Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-02-14
ECLI:NL:RBNHO:2024:14225
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,387 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10693935 \ CV EXPL 23-5879
Uitspraakdatum: 14 februari 2024
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
GVB Exploitatie B.V.
gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
Beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 587,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 510,83 vanaf 22 augustus 2023. Daarnaast vordert zij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
De vordering ziet op abonnementsgelden en reiskosten in het kader van het “Product GVB Flex” abonnement van GVB. Volgens de eisende partij heeft de gedaagde partij de aan haar verzonden facturen, ondanks diverse aanmaningen, onbetaald gelaten.
De abonnementsovereenkomst; de precontractuele informatieplichten
2.3.
Vast staat dat onder meer sprake is van een abonnementsovereenkomst. Omdat deze overeenkomst op afstand is gesloten moet bij het aangaan zijn voldaan aan de informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.4.
De eisende partij vindt dat zij voor wat betreft de abonnementsovereenkomst heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten. Ter onderbouwing hiervan heeft zij schermafdrukken van het bestelproces voorzien van een toelichting overgelegd.
2.5.
De kantonrechter vindt dat niet voldoende. Uit deze toelichting en stukken blijkt namelijk niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft voldaan aan de (essentiële) informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW. De eisende partij heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij de gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gewezen op het herroepingsrecht. De kantonrechter zal voor deze schending een sanctie toepassen.
2.6.
De in artikel 6:230m lid 1, onder a, e, o en p, BW genoemde informatie dient op een duidelijke en in het oog springende manier en onmiddellijk voordat de consument zich aanmeldt te worden verstrekt (artikel 6:230v lid 2 BW). De eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat aan deze wettelijke eis is voldaan. Dit geldt ook voor de informatieplicht van artikel 6:230v lid 3 BW.
De abonnementsovereenkomst; de contractuele informatieplicht
2.7.
Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230v lid 7 BW) heeft de eisende partij ook nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat deze is nagekomen. Zij heeft enkel verwezen naar de bestelvestiging, maar dit stuk bevat niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. Zo ontbreekt het e-mailadres van de handelaar. Daarnaast ontbreekt informatie over de duur van de overeenkomst (artikel 6:230m lid 1 onder cen o BW).
2.8.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat de eisende partij niet aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW heeft voldaan en zal voor deze schending een sanctie toepassen.
Welke sancties horen hierbij?
2.9.
De schending van het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, doch met ten hoogste twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Nu deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst heeft willen herroepen, zal de kantonrechter aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie verbinden.
2.10.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.11.
De overeenkomst zal gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde abonnementsgelden. De sanctie wordt toegepast op het oorspronkelijk door de gedaagde partij verschuldigde bedrag, zodat daarvan resteert een bedrag van € 13,50 (€ 18,00 x 0.75) aan abonnementsgelden. De eisende partij heeft de gedaagde partij een korting gegeven van € 18,00. Dit bedrag strekt in mindering op de toewijsbare abonnementsgelden, zodat de abonnementskosten reeds zijn voldaan. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen. Gelet hierop is bij de gedaagde partij een bedrag van € 4,50 teveel in rekening gebracht. Dit bedrag strekt in mindering op de toewijsbare reiskosten.
De reisovereenkomst
2.12.
Ook is sprake van een reisovereenkomst in de zin van artikel 8:100 BW. Deze valt onder de uitzondering van artikel 6:230h lid 5 BW. De eisende partij heeft voldoende onderbouwd dat is voldaan aan de hierin genoemde informatieplichten. De reisovereenkomst komt namelijk tot stand wanneer de reiziger instapt en eindigt wanneer deze uitstapt. Dit deel van de vordering € 510,83 (€ 83,39 + € 326,88 + € 100,56) is dan ook in beginsel toewijsbaar. De teveel in rekening gebrachte abonnementskosten strekken in mindering op de toewijsbare reiskosten, zodat een bedrag van € 506,33 (€ 506,33 - € 4,50) toewijsbaar is.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.13.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13/EEG) is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Concrete ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.14.
Uit de overlegde stukken blijkt dat op de overeenkomsten de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard:
- Algemene bestelvoorwaarden GVB webshop versie augustus 2022
- Productvoorwaarden GVB Flex versie januari 2022 (hierna: Productvoorwaarden)
2.15.
In artikel 6.7 van de Productvoorwaarden is een rentebeding opgenomen. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.16.
in artikel 6.8. staat een beding over buitengerechtelijke incassokosten. Dat luidt als volgt: “Als het (volledige) bedrag niet binnen 14 dagen, nadat je de betalingsherinnering hebt gekregen, door GVB is ontvangen, draagt GVB de vordering ter incasso over aan het incassobureau. In dat geval komen de buitengerechtelijke incassokosten voor jouw rekening zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder c van het Burgerlijk Wetboek en wordt aanspraak gemaakt op wettelijke rente vanaf het moment dat je in verzuim bent. (…)”
2.17.
Dit beding wordt vermoed oneerlijk te zijn, omdat het bepaalt dat de eisende partij gerechtigd is incassokosten in rekening te brengen, kort gezegd na vruchteloze aanmaning tot betaling binnen een termijn van 14 dagen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 13 maart 2024 voor een akte aan de zijde van de eisende partij als hiervoor onder 2.17 bedoeld,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
HvJ 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia)