Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-04-25
ECLI:NL:RBNHO:2024:14226
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,013 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2024:14226 text/xml public 2026-04-01T10:09:15 2025-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2024-04-25 AWB - 21 _ 6123 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:14226 text/html public 2025-08-08T11:13:28 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2024:14226 Rechtbank Noord-Holland , 25-04-2024 / AWB - 21 _ 6123 Omzetbelasting. Inschrijfgelden ten behoeve van klachtbehandeling over loterijen zijn vergoedingen voor belaste prestaties. Plaats van dienst artikel 45 van de Btw-richtlijn en artikel 10 van de Uitvoeringsverordening. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/6123 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen [Eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. B.J. Beukema), en de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 20 december 2019 aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 (de naheffingsaanslag) en daarbij belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). Bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag afgewezen. Eiser heeft daartegen op 8 november 2021 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2024 op zitting te Haarlem behandeld. Namens eiseres is daar de gemachtigde verschenen bijgestaan door prof. dr. [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en [naam 4] MSc. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. In het eerste kwartaal van 2015 bestond deze fiscale eenheid uit [A] B.V. (M) en [B] B.V. (de BV). De bestuurder van M is [de bestuurder] ( [de bestuurder] ). 2. De BV had in 2015 volgens haar statuten onder meer ten doel het verlenen van juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen. 3. De BV heeft haar statutaire vestigingsplaats op 30 maart 2015 verplaatst naar [plaats] . 4. In het verleden is door [Stichting] (de Stichting) op de voet van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW) geprocedeerd tegen [X] . Bij arrest van 28 mei 2013 heeft het gerechtshof Den Haag voor recht verklaard dat - kort gezegd - [X] in de periode 2000 tot en met 2008 op diverse punten misleidende mededelingen heeft gedaan en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 6:174 van het (oud) BW. Zowel de Stichting als [X] hebben daartegen beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 30 januari 2015 beide cassatieberoepen verworpen. 5. In het vervolg op de hiervoor aangehaalde procedure tegen [X] zijn door de Stichting en de BV onder de naam [Y] overeenkomsten met particulieren gesloten waarop de Voorwaarden [Y] (de Voorwaarden) van toepassing zijn. In het eerste kwartaal van 2015 hebben zich nieuwe deelnemers bij [Y] aangemeld met wie dergelijke overeenkomsten zijn gesloten (de nieuwe deelnemers). In de Voorwaarden, die eiseres heeft overgelegd, is onder meer het volgende opgenomen: “Definities [Y] : [de Stichting] en [de BV] gevestigd te (…). [B] is onderdeel van [Y] . (…). Cliënt : degene die een overeenkomst met [Y] aangaat, waarbij deze algemene voorwaarden van toepassing worden verklaard. Zaak : procedure tegen [X] in verband met onder meer hetgeen als aan de orde is gesteld in de BW 3:305a actie vanwege misleiding omtrent onder meer het prijzenpakket in de periode 2000 tot 2008. Doel van de procedure is het bewerkstelligen van een schadevergoeding in de vorm van geld dan wel nader overeen te komen soort schadevergoeding. Uitgangspunt is cliënt datgene te doen toekomen waar hij/zij redelijkerwijs recht op heeft. (…) BDerden 1. Door het aangaan van een overeenkomst met [Y] geeft cliënt aan [Y] opdracht de diensten met betrekking tot de vorderingen te verrichten of door (een) derde(n) te doen verrichten met inachtneming van het gestelde in deze Voorwaarden alsmede de Overeenkomst. Het staat [Y] vrij ter uitvoering van de verleende opdracht werkzaamheden door bij het kantoor werkzame personen - onder hun verantwoordelijkheid - te laten uitvoeren en in voorkomende gevallen niet tot het kantoor behorende derden in te schakelen. Werkzaamheden door derden worden geacht begrepen te zijn onder de aan [Y] verleende opdracht. 2. [Y] is door cliënt gevolmachtigd om deze derden in te schakelen waaronder bijvoorbeeld een advocaat, notaris of accountant. Iedere aansprakelijkheid voor tekortkomingen van niet tot het kantoor van [Y] behorende derden is uitdrukkelijk uitgesloten. [Y] is namens cliënt gemachtigd algemene voorwaarden en aansprakelijkheidsbeperkingen van derden namens cliënt te aanvaarden. Deze voorwaarden incorporeren richting cliënt. CBetaling 1. De opdracht wordt uitgevoerd voor een van de op de website gemaakte categorie en de één van de daarbij behorende opties. Wanneer een no cure, no pay fee van toepassing is wordt op dat moment in rekening gebracht indien er direct dan wel indirect compensatie wordt gegeven door een partij ter zake de vordering. Het resultaat behoeft niet rechtstreeks te zijn herleiden tot de werkzaamheden van [Y] om interpretatieproblemen te voorkomen. Eventueel toegekende vergoedingen voor juridische kosten vervallen ten goede van [Y] . De no cure, no pay fee, afgezien van eenmalig verschuldigd inschrijfgeld, bedraagt 20% (zegge: twintig procent). Deze no cure, no pay fee is door elke deelnemer ongeacht het moment van aanmelding (periode 2008 tot heden) verschuldigd bij resultaat. (…) 7. De opdracht is persoonlijk in die zin dat het anderen dan cliënt c.q. zijn / haar bedrijf of rechtspersoon geen recht hebben op de diensten die overeengekomen zijn. Telefonische adviezen worden enkel verstrekt aan degene die de opdracht rechtsgeldig ondertekend heeft, dan wel aan degene die door [Y] als vertegenwoordiger van cliënt is geaccepteerd.(…) (…) 9. [Y] kan een extra bijdrage vragen in hogere rechtsinstanties voor zover dat in overeenstemming met cliënt wordt bepaald. (…) D De dienstverlening en haar gevolgen 1. [Y] verleent collectieve juridische diensten voor haar eigen leden alsmede voor leden van derdedienstverleners tot wie [Y] in een relatie staat. (…) De door [Y] verrichte werkzaamheden en/of producten zijn uitsluitend voor cliënt bestemd en mogen niet worden doorverkocht of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze zijn verricht en/of verstrekt. (…) 5. Bij een eenzijdige opzegging van een opdracht door cliënt blijven de tarieven van [Y] van toepassing. Zowel het inschrijfgeld als het no cure, no pay percentage blijft onverminderd verschuldigd. 6. [Y] is gerechtigd de overeenkomst dan wel dienaangaande werkzaamheden op te zeggen, stop te zetten of op te schorten wanneer verdere behandeling niet verantwoord is vanwege bijvoorbeeld te kort animo dan wel wanneer een aangebrachte zaak verder kansloos is in behandeling, zulks ter uitsluitende beoordeling van [Y] . (…) E Tarieven (…) 2. Indien voor de overeengekomen werkzaamheden of voor een bepaald product een vaste prijs is afgesproken, dan wordt deze prijs direct in rekening gebracht en dient deze ook vooruitbetaald te worden. (…) 4. Betaling van de declaraties van [Y] dient te geschieden binnen veertien (14) dagen na verzending daarvan. (…) 5. Indien om welke reden dan ook betaling van declaraties uitblijft, staat het [Y] vrij de werkzaamheden voor cliënt op te schorten totdat volledige betaling van de betreffende declaratie(s) heeft plaatsgehad. (…) (…) G Uitvoering en aansprakelijkheid (…) 4. [Y] is gemachtigd cliënt binnen en buiten rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van een overeengekomen zaak. [Y] is gemachtigd een rechtszaak te voeren bij de rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad en vice versa. (…) 8. Indien het online aanmeldformulier op de knop aanmelden wordt gedrukt, wordt de onderliggende overeenkomst als overeengekomen beschouwd. (…)” 6.
Volledig
De Stichting en [X] hebben op 7 april 2015 een Overlegprotocol (het Protocol) gesloten teneinde hun geschil in der minne te beslechten (het vervolgtraject). In het Protocol is onder meer het volgende opgenomen: “4.1 [De Stichting] zal op de kortst mogelijke termijn na ondertekening van deze Overeenkomst een geactualiseerde lijst aanleveren van de bij haar aangesloten deelnemers. 4.2 [ [X] ] zal, noch tijdens het overleg, noch op enig moment daarna (…), deze lijst gebruiken om deelnemers van [de Stichting] te benaderen om aan hen een schikkingsaanbod te doen buiten [de Stichting] om. (…) 5.1 [ [X] ] zal, nadat zij de geactualiseerde lijst als bedoeld in artikel 4.1 heeft ontvangen, per deelnemer de volgende informatie aan [de Stichting] verschaffen met betrekking tot de periode van 2000 t/m 2007 en de Koninginnedagtrekking van 2008: a. het aantal trekkingen waaraan de betreffende deelnemer heeft deelgenomen; b. het aantal loten waarmee de deelnemer per trekking heeft meegespeeld; c. de prijs die de deelnemer voor de betreffende loten heeft betaald; d. (…) het totaal aan prijzengeld dat de betreffende deelnemer heeft gewonnen. (…) 7.1 [ De Stichting] zal op de kortst mogelijke termijn (…) schriftelijk haar vordering tot schadevergoeding, althans die van haar achterban, onderbouwen. (…) (…) 10.2 [ De Stichting] zal gedurende het overleg niet actief aanvullende deelnemers werven (…).” 7. Het vervolgtraject heeft uiteindelijk niet tot betaling van enige schadevergoeding door [X] geleid. Wel zijn alle deelnemers die in de periode 2000-2008 deelnamen aan [X] , ook zij die niet bij [Y] of enige andere belangenbehartiger waren aangesloten, door [X] in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan een extra trekking zonder dat zij daarvoor hoefden te betalen. Dit hield echter geen verband met het overleg met [Y] . 8. Tot de stukken van het geding behoort een e-mail bericht van 24 april 2015 van de administrateur van eiseres aan [de bestuurder] waarbij onder meer een overzicht is gevoegd van de gegevens voor de BTW aangifte van eiseres (het overzicht) voor het eerste kwartaal van 2015. Volgens het overzicht bedraagt de in dat kwartaal gerealiseerde omzet van de BV € 2.362.001 waarover een bedrag van € 496.025 omzetbelasting verschuldigd zou zijn. Op haar aangifte omzetbelasting voor het eerste kwartaal van 2015 heeft eiseres 20% van het hiervoor vermelde omzetbedrag (€ 472.400) in aanmerking genomen en daarover een bedrag aan omzetbelasting voldaan van € 99.204. 9. Verweerder heeft de naheffingsaanslag opgelegd uitgaande van het omzetbedrag uit het overzicht. De naheffingsaanslag is als volgt berekend: verschuldigde omzetbelasting € 496.025 aangegeven € 99.204 nageheven € 396.816 belastingrente € 63.622 totaal € 460.438 10. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het nageheven bedrag uitsluitend betrekking heeft op inschrijfgelden die de nieuwe deelnemers hebben betaald (de inschrijfgelden). Geschil 11. In geschil is of eiseres over de inschrijfgelden omzetbelasting is verschuldigd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of tegenover die inschrijfgelden diensten van de BV kunnen worden onderscheiden. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of die diensten in Nederland belastbaar zijn. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat de cijfermatige gegevens waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd niet in geschil zijn. 12. Eiseres stelt dat voor de nieuwe deelnemers enkel collectieve onderhandelingen zijn gevoerd om een schadevergoeding van [X] te verkrijgen en dat dit geen voor de omzetbelasting belastbare diensten zijn; er is geen sprake van economische activiteiten. Zij wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 inzake collectieve juridische acties door een vereniging van effectenbezitters. Zij stelt in het bijzonder dat haar activiteiten vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden die door het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 4 april 2019 als ‘fase 1’ worden aangeduid. Eiseres stelt verder dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat andere organisaties met een vergelijkbare doelstelling geen omzetbelasting verschuldigd zijn over hun inkomsten. Zo al sprake zou zijn van belastbare prestaties in de zin van de omzetbelasting, hebben die volgens eiseres pas vanaf het tweede kwartaal van 2015 plaatsgevonden toen de BV was gevestigd in [plaats] . De diensten zijn daarom niet in Nederland belast. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, en verzoekt om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. 13. Verweerder neemt het standpunt in dat de BV tegen vergoeding voor haar klanten onderhandelingen heeft gevoerd en dat aldus sprake is van voor de omzetbelasting belastbare economische activiteiten. Dat de BV per 30 maart 2015 haar zetel heeft verplaatst naar [plaats] , acht verweerder niet relevant omdat tot die datum de BV nog in Nederland gevestigd was en eiseres volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat de diensten niet in Nederland zijn verricht. Verweerder weerspreekt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Bij de door eiseres genoemde organisaties is volgens verweerder geen sprake van gelijke gevallen en verder staan die organisaties bij de Belastingdienst geregistreerd als belastingplichtig voor de omzetbelasting. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil Economische activiteit 14. Uit artikel 9, eerste lid, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn) volgt dat als belastingplichtige wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Economische Unie (HvJ EU) heeft het begrip economische activiteit een ruime werkingssfeer. 15. Van een economische activiteit is alleen sprake wanneer een activiteit tot gevolg heeft dat een van de belastbare feiten als bedoeld in artikel 2 van de Btw-richtlijn zich voordoet. Artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) vormt de implementatie van artikel 2 van de Btw-richtlijn. Op grond van artikel 1, onderdeel a, van de Wet OB wordt een belasting geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, die in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. 16. Een dienst wordt enkel ‘onder bezwarende titel’ verricht wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor een aan de ontvanger verleende individualiseerbare dienst. Dit is het geval wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie. Net als het begrip economische activiteit moet ook het begrip rechtsbetrekking ruim worden uitgelegd . 17. Uit de definities in de Voorwaarden volgt dat [Y] met de nieuwe deelnemers overeenkomsten sluit op grond waarvan [Y] namens hen een procedure tegen [X] zal voeren teneinde voor de cliënt een schadevergoeding te realiseren voor de misleiding door [X] zoals die is vastgesteld in het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013. Niet in geschil is dat de nieuwe deelnemers voor het sluiten van de overeenkomst het inschrijfgeld betalen. Ter zitting is toegelicht dat de hoogte daarvan mede afhankelijk is van het aantal loten waarmee werd deelgenomen. De betaling van het inschrijfgeld door de cliënt staat aldus tegenover de dienst van [Y] dat zij voortaan mede namens de cliënt zal optreden in het vervolgtraject. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat blijkens onderdeel G 4 [Y] door het sluiten van de overeenkomst gemachtigd is de cliënt in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
Volledig
Verder volgt uit het Protocol dat [Y] opgaaf moet doen aan [X] van de deelnemers namens wie zij optreedt en de vordering tot schadevergoeding van die achterban dient te onderbouwen. Een en ander wijst erop dat de omvang van de (potentiële) totale schadevergoeding (mede) afhankelijk is gesteld van het aantal deelnemers dat [Y] vertegenwoordigt en dat de hoogte van het door een specifieke deelnemer te betalen inschrijfgeld verband houdt met de omvang van diens individuele belang bij de uitkomst van de onderhandelingen. Aldus is er een rechtstreeks verband tussen de betaling van het inschrijfgeld en de door [Y] te voeren onderhandelingen over een eventuele schadevergoeding. 18. Het enkele feit dat de diensten in onderdeel D1 van de voorwaarden worden aangeduid als ‘collectieve juridische diensten’ betekent niet dat het rechtstreekse verband tussen de dienstverlening van eiseres en de betaling van het inschrijfgeld ontbreekt. Naar zijn aard kan de procedure die heeft geresulteerd in het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013 weliswaar als een vorm van collectieve juridische dienstverlening worden beschouwd aangezien daar ten aanzien van iedere deelnemer dezelfde rechtsvraag, namelijk of sprake is van misleidende mededelingen van [X] aan het publiek, heeft voorgelegen. Dat laat echter onverlet dat het verkrijgen van een vorm van compensatie voor iedere deelnemer afzonderlijk een gelijksoortig belang vertegenwoordigt als bedoeld in artikel 3:305, eerste lid, van het BW. In onderhavig geval is dus veeleer sprake van de gebundelde behartiging van individuele belangen. 19. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak had het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de kosten die drukken op collectieve juridische acties die op eigen initiatief zijn gevoerd door de desbetreffende vereniging, verband hielden met latere activiteiten van die vereniging die tegen vergoeding plaatsvonden. De Hoge Raad oordeelde dat zonder nadere motivering, die ontbrak, niet inzichtelijk was hoe het Hof tot dat oordeel was gekomen. De zaak is daarom door de Hoge Raad verwezen naar gerechtshof Amsterdam. 20. Uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam volgt dat in de activiteiten van de betreffende vereniging meerdere fases kunnen worden onderscheiden. In fase 1 voert de vereniging op eigen initiatief collectieve juridische acties tegen bedrijven die volgens de vereniging schade hadden toegebracht aan de belangen van beleggers zonder dat de vereniging daarvoor een afzonderlijk bedongen vergoeding ontving van de betreffende beleggers. Volgens het gerechtshof Amsterdam bestaat er geen verband tussen de activiteiten van de vereniging en de door de leden betaalde contributie. 21. Eiseres stelt ten onrechte dat haar situatie vergelijkbaar is met de door het gerechtshof Amsterdam onderscheiden fase 1. In onderhavige zaak is geen sprake van een vereniging en daarmee evenmin van een contributieverplichting van leden van die vereniging ongeacht de activiteiten van de vereniging. De inschrijfgelden waar het hier om gaat worden juist voldaan opdat de deelnemers door [Y] worden betrokken in de onderhandelingen met [X] en zij aanspraak kunnen maken op een eventueel door [Y] met [X] overeengekomen schadevergoeding. 22. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat de cliënten geen dienst hebben afgenomen van [Y] omdat uiteindelijk de onderhandelingen tot niets hebben geleid en de cliënten van de onderhandelingen geen voordeel hebben genoten. [Y] heeft jegens haar cliënten immers slechts een inspanningsverplichting op zich genomen inhoudende dat [Y] namens cliënten zal onderhandelen met [X] . Gesteld noch gebleken is dat die inspanningsverplichting niet is nagekomen. Vestiging op [plaats] 23. Niet in geschil is dat de BV haar zetel per 30 maart 2015 heeft verplaatst naar [plaats] . Evenmin is in geschil dat de diensten van [Y] uitsluitend worden verricht aan niet-ondernemers. 24. Artikel 45 van de Btw-richtlijn luidt voor zover hier van belang: “De plaats van een dienst, verricht voor een niet-belastingplichtige, is de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. (…). Bij gebreke van een dergelijke zetel (…), geldt als plaats van de diensten de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter.” 25. Artikel 10 van de Uitvoeringsverordening luidt: “1. Voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder de plaats waar een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, de plaats verstaan waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend. 2. Om te bepalen waar de in lid 1 bedoelde plaats gelegen is, wordt rekening gehouden met de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen, de plaats van de statutaire zetel van het bedrijf en de plaats waar de bestuurders van het bedrijf bijeenkomen. Wanneer op grond van deze criteria niet met zekerheid kan worden bepaald waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van een bedrijf is gevestigd, is de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen het doorslaggevende criterium. 3. Het enkele bestaan van een postadres is ontoereikend om dat adres aan te merken als de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige.” 26. Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet OB is, voor zover hier van belang, de plaats van een dienst die wordt verricht voor een ander dan een ondernemer, de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Bij gebreke van een dergelijke zetel geldt als plaats van dienst de woonplaats of de gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter. Met deze bepaling is artikel 45 van de Btw-richtlijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. 27. Vaststaat dat de statutaire vestiging van de BV in ieder geval tot 30 maart 2015 in Nederland was. Ook staat vast dat eiseres over het eerste kwartaal van 2015 een aangifte omzetbelasting heeft ingediend in Nederland waarop onder meer door de BV verschuldigde btw is aangegeven. Verder is, zoals eiseres desgevraagd op zitting heeft verklaard, niet in geschil dat de BV de omzet waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd, daadwerkelijk heeft gerealiseerd in het eerste kwartaal van 2015. Het enkele gegeven dat de BV haar statutaire zetel per 30 maart 2015 heeft verplaatst naar [plaats] , is onvoldoende om te concluderen dat zij geacht moet worden in het eerste kwartaal van 2015 niet in Nederland te zijn gevestigd. Uit artikel 10 van de Uitvoeringsverordening volgt immers dat primair moet worden gekeken naar de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van de BV worden genomen. Dat dit in onderhavig geval in [plaats] is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, de bestuurder van de BV, [[...]] , nog steeds in Nederland woonachtig is. 28. Ook indien er vanuit zou worden gegaan dat de BV met ingang van 30 maart 2015 niet langer in Nederland zou zijn gevestigd, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. De gemachtigde heeft weliswaar ter zitting het vermoeden uitgesproken dat de wel op de aangifte aangegeven en betaalde omzetbelasting ziet op de omzet gerealiseerd vóór de zetelverplaatsing (20%) en de overige 80% is ontvangen na de zetelverplaatsing, maar zij heeft daarvoor geen bewijs bijgebracht. Ook overigens acht de rechtbank dit niet aannemelijk geworden. 29. De enkele stelling dat het hier om vooruitbetalingen gaat voor diensten die pas met ingang van het tweede kwartaal van 2015 zijn verricht en daarom niet in het eerste kwartaal in de heffing mogen worden betrokken, heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt.