij de vader en de grootouders vz. Bij de moeder is sprake van een zeer zorgelijke situatie en Veilig Thuis is al tweemaal ingeschakeld. Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is dan ook noodzakelijk. De vader wenst dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te zijner tijd bij hem wordt bepaald. De vordering van de moeder leent zich niet voor een kort geding procedure omdat een beslissing over de toevertrouwing van [de minderjarige] te bindend of definitief is. Indien de moeder wel ontvankelijk wordt geacht dient [de minderjarige] aan de vader te worden toevertrouwd. Het zwaartepunt van de opvoeding lag nooit bij de moeder. De zorgtaken werden door de ouders gedeeld.
4.3.
De moeder voert verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
gezamenlijke behandeling vorderingen
5.1.
Gelet op de nauwe verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie en de daaraan ten grondslag liggende stellingen, zullen deze vorderingen in het hierna volgende gezamenlijk worden behandeld.
ontvankelijkheid
5.2.
Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Spoedeisend belang heeft de eisende partij in ieder geval, indien van hem niet kan worden gevergd dat hij of zij een bodemprocedure afwacht.
Aan de orde is de vraag of [de minderjarige] , in afwachting van een beslissing daarover in de bodemprocedure, voorlopig aan de moeder moet worden toevertrouwd. Nu is gebleken dat [de minderjarige] tot voor kort bij de moeder woonde en op het moment van de zitting al achttien dagen lang tegen de afspraken in bij de moeder wordt weggehouden, heeft de moeder een spoedeisend belang bij haar vordering. De beslissing over de voorlopige toevertrouwing heeft bovendien een tijdelijk karakter en is daarom passend voor een kort geding. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
toevertrouwing minderjarige
5.3.
De voorzieningenrechter zal [de minderjarige] aan de moeder toevertrouwen. Daartoe redengevend is het volgende. De voornaamste zorg van de vader is dat er in [opvang] alcohol- en drugsverslaafden verblijven en dat [de minderjarige] hieraan wordt blootgesteld doordat de moeder bijvoorbeeld gaat roken met achterlating van [de minderjarige] in de opvang. De vader heeft deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting van de moeder, onvoldoende onderbouwd. De vader beroept zich op een getuige uit [opvang] die hem 5 à 6 weken geleden heeft ingelicht over de zorgwekkende situatie van [de minderjarige] bij de moeder. Een verklaring van die getuige ontbreekt, aldus de vader, omdat zij van [opvang] geen informatie mag verstrekken. De vader heeft wel getuigenverklaringen van zijn ouders, zijn oom, zijn nicht, zijn schoonzus en twaalf kennissen overgelegd. Zakelijk weergegeven verklaren zij allemaal dat er zorgen zijn over de hygiëne van [de minderjarige] bij de moeder, dat de moeder veel op haar telefoon zit en dat [de minderjarige] een liefdevolle band heeft met de vader en grootmoeder vz. Deze verklaringen zijn echter allemaal verkregen van familieleden en kennissen van de vader en grootmoeder vz en bovendien voor een deel uit de tweede hand, zodat aan deze verklaringen weinig waarde kan worden gehecht. Om dezelfde reden wordt overigens evenmin veel waarde gehecht aan de door moeder overgelegde verklaringen van haar grootvader, bonusvader, broer en een medebewoner van [opvang] . Daartegenover heeft een maatschappelijk werker van PerMens verklaard dat [opvang] een gezinsopvang is voor economisch dakloze gezinnen. Dit houdt in dat van de gezinnen wordt verwacht dat sprake is van een hoge mate van zelfredzaamheid en dat geen sprake is van meervoudige en complexe problematiek zoals verslaving en/of psychische problematiek. De gezinnen verblijven in een eigen slaapkamer met wc en douche en er zijn gemeenschappelijke huiskamers en keukens. Tijdens kantooruren is een begeleidend team aanwezig en in de algemene ruimtes en om de voorziening heen is 24/7 cameratoezicht. Alles wijst erop dat de zorgen van de vader pas aanwezig zijn sinds de relatie tussen partijen is verbroken en/of de vader heeft vernomen dat de moeder een nieuwe relatie zou hebben (met een iemand uit [opvang] ) en dat deze zorgen worden gevoed door de grootmoeder vz. Ten aanzien van de grootmoeder vz. overweegt de voorzieningenrechter volgende. Als de grootmoeder vz. zorgen heeft over de verzorging van [de minderjarige] bij de moeder is het begrijpelijk dat zij deze zorgen aankaart, maar haar handelen is op dit moment niet helpend en heeft tot gevolg gehad dat de moeder zich door haar bedreigd voelt. De ouders komen daardoor verder van elkaar af te staan terwijl zij met elkaar verantwoordelijk zijn voor de zorg van [de minderjarige] . Het gebrek aan vertrouwen en goede communicatie tussen de ouders is op dit moment dan ook veel zorgwekkender voor [de minderjarige] dan zijn situatie in [opvang] . De situatie van [de minderjarige] bij de vader is overigens ook suboptimaal; daar wordt binnen gerookt en de vader rookt voor het slapen een joint. Dit alles overwegende zal de vordering van de moeder worden toegewezen en de vordering van de vader worden afgewezen. De vader dient [de minderjarige] binnen één dag na betekening van dit vonnis af te geven aan de moeder.
voorlopige zorgregeling
5.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [de minderjarige] met beide ouders een hechte band moet kunnen ontwikkelen en behouden en dat het daarvoor belangrijk is dat [de minderjarige] een substantiële zorgregeling heeft met de vader. De moeder heeft een voorstel tot een co-ouderschapsregeling gedaan waarbij [de minderjarige] de ene week van maandag tot woensdag en de andere week van vrijdag tot woensdag bij de vader verblijft (en de helft van de feestdagen). De vader wil dit voorstel met zijn advocaat bespreken. Het wordt in het belang van [de minderjarige] geacht dat de ouders hierover op korte termijn afspraken maken in een ouderschapsplan. Omdat partijen hierover nu nog geen afspraken hebben gemaakt zal de voorzieningenrechter de vordering van de moeder toewijzen, zodat die regeling heeft de gelden totdat de ouders andersluidende afspraken hebben gemaakt. Doordat de vader heeft geweigerd om [de minderjarige] terug te brengen nadat hij hem gelogeerd had, wordt de vader veroordeeld om een dwangsom te betalen van € 250 per dag of gedeelte daarvan dat hij [de minderjarige] langer bij de moeder weghoudt, tot een maximum van € 10.000 is bereikt.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
vertrouwt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] voorlopig toe aan de moeder;
6.2.
bepaalt als voorlopige zorgregeling dat [de minderjarige] om de week op woensdag van 9.00 uur tot donderdag 9.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [de minderjarige] op woensdag naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] op donderdag naar de moeder brengt;
6.3.
veroordeelt de vader om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 250 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000 is bereikt;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.6.
wijst de vorderingen van de vader af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 1 november 2024. Bij ontstentenis van de voorzieningenrechter is dit vonnis ondertekend door mr. B.M.A. Bataille, rechter, tevens teamvoorzitter.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.