Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:14260
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,052 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10872995 \ CV EXPL 24-477
Uitspraakdatum: 24 juli 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap
Collect Car B.V., handelende onder de naam greenwheels
gevestigd te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings
tegen
[gedaagde]
wonende in [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Op 21 februari 2024 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2
2. De verdere beoordeling
2.1.
De eisende partij heeft de gelegenheid gekregen om zich bij akte uit te laten over wat in het tussenvonnis in rechtsoverweging 2.3, 2.4, 2.10, 2.12 en 2.13 is overwogen.
2.2.
In rechtsoverweging 2.4 is overwogen dat de eisende partij concreet moet toelichten op welke wijze zij aan de informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v (lid 7) van het BW (BW) heeft voldaan. De kantonrechter zal daarom alleen die artikelen ambtshalve toetsen.
Precontractuele informatieplichten
2.3.
De kantonrechter stelt na de toelichting van de eisende partij in genoemde akte vast dat de eisende partij niet heeft voldaan aan alle informatieverplichtingen van artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, i, j, o en p BW. Zo is niet gebleken dat de gedaagde partij is gewezen op het herroepingsrecht. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat de gedaagde partij voordat de overeenkomst tot stand gekomen is expliciet is gewezen op de (mogelijke) verschuldigdheid van overige kosten. Het enkele feit dat de informatie bedoeld in 6:230m lid 1 op de website van de eisende partij te vinden is, is onvoldoende. Het gaat hier om informatie die de handelaar voordat de consument aan de overeenkomst gebonden is aan de consument moet verstrekken. De consument hoeft daar niet zelf naar op zoek te gaan.
De contractuele informatieplicht
2.4.
Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230v lid 7 BW) heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en te onderbouwen dat deze is nagekomen. Om te kunnen vaststellen dat is voldaan aan artikel 6:230v lid 7 onder a BW moet in dit geval een aanmeldbevestiging worden overgelegd die voldoet aan de eisen van dat artikel. Dat wil zeggen een concrete, daadwerkelijk aan de gedaagde partij verzonden aanmeldbevestiging. Die ontbreekt in dit geval. Weliswaar heeft de eisende partij gesteld dat na aanmelden een bevestiging en welkomstbrief worden verzonden, maar deze zijn niet overgelegd. De kantonrechter stelt daarom vast dat niet aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW is voldaan.
Welke sanctie hoort hierbij?
2.5.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.6.
De overeenkomst zal gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom, zodat daarvan resteert een bedrag van € 1.407,05 (€ 1.876,06 x 0.75) dat toewijsbaar is.
Boetes en administratiekosten
2.7.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op administratiekosten is van belang artikel 35 van de Algemene Voorwaarden. Dat artikel is door de kantonrechter al getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.8.
In de hoofdsom is begrepen een bedrag van € 150,00 (2x € 75,00) als boete voor het vuil achterlaten van de auto. De eisende partij heeft ter toelichting gewezen op artikel 25 van de Algemene Voorwaarden. Dit artikel is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente
2.9.
De eisende partij heeft voldoende toegelicht dat in de Algemene Voorwaarden onder ‘Vooraf’ is bepaald dat de consument direct in verzuim is als de factuur niet vóór de vervaldatum is betaald. Dit betekent dat het rentebeding in artikel 51 sub e van de Algemene Voorwaarden niet oneerlijk is. Omdat het gevorderde rentebedrag over de volle hoofdsom is berekend, terwijl slechts 75% wordt toegewezen, wordt het gevorderde rentebedrag van
€ 95,81 ook voor 75% (dus € 71,86) toegewezen.
2.10.
De kantonrechter blijft bij het voornemen om het beding in artikel 51 sub e ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten te vernietigen omdat deze bepaling afwijkt van de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 6 BW, op grond waarvan de consument pas incassokosten verschuldigd is als deze na het intreden van verzuim vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen en niet al als je niet of te laat betaalt. Ook als de eisende partij feitelijk pas incassokosten in rekening brengt als na de termijn in de zogenoemde veertiendagenbrief geen betaling is ontvangen, zoals zij heeft gesteld, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het gaat om de toets van het beding en als het beding oneerlijk is, kan niet worden teruggevallen op de wettelijke regeling of de feitelijke gang van zaken.
Conclusie
2.11.
Uit het voorgaande in samenhang gelezen met het tussenvonnis volgt dat een bedrag van € 1.478,91 wordt toegewezen. Omdat het beding op grond waarvan de buitengerechtelijke incassokosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht oneerlijk is, heeft de eisende partij geen recht op de buitengerechtelijke incassokosten. Die nevenvordering zal daarom worden afgewezen.
2.12.
Omdat de gedaagde partij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld zal deze worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis.
De kosten van de akte blijven voor rekening van de eisende partij, omdat de akte voortvloeit uit het feit dat de algemene voorwaarden een beding bevatten dat oneerlijk is en de eisende partij de toelichting op het nakomen van de informatieplichten al bij dagvaarding had moeten geven.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 1.478,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2023 tot de dag van algehele betaling,
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten die de kantonrechter tot en met vandaag vaststelt op:
€ 107,84 wegens dagvaardingskosten,
€ 372,00 wegens griffierecht en
€ 204,00 wegens salaris gemachtigde;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter