Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:14219
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Politierechter
Parketnummers: 96.019209.24, 96-015784-24 (ttz gev) en 15-213351-22 (tul), 96-285065-20 (tul)
Uitspraakdatum: 24 september 2024
Tegenspraak (279 Sv)
Schriftelijk vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. van Troost en van wat de raadsman van de verdachte, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
96-015784-24:
hij op of omstreeks 12-12-2022 t/m 13-12-2022 te Den Helder een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of heroïne/morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 180 microgram cocaïne per liter bloed en/of 17 microgram morfine per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
96-019209-24:
hij op of omstreeks 9 februari 2023 te Alkmaar, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Pettemerstraat, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.
2Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze politierechter is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24.
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24
De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24. Het rijbewijs van verdachte is bij besluit van 20 januari 2023 geschorst. Dit besluit was op 9 februari 2023 van kracht. Hoewel het besluit voor 9 februari 2023 niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt, is het besluit wel aangetekend aan hem verzonden. Voorts is het besluit niet-aangetekend aan hem verzonden op 20 januari 2023. Op 28 januari 2023 is de verdachte staande gehouden en is door de politie aan hem medegedeeld dat zijn rijbewijs per 20 januari 2023 is geschorst.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24
De verdediging voert geen bewijsverweer ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24.
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24.
De verdediging heeft aangevoerd dat de schorsing van het rijbewijs van de verdachte op 9 februari 2023 niet van kracht was. De schorsing van het rijbewijs van verdachte door het CBR is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit besluit dient overeenkomstig de bepalingen in de Awb bekend gemaakt worden. Uit het dossier volgt niet dat het besluit aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Evenmin kan worden vastgesteld dat het besluit verdachte op andere wijze heeft bereikt. Er bevinden zich geen stukken van de (aangetekende) verzending in het dossier. De mededeling van de verbalisanten op 28 januari 2023 aan de verdachte dat zijn rijbewijs was geschorst, was voorbarig, aangezien het besluit toen nog niet was bekendgemaakt en daarom niet in werking was getreden.
3.3.
Beoordeling
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24
De politierechter komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de
volgende bewijsmiddelen.
I.
Een proces-verbaal rijden onder invloed. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als bevindingen van verbalisant [naam] d.d. 12 december 2022 (dig. blz. 4 - 6):
Op 12 december 2022 om 23.45 uur zag ik, [naam] dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, reed op de voor het verkeer openstaande weg, de Polderweg te Den Helder.
Ik verbalisant zag de bestuurder parkeren. Ik hoorde dat hij iets raakte. Ik sprak hem aan. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften heb ik, verbalisant, de bestuurder zijn voertuig op eerste vordering doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Met medewerking van de bestuurder heb ik hem de speekseltest afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen speekseltest. Als resultaat van deze test zag ik dat de speekseltest een indicatie aangaf voor de volgende stoffen: opiaten/morfine en cocaïne. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.
Ik nam de volgende kenmerken waar bij de bestuurder:
Uiterlijk Loopneus, herhaald gesnuif
Pupilgrootte Verkleinde pupil
Motoriek Onrustig gedrag/bewegingsdrang
Spraak Woordenvloed
Gedrag Te zelfverzekerd
Vervolgens werd de bestuurder als verdachte van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 aangehouden.
De verdachte gaf mij op te zijn genaamd [verdachte]
De opgegeven personalia werden door mij verbalisant geverifieerd aan de hand van zijn geldig rijbewijs.
De verdachte verleende toestemming tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.
Op 13 december 2022 om 00.55 uur heeft de arts de verdachte bloed afgenomen.
Ik heb de buisjes bloed overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en overeenkomstig de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer in de daartoe bestemde vriezer geplaatst.
Tevens heb ik het opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” met het nummer TACK2486NL.
Ik heb mij ervan vergewist dat de verzegelde verpakking overeenkomst het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden is naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.
II.
Een geschrift zijn een Rapport drugs in het verkeer, gedateerd 9 januari 2023, opgemaakt door dr. Cornelius Heβ (dig. blz. 18-20). Dit geschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
Bloedgever: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]
Onderzoeksmateriaal:
SIN nummer TACK2486NL Bloed van [verdachte]
Resultaten
Meetbare stof Grenswaarde bij combinatie gebruik Eindresultaat in bloed
(TACK2486NL)
Cocaïne 10 180 microgram per liter
Morfine 10 17 microgram per liter
Het geschrift onder II wordt voor het bewijs gebruikt in verband met de inhoud van het bewijsmiddel onder I.
3.3.2.
Vrijspraakoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24
Naar het oordeel van de politierechter is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte ten laste is gelegd onder parketnummer 96-019209-24. De politierechter overweegt hiertoe als volgt.
In het dossier bevindt zich een besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte van 20 januari 2023 met kenmerk REL/2002343209 (het besluit).
De verdediging heeft betwist dat het besluit op 9 februari 2023 in werking was.
De politierechter overweegt dat het besluit tot schorsing van de geldigheid van een rijbewijs van bestuursrechtelijke aard is. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is daarom van toepassing. Krachtens artikel 3:40 Awb treedt een besluit pas in werking wanneer het is bekendgemaakt. Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9, vijfde lid, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet dan ook kunnen worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte is geschorst en dat het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte. Deze bekendmaking kan plaatsvinden door toezending of uitreiking van het besluit, maar het kan ook ‘op andere geschikte wijze’ gebeuren (artikel 3:41 Awb) (ECLI:NL:PHR:2024:418 en ECLI:NL:RVS:2022:243).
Blijkens vaste jurisprudentie hanteren de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt dat ingeval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van de verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Daarbij dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken (ECLI:NL:CRVB:2023:1739).
De politierechter stelt voorop dat het besluit is voorzien van de juiste adressering, te weten het destijds geldende BRP-adres van de verdachte. Het besluit is evenwel niet voorzien van een verzenddatum. Uit de stukken in het dossier blijkt evenmin dat het CBR de brief heeft verzonden en wanneer dat was. Dit betekent dat er geen gerechtvaardigd vermoeden is dat de verdachte de niet-aangetekende brief heeft ontvangen. Evenmin is gebleken dat het besluit ‘op andere geschikte wijze’ aan de verdachte is bekend gemaakt, als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Dat de verdachte op 28 januari 2023 door de politie op de hoogte is gebracht van de strekking van dit besluit, kan niet als zodanig gelden. De politierechter is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het besluit door middel van niet aangetekende verzending op 9 februari 2023 op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat indien een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, onderzocht moet worden of het stuk op regelmatige wijze aan het adres van de verdachte is aangeboden. Wanneer de postbezorger bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk voor rekening en risico van de belanghebbende (ECLI:NL:RVS:2023:162).
In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking met de aanduiding briefsoort: CBR en Nummer: 98-REL2002343209 (p. 3 en 4 van de CBR stukken).
Motivering
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten ten laste gelegd onder de parketnummers 96-019209-24 en 96-015784-24 gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken en om aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden op te leggen.
7.2.
Standpunt van de verdachte/de verdediging
De verdediging verzoekt de politierechter om aan de verdachte een voorwaardelijke straf of taakstraf op te leggen. Een langdurige gevangenisstraf is niet in het belang van de verdachte of de maatschappij. Artikel 63 is aan de orde. Een ontzegging van de rijbevoegdheid is niet nodig, omdat de verdachte bij een veroordeling in deze zaak een tweede strafpunt zal krijgen en zijn rijbewijs van rechtswege ongeldig zal worden.
7.3.
Oordeel van de politierechter
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte.
In het bijzonder heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van drugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloed. Dit brengt risico voor de verkeersveiligheid met zich. In het bloed van de verdachte is een gehalte aan cocaïne en morfine aangetroffen. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen voor zichzelf, maar ook voor andere weggebruikers een onverantwoord risico genomen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 augustus 2024 is de verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke misdrijven tot taakstraffen. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Het taakstrafverbod is van toepassing.
De politierechter acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.
8Vorderingen tot tenuitvoerlegging
8.1.
Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96-285065-20
Bij vonnis van 30 maart 2021 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van tweemaal een overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, een overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en een overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 6 mei 2021 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 13 april 2021 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog niet geëindigd.
De officier van justitie vordert thans dat de politierechter zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsman heeft erop gewezen dat deze voorwaardelijke straf bij vonnis met parketnummer 96-019058-24 reeds ten uitvoer is gelegd. Dat vonnis is thans nog niet onherroepelijk.
De politierechter heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De politierechter is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en de vordering nog niet bij een eerder onherroepelijk vonnis geheel is toegewezen.
8.2.
Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-213351-22
Bij vonnis van 25 augustus 2022 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 6 mei 2021 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 8 september 2022 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog niet geëindigd.
De officier van justitie vordert echter dat de politierechter de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen.
De politierechter heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De politierechter is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat zij deze in het licht van de bij dit vonnis op te leggen straf en de toewijzing van de vordering met parketnummer 96-285065-20 niet opportuun acht.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikel 9, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De politierechter:
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 96-019209-24 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 96-015784-24 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4. weergegeven.
Bepaalt dat het onder parketnummer 96-015784-24 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 [drie] weken.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder parketnummer 96-015784-24 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96-285065-20 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 maart 2021.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-213351-22.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.J. Riem, politierechter,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. B.W. Buurman en mr. L. Bottelier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2024.
De griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Politierechter
Parketnummers: 96.019209.24, 96-015784-24 (ttz gev) en 15-213351-22 (tul), 96-285065-20 (tul)
Uitspraakdatum: 24 september 2024
Tegenspraak (279 Sv)
Schriftelijk vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. van Troost en van wat de raadsman van de verdachte, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
96-015784-24:
hij op of omstreeks 12-12-2022 t/m 13-12-2022 te Den Helder een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of heroïne/morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 180 microgram cocaïne per liter bloed en/of 17 microgram morfine per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
96-019209-24:
hij op of omstreeks 9 februari 2023 te Alkmaar, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Pettemerstraat, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.
2Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze politierechter is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24.
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24
De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24. Het rijbewijs van verdachte is bij besluit van 20 januari 2023 geschorst. Dit besluit was op 9 februari 2023 van kracht. Hoewel het besluit voor 9 februari 2023 niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt, is het besluit wel aangetekend aan hem verzonden. Voorts is het besluit niet-aangetekend aan hem verzonden op 20 januari 2023. Op 28 januari 2023 is de verdachte staande gehouden en is door de politie aan hem medegedeeld dat zijn rijbewijs per 20 januari 2023 is geschorst.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24
De verdediging voert geen bewijsverweer ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24.
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24.
De verdediging heeft aangevoerd dat de schorsing van het rijbewijs van de verdachte op 9 februari 2023 niet van kracht was. De schorsing van het rijbewijs van verdachte door het CBR is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit besluit dient overeenkomstig de bepalingen in de Awb bekend gemaakt worden. Uit het dossier volgt niet dat het besluit aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Evenmin kan worden vastgesteld dat het besluit verdachte op andere wijze heeft bereikt. Er bevinden zich geen stukken van de (aangetekende) verzending in het dossier. De mededeling van de verbalisanten op 28 januari 2023 aan de verdachte dat zijn rijbewijs was geschorst, was voorbarig, aangezien het besluit toen nog niet was bekendgemaakt en daarom niet in werking was getreden.
3.3.
Beoordeling
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-015784-24
De politierechter komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de
volgende bewijsmiddelen.
I.
Een proces-verbaal rijden onder invloed. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als bevindingen van verbalisant [naam] d.d. 12 december 2022 (dig. blz. 4 - 6):
Op 12 december 2022 om 23.45 uur zag ik, [naam] dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, reed op de voor het verkeer openstaande weg, de Polderweg te Den Helder.
Ik verbalisant zag de bestuurder parkeren. Ik hoorde dat hij iets raakte. Ik sprak hem aan. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften heb ik, verbalisant, de bestuurder zijn voertuig op eerste vordering doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Met medewerking van de bestuurder heb ik hem de speekseltest afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen speekseltest. Als resultaat van deze test zag ik dat de speekseltest een indicatie aangaf voor de volgende stoffen: opiaten/morfine en cocaïne. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.
Ik nam de volgende kenmerken waar bij de bestuurder:
Uiterlijk Loopneus, herhaald gesnuif
Pupilgrootte Verkleinde pupil
Motoriek Onrustig gedrag/bewegingsdrang
Spraak Woordenvloed
Gedrag Te zelfverzekerd
Vervolgens werd de bestuurder als verdachte van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 aangehouden.
De verdachte gaf mij op te zijn genaamd [verdachte]
De opgegeven personalia werden door mij verbalisant geverifieerd aan de hand van zijn geldig rijbewijs.
De verdachte verleende toestemming tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.
Op 13 december 2022 om 00.55 uur heeft de arts de verdachte bloed afgenomen.
Ik heb de buisjes bloed overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en overeenkomstig de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer in de daartoe bestemde vriezer geplaatst.
Tevens heb ik het opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” met het nummer TACK2486NL.
Ik heb mij ervan vergewist dat de verzegelde verpakking overeenkomst het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden is naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.
II.
Een geschrift zijn een Rapport drugs in het verkeer, gedateerd 9 januari 2023, opgemaakt door dr. Cornelius Heβ (dig. blz. 18-20). Dit geschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
Bloedgever: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]
Onderzoeksmateriaal:
SIN nummer TACK2486NL Bloed van [verdachte]
Resultaten
Meetbare stof Grenswaarde bij combinatie gebruik Eindresultaat in bloed
(TACK2486NL)
Cocaïne 10 180 microgram per liter
Morfine 10 17 microgram per liter
Het geschrift onder II wordt voor het bewijs gebruikt in verband met de inhoud van het bewijsmiddel onder I.
3.3.2.
Vrijspraakoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 96-019209-24
Naar het oordeel van de politierechter is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte ten laste is gelegd onder parketnummer 96-019209-24. De politierechter overweegt hiertoe als volgt.
In het dossier bevindt zich een besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte van 20 januari 2023 met kenmerk REL/2002343209 (het besluit).
De verdediging heeft betwist dat het besluit op 9 februari 2023 in werking was.
De politierechter overweegt dat het besluit tot schorsing van de geldigheid van een rijbewijs van bestuursrechtelijke aard is. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is daarom van toepassing. Krachtens artikel 3:40 Awb treedt een besluit pas in werking wanneer het is bekendgemaakt. Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9, vijfde lid, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet dan ook kunnen worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte is geschorst en dat het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte. Deze bekendmaking kan plaatsvinden door toezending of uitreiking van het besluit, maar het kan ook ‘op andere geschikte wijze’ gebeuren (artikel 3:41 Awb) (ECLI:NL:PHR:2024:418 en ECLI:NL:RVS:2022:243).
Blijkens vaste jurisprudentie hanteren de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt dat ingeval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van de verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Daarbij dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken (ECLI:NL:CRVB:2023:1739).
De politierechter stelt voorop dat het besluit is voorzien van de juiste adressering, te weten het destijds geldende BRP-adres van de verdachte. Het besluit is evenwel niet voorzien van een verzenddatum. Uit de stukken in het dossier blijkt evenmin dat het CBR de brief heeft verzonden en wanneer dat was. Dit betekent dat er geen gerechtvaardigd vermoeden is dat de verdachte de niet-aangetekende brief heeft ontvangen. Evenmin is gebleken dat het besluit ‘op andere geschikte wijze’ aan de verdachte is bekend gemaakt, als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Dat de verdachte op 28 januari 2023 door de politie op de hoogte is gebracht van de strekking van dit besluit, kan niet als zodanig gelden. De politierechter is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het besluit door middel van niet aangetekende verzending op 9 februari 2023 op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat indien een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, onderzocht moet worden of het stuk op regelmatige wijze aan het adres van de verdachte is aangeboden. Wanneer de postbezorger bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk voor rekening en risico van de belanghebbende (ECLI:NL:RVS:2023:162).
In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking met de aanduiding briefsoort: CBR en Nummer: 98-REL2002343209 (p. 3 en 4 van de CBR stukken).
Motivering
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten ten laste gelegd onder de parketnummers 96-019209-24 en 96-015784-24 gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken en om aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden op te leggen.
7.2.
Standpunt van de verdachte/de verdediging
De verdediging verzoekt de politierechter om aan de verdachte een voorwaardelijke straf of taakstraf op te leggen. Een langdurige gevangenisstraf is niet in het belang van de verdachte of de maatschappij. Artikel 63 is aan de orde. Een ontzegging van de rijbevoegdheid is niet nodig, omdat de verdachte bij een veroordeling in deze zaak een tweede strafpunt zal krijgen en zijn rijbewijs van rechtswege ongeldig zal worden.
7.3.
Oordeel van de politierechter
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte.
In het bijzonder heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van drugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloed. Dit brengt risico voor de verkeersveiligheid met zich. In het bloed van de verdachte is een gehalte aan cocaïne en morfine aangetroffen. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen voor zichzelf, maar ook voor andere weggebruikers een onverantwoord risico genomen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 augustus 2024 is de verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke misdrijven tot taakstraffen. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Het taakstrafverbod is van toepassing.
De politierechter acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.
8Vorderingen tot tenuitvoerlegging
8.1.
Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96-285065-20
Bij vonnis van 30 maart 2021 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van tweemaal een overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, een overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en een overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 6 mei 2021 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 13 april 2021 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog niet geëindigd.
De officier van justitie vordert thans dat de politierechter zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsman heeft erop gewezen dat deze voorwaardelijke straf bij vonnis met parketnummer 96-019058-24 reeds ten uitvoer is gelegd. Dat vonnis is thans nog niet onherroepelijk.
De politierechter heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De politierechter is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en de vordering nog niet bij een eerder onherroepelijk vonnis geheel is toegewezen.
8.2.
Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-213351-22
Bij vonnis van 25 augustus 2022 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 6 mei 2021 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 8 september 2022 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog niet geëindigd.
De officier van justitie vordert echter dat de politierechter de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen.
De politierechter heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De politierechter is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat zij deze in het licht van de bij dit vonnis op te leggen straf en de toewijzing van de vordering met parketnummer 96-285065-20 niet opportuun acht.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikel 9, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De politierechter:
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 96-019209-24 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 96-015784-24 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4. weergegeven.
Bepaalt dat het onder parketnummer 96-015784-24 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 [drie] weken.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder parketnummer 96-015784-24 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96-285065-20 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 maart 2021.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-213351-22.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.J. Riem, politierechter,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. B.W. Buurman en mr. L. Bottelier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2024.
De griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Beoordeling
Hoewel alle brieven in het dossier van het CBR aan de verdachte het nummer 98-REL2002343209 dragen en de akte van uitreiking geen nadere specificering van de inhoud van de betreffende brief geeft, gaat de politierechter vanwege de data waarop blijkens deze akte van uitreiking is getracht die brief aan de verdachte uit te reiken ervan uit dat die brief het besluit betreft. Daarbij betrekt zij de aankondiging in het besluit dat het besluit ook persoonlijk aan de verdachte zal worden uitgereikt door een medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD).
De politierechter stelt op grond van voornoemde akte van uitreiking vast dat de IPKD op 26 januari, 2 februari en 7 februari 2023 heeft getracht het besluit uit te reiken op het destijds geldende BRP-adres van de verdachte. De medewerker van IPKD heeft op 7 februari 2023 een afhaalbericht achtergelaten. Volgens voornoemde jurisprudentie van de Afdeling is op dat moment het niet ophalen van het stuk voor rekening en risico van de belanghebbende, in dit geval de verdachte.
De politierechter is dan ook van oordeel dat uit de stukken kan worden afgeleid dat het CBR het besluit op 7 februari 2023 op de voorgeschreven wijze heeft bekend gemaakt als bedoeld in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Awb. De politierechter is voorts van oordeel dat het besluit ook op die datum in werking is getreden. De Awb stelt immers geen termijn voor de inwerkingtreding van een besluit tot schorsing van de geldigheid van een rijbewijs na de bekendmaking. De uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:243) waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het CBR bij de schorsing van de geldigheid van een rijbewijs een termijn moet bepalen, geldt voor de situatie dat het besluit enkel per post wordt toegezonden.
Voor een bewezenverklaring van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is voorts vereist dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst.
De verdachte ontkent dat hij op 9 februari 2023 wist dat zijn rijbewijs was geschorst. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte het besluit niet heeft afgehaald en dat de brief op 15 februari 2023 aan de afzender is teruggezonden. Ook overigens blijkt niet dat de verdachte na 7 februari 2023 heeft kennis genomen van het besluit. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat de mededeling van de verbalisanten op 28 januari 2023 aan de verdachte dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, ontijdig was, omdat het besluit destijds nog niet bekend was gemaakt en derhalve nog niet in werking was getreden. De verdachte heeft in dat verhoor ook geantwoord dat hij nooit een bericht had gekregen dat zijn rijbewijs was geschorst. Nu overigens niet is gebleken dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, zal de politierechter hem vrijspreken van het aan hem onder parketnummer 96-019209-24 ten laste gelegde.
4Bewezenverklaring
De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder parketnummer 96-015784-24 heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 12-12-2022 te Den Helder een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 180 microgram cocaïne per liter bloed en 17 microgram morfine per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
Hetgeen aan verdachte onder parketnummer 96-015784-24 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
Beoordeling
Hoewel alle brieven in het dossier van het CBR aan de verdachte het nummer 98-REL2002343209 dragen en de akte van uitreiking geen nadere specificering van de inhoud van de betreffende brief geeft, gaat de politierechter vanwege de data waarop blijkens deze akte van uitreiking is getracht die brief aan de verdachte uit te reiken ervan uit dat die brief het besluit betreft. Daarbij betrekt zij de aankondiging in het besluit dat het besluit ook persoonlijk aan de verdachte zal worden uitgereikt door een medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD).
De politierechter stelt op grond van voornoemde akte van uitreiking vast dat de IPKD op 26 januari, 2 februari en 7 februari 2023 heeft getracht het besluit uit te reiken op het destijds geldende BRP-adres van de verdachte. De medewerker van IPKD heeft op 7 februari 2023 een afhaalbericht achtergelaten. Volgens voornoemde jurisprudentie van de Afdeling is op dat moment het niet ophalen van het stuk voor rekening en risico van de belanghebbende, in dit geval de verdachte.
De politierechter is dan ook van oordeel dat uit de stukken kan worden afgeleid dat het CBR het besluit op 7 februari 2023 op de voorgeschreven wijze heeft bekend gemaakt als bedoeld in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Awb. De politierechter is voorts van oordeel dat het besluit ook op die datum in werking is getreden. De Awb stelt immers geen termijn voor de inwerkingtreding van een besluit tot schorsing van de geldigheid van een rijbewijs na de bekendmaking. De uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:243) waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het CBR bij de schorsing van de geldigheid van een rijbewijs een termijn moet bepalen, geldt voor de situatie dat het besluit enkel per post wordt toegezonden.
Voor een bewezenverklaring van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is voorts vereist dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst.
De verdachte ontkent dat hij op 9 februari 2023 wist dat zijn rijbewijs was geschorst. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte het besluit niet heeft afgehaald en dat de brief op 15 februari 2023 aan de afzender is teruggezonden. Ook overigens blijkt niet dat de verdachte na 7 februari 2023 heeft kennis genomen van het besluit. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat de mededeling van de verbalisanten op 28 januari 2023 aan de verdachte dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, ontijdig was, omdat het besluit destijds nog niet bekend was gemaakt en derhalve nog niet in werking was getreden. De verdachte heeft in dat verhoor ook geantwoord dat hij nooit een bericht had gekregen dat zijn rijbewijs was geschorst. Nu overigens niet is gebleken dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, zal de politierechter hem vrijspreken van het aan hem onder parketnummer 96-019209-24 ten laste gelegde.
4Bewezenverklaring
De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder parketnummer 96-015784-24 heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 12-12-2022 te Den Helder een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 180 microgram cocaïne per liter bloed en 17 microgram morfine per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
Hetgeen aan verdachte onder parketnummer 96-015784-24 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.