Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-30
ECLI:NL:RBNHO:2024:14263
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,536 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11173333 \ CV EXPL 24-4228
Uitspraakdatum: 30 oktober 2024
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de kapitaalvennootschap binnen de Europese Economische Ruimte (Aktiebolag) Hoist Finance AB
gevestigd te Stockhom, Zweden
de eisende partij
gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 24 juli 2024 (hierna: het tussenvonnis) is de eisende partij door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de eventuele (on)eerlijkheid van een bepaald beding in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Daaraan heeft de eisende partij uitvoering gegeven bij akte van 18 september 2024 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
De kantonrechter zal geen rekening houden met de eiswijziging ten aanzien van de rente
2.1.
De eisende partij heeft bij akte haar eis gewijzigd. Zij vordert thans een bedrag van € 38,01 aan rente en een bedrag van € 66,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De eisende partij heeft aldus de rente verhoogd en de buitengerechtelijke incassokosten verminderd.
2.2.
Op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is - indien een partij niet in het geding is verschenen - een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eisende partij de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De gedaagde partij is niet in het geding verschenen en daarom had de eisende partij de verandering van eis en de daarbij behorende stukken per exploot aan de gedaagde partij kenbaar moeten maken. De eisende partij heeft dat echter nagelaten. Dat betekent dat de eiswijziging ten aanzien van de rente is uitgesloten en dat de kantonrechter dit gedeelte van de vordering zal beoordelen zoals die bij dagvaarding is ingesteld.
Het incassobeding in de overeenkomst wordt vernietigd
2.3.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. De kantonrechter vernietigt daarom het incassobeding in de overeenkomst. Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
De hoofdsom is toewijsbaar tot een bedrag van € 330,00
2.4.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat de eisende partij niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.
2.5.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.6.
In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële precontractuele informatieplicht(en) zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder p BW en artikel 6:230v lid 2 BW geschonden. Daarnaast heeft zij de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is.
2.7.
Gelet op het voorgaande is van de oorspronkelijke hoofdsom van € 440,00 een bedrag van € 330,00 (€ 440,00 x 0,75) toewijsbaar.
De verschenen rente wordt afgewezen
2.8.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom en gelet op artikel 12.6 van de algemene voorwaarden) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Conclusie
2.9.
Voor het overige blijft de kantonrechter bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
2.10.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de akte komen echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat deze genomen moest worden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 330,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juni 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 137,39 wegens dagvaardingskosten,
€ 328,00 wegens griffierecht en
€ 82,00 wegens salaris gemachtigde;
3.4.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter