Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:14213
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,102 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4198
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Zaffier, verweerder
(gemachtigde: J.C. de Roos)
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 16 september 2022 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (PW) over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 ingetrokken.
1.2.
Met het besluit van 3 november 2022 heeft verweerder de te veel betaalde uitkering over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020, zijnde een bedrag van € 31.649,52, van eiser teruggevorderd.
1.3.
Met het bestreden besluit van 25 mei 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die besluiten gebleven.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde van verweerder en [naam] deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.
1.6
Naar aanleiding van de brief tot verlenging van de uitspraaktermijn, heeft de gemachtigde van eiser gereageerd met de mededeling dat hem geen zitting bekend was. Gebleken is dat de uitnodiging voor de zitting alleen per gewone post is verstuurd. Gemachtigde heeft de ontvangst ervan geloofwaardig ontkend. In deze omstandigheden heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
1.7
Het beroep is opnieuw op zitting behandeld op 26 november 2024. Hieraan hebben gemachtigden van partijen deelgenomen.
1.8
Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser ontving sinds 2014 bijstand naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van twijfels over de woonsituatie van eiser, die gevoed werden doordat een huisbezoek door eiser werd afgehouden, is verweerder een onderzoek gestart. Uit contact met een wijkagent kwam naar voren dat er mogelijk een strafrechtelijk onderzoek naar eiser gaande was. Uit navraag kwam naar voren dat de Koninklijke Marechaussee (KMar) bezig was met een groot onderzoek, waarin eiser betrokken was. In het kader van dat onderzoek is onder meer de telefoon van eiser afgeluisterd. Op 5 februari 2020 is een inval gedaan op het adres [adres] te [plaats] . Dit is het adres van de vriendin van eiser, [vriendin] (hierna: [vriendin] ). Tijdens de doorzoeking van de woning werden er veel merkgoederen, waaronder een grote hoeveelheid parfum, trainingspakken en sportschoenen aangetroffen en inbeslaggenomen. Eiser is op 17 juni 2020 in verband hiermee als verdachte verhoord door de KMar.
3. Op 30 oktober 2020 heeft de KMar verweerder de bestuurlijke rapportage van 17 juli 2020 gezonden. De KMar concludeert dat eiser met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de [adres] verblijft en zijn woning onderverhuurt, en daarnaast dat eiser en [vriendin] in de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 hebben gehandeld in nep-merkartikelen (kleding, schoenen, parfums). De KMar heeft in zijn rapportage van 8 september 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel hieruit berekend op € 224.312,-. Naar aanleiding van vragen van de sociale recherche heeft de KMar op 3 mei 2021 een aanvullende bestuurlijke rapportage gezonden. De sociale recherche heeft toestemming van de Officier van Justitie gekregen om de processen-verbaal van de KMar te gebruiken voor het onderzoek. In het kader van het rechtmatigheidsonderzoek heeft de sociale recherche eiser op 15 september 2021 gehoord. De sociale recherche heeft geconcludeerd dat sprake is van het verzwijgen van werkzaamheden / inkomsten in de handel van valse / vervalste merkartikelen, in ieder geval over de periode van 1 januari 2018 tot 5 februari 2020, en het verzwijgen van het hebben van het hoofdverblijf buiten de gemeente Dijk en Waard, waar eiser staat ingeschreven, over diezelfde periode.
4. Verweerder heeft op basis van de resultaten van de onderzoeken besloten zoals weergegeven onder de inleiding.
5. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser in de periode van 1 januari 2018 tot 5 februari 2020 heeft gehandeld in parfums en merkkleding en daarvan geen melding heeft gedaan (schending inlichtingenplicht). Omdat eiser zelf geen boekhouding heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand van eiser niet meer worden vastgesteld.
Standpunt eiser
6. Eiser voert aan dat hij in de periode vóór 1 oktober 2019 nooit een positief resultaat heeft behaald. Dat hij zou zijn begonnen met verkopen van kleding en parfums op 1 februari 2018 is feitelijk onjuist en niet gemotiveerd. De enige motivering die verweerder hiervoor geeft is dat de KMar onderzoek over die periode heeft gedaan, maar daaruit blijkt volgens eiser niks. Uit dat onderzoek blijkt volgens hem juist dat hij in die vroege periode niet heeft gehandeld in kleding en parfums. Verkopen door de vriendin van eiser in 2018 betroffen producten die zij had verkregen uit een erfenis. Van eigen handel in kleding of parfums waar eiser een aandeel in had in 2018 was geen sprake.
De inlichtingenplicht is in ieder geval vóór 1 oktober 2019 niet geschonden, aldus eiser. Eiser is in de loop der tijd zeer klein begonnen met verkopen. In de periode tot 1 oktober 2019 was er sowieso geen positief resultaat. Vanaf 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 was sprake van een positief resultaat. Eiser had dit moeten melden en was dit ook van plan, aangezien hij zich ook wilde inschrijven in de Kamer van Koophandel. Het verlies door de inbeslagname was groter dan de positieve opbrengst. Echter nu dit verlies in februari 2020 heeft plaatsgevonden was er in de periode van 1 oktober 2019 tot en met december 2019 wel sprake van verdiensten die eiser (eerder) had moeten melden en die (gedeeltelijk) op de bijstandsuitkering hadden moeten worden gekort. Vanaf 1 januari 2020 is sprake van een negatief resultaat.
Eiser voert verder nog aan dat, omdat de KMar de verkopen en inkopen van 1 oktober 2019 tot en met 5 februari 2020 in kaart heeft gebracht, een boekhouding wel voorhanden is. Uit het geheel van feiten blijkt dat eiser tot 1 oktober 2019 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat dit na 1 januari 2020 weer het geval was. Verweerder had het recht op bijstand kunnen vaststellen, aldus eiser.
Standpunt verweerder
7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de intrekkingsperiode aansluiting gezocht is bij het onderzoek door de KMar en het nader onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van eiser en [vriendin] door middel van de verkoop van valse dan wel vervalste goederen / merken. Daarbij blijkt uit bankgegevens van [vriendin] dat er een ontvangen bedrag van ruim € 60.000,- herleidbaar is naar de verkoop van parfum, schoenen en kleding. Uit WhatsAppgesprekken is gebleken dat eiser en [vriendin] minstens vanaf 1 januari 2018 actief zijn met de handel in nep-merkartikelen. Daarbij wijst verweerder onder andere op een WhatsAppgesprek van 24 januari 2018, waarin staat “er zijn weer nieuwe pakken binnen”. Van deze handel heeft eiser geen melding gemaakt bij verweerder. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze handel van invloed kon zijn op zijn uitkering.
Beoordeling
8. Intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen, in dit geval over de handelsactiviteiten van eiser.
Handel (in nep-merkartikelen) – vanaf 1 januari 2018?
9. De rechtbank stelt voorop dat op eiser als bijstandsgerechtigde de plicht rustte om alles wat van invloed zou kunnen zijn op het recht of de hoogte van de bijstand te melden. Voor zover eiser in de veronderstelling verkeerde dat hij alleen als hij winst zou maken dat moest melden is die veronderstelling onjuist. Ook werkzaamheden (zoals handelsactiviteiten) waarmee (nog) geen inkomsten worden gegenereerd moeten worden gemeld, omdat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en verweerder moet kunnen beoordelen of er nog een recht op bijstand bestaat.
10. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiser zich vanaf 10 september 2019 heeft beziggehouden met de handel in (nep merk-)kleding en -parfums en dat hij dat niet heeft gemeld bij verweerder. Daarmee staat vast dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.
11. Eiser betwist dat hij al vanaf januari 2018 handelde. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan die aannemelijk maken dat eiser (samen met [vriendin] ) in ieder geval vanaf 1 januari 2018 handelde in kleding. De rechtbank baseert dat op het volgende.
12. Het door verweerder aangehaalde WhatsAppbericht van 24 januari 2018 luidt als volgt:
“Hoi er zijn weer nieuwe pakken binnen de kosten daarvan zijn 40 euro en maten s tm xxl! En we verkopen nu ook Nike schoenen verschillende soorten en maten stuur bij interesse even je maat en dan kan ik je sturen wat ik heb Gr [vriendin] ”. Het valt op dat in het bericht gesproken wordt over “we”. De omstandigheid dat er wordt gesproken over “weer” duidt erop dat er al eerder gehandeld werd. Dat blijkt ook uit een eerder WhatsAppbericht van 13 juli 2017: “Hoi er zijn nieuwe damespakken binnen Adidas en Nike met strass. Pakken vallen klein dus kan ook voor kinderen prijs is 30 euro. Gr [vriendin] ”.
In het verhoor van 17 juni 2020 heeft eiser zich bij alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen, maar hij heeft – na overleg met zijn advocaat – wel het volgende verklaard: “Ik wil even aangeven. De verkoop van nepartikelen is volledig van mij. [vriendin] heeft nooit geld ontvangen daarvan. Alles is nep. Ik kreeg 5 euro per artikel. Ik deed dit naast mijn uitkering. Het instagramaccount 0224 is van mij. Ik ben er alleen niet zo handig in.” Eiser heeft deze verklaring ondertekend. Dat eiser met de verklaring in het verhoor op 17 juni 2020 zijn vriendin uit de wind wilde houden, geeft geen aanleiding om eiser niet aan die verklaring te houden.
De Whatsapp-berichten gelezen in samenhang met de verklaring van eiser leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen op dat (ook) eiser zich in ieder geval vanaf januari 2018 heeft beziggehouden met de handel in (nep merk-)artikelen.
13. De rechtbank acht de verklaring van eiser dat hij [vriendin] in 2018 zou hebben geholpen bij de verkoop van zaken uit een erfenis niet aannemelijk, gelet op de aangeboden artikelen. Verder heeft eiser dit eerst in beroep naar voren gebracht en daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven, terwijl dit gelet op zijn verklaring op 17 juni 2020 wel op zijn weg ligt. De stelling van de gemachtigde van eiser op de zitting van 26 november 2024 dat de erfenis eind 2017 / begin 2018 zou zijn opengevallen is daarvoor onvoldoende.
14. De omstandigheid dat de Officier van Justitie volgens eiser in de ontnemingszaak inmiddels uitgaat van een lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat wordt uitgegaan van verkopen die hebben plaatsgevonden in de periode van 10 september 2019 tot en met 5 februari 2020 maakt dit ook niet anders. Daarin ligt immers niet besloten dat in de periode daaraan voorafgaand geen sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting.
15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld dat hij in ieder geval vanaf januari 2018 handelde in (nep-merk-)artikelen. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige, dan wel aanvullende, bijstand zou hebben gehad.
16. Eiser is daarin niet geslaagd. Door het ontbreken van een deugdelijke boekhouding kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. De berekening die de KMar heeft verricht en waarnaar eiser verwijst, is bedoeld voor de strafrechtelijke procedure en ziet overigens slechts op een beperkte periode, zodat deze niet als basis voor een schatting over de hele (uitkerings)periode kan dienen. Bovendien kan dat niet worden gelijkgesteld met een deugdelijk bijgehouden boekhouding. Verweerder heeft het recht op bijstand daarom op goede gronden over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 ingetrokken.
Terugvordering
17. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 moet terugvorderen. Eiser heeft de juistheid van het berekende bedrag dat wordt teruggevorderd niet betwist. Eiser heeft ook geen redenen aangevoerd op grond waarvan de terugvordering gematigd zou moeten worden.
Redelijke termijn
18. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en heeft een schadevergoeding gevorderd vanwege overschrijding van die termijn.
19. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:RVS:2014:188) is de redelijke termijn in zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar duurt. De termijn vangt aan bij ontvangst van het bezwaarschrift. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dan moet worden beoordeeld of die heeft plaatsgevonden in de bestuurlijke fase en/of in de rechterlijke fase. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat daarvan geen sprake is geweest. Daarvoor is in beginsel een vergoeding van immateriële schade van € 500,00 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, gepast.
20. Tussen de start (ontvangst van het bezwaarschrift op 1 november 2022) en het einde van de termijn (deze uitspraak) is twee jaar en bijna twee maanden verstreken, zodat de termijnoverschrijding bijna twee maanden bedraagt. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,00.
21. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn aan de bestuurlijke fase onderscheidenlijk de rechterlijke fase bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wordt 1 punt toegekend met een waarde van € 875,- en wegingsfactor 0,5. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. De Staat en verweerder moeten ieder de helft van deze vergoeding van in totaal € 437,50 betalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed moeten worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 250,00;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 250,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzitter, en mr. L.M. de Vries en
mr. F.K. van Wijk, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4198
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Zaffier, verweerder
(gemachtigde: J.C. de Roos)
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 16 september 2022 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (PW) over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 ingetrokken.
1.2.
Met het besluit van 3 november 2022 heeft verweerder de te veel betaalde uitkering over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020, zijnde een bedrag van € 31.649,52, van eiser teruggevorderd.
1.3.
Met het bestreden besluit van 25 mei 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die besluiten gebleven.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde van verweerder en [naam] deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.
1.6
Naar aanleiding van de brief tot verlenging van de uitspraaktermijn, heeft de gemachtigde van eiser gereageerd met de mededeling dat hem geen zitting bekend was. Gebleken is dat de uitnodiging voor de zitting alleen per gewone post is verstuurd. Gemachtigde heeft de ontvangst ervan geloofwaardig ontkend. In deze omstandigheden heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
1.7
Het beroep is opnieuw op zitting behandeld op 26 november 2024. Hieraan hebben gemachtigden van partijen deelgenomen.
1.8
Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser ontving sinds 2014 bijstand naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van twijfels over de woonsituatie van eiser, die gevoed werden doordat een huisbezoek door eiser werd afgehouden, is verweerder een onderzoek gestart. Uit contact met een wijkagent kwam naar voren dat er mogelijk een strafrechtelijk onderzoek naar eiser gaande was. Uit navraag kwam naar voren dat de Koninklijke Marechaussee (KMar) bezig was met een groot onderzoek, waarin eiser betrokken was. In het kader van dat onderzoek is onder meer de telefoon van eiser afgeluisterd. Op 5 februari 2020 is een inval gedaan op het adres [adres] te [plaats] . Dit is het adres van de vriendin van eiser, [vriendin] (hierna: [vriendin] ). Tijdens de doorzoeking van de woning werden er veel merkgoederen, waaronder een grote hoeveelheid parfum, trainingspakken en sportschoenen aangetroffen en inbeslaggenomen. Eiser is op 17 juni 2020 in verband hiermee als verdachte verhoord door de KMar.
3. Op 30 oktober 2020 heeft de KMar verweerder de bestuurlijke rapportage van 17 juli 2020 gezonden. De KMar concludeert dat eiser met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de [adres] verblijft en zijn woning onderverhuurt, en daarnaast dat eiser en [vriendin] in de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 hebben gehandeld in nep-merkartikelen (kleding, schoenen, parfums). De KMar heeft in zijn rapportage van 8 september 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel hieruit berekend op € 224.312,-. Naar aanleiding van vragen van de sociale recherche heeft de KMar op 3 mei 2021 een aanvullende bestuurlijke rapportage gezonden. De sociale recherche heeft toestemming van de Officier van Justitie gekregen om de processen-verbaal van de KMar te gebruiken voor het onderzoek. In het kader van het rechtmatigheidsonderzoek heeft de sociale recherche eiser op 15 september 2021 gehoord. De sociale recherche heeft geconcludeerd dat sprake is van het verzwijgen van werkzaamheden / inkomsten in de handel van valse / vervalste merkartikelen, in ieder geval over de periode van 1 januari 2018 tot 5 februari 2020, en het verzwijgen van het hebben van het hoofdverblijf buiten de gemeente Dijk en Waard, waar eiser staat ingeschreven, over diezelfde periode.
4. Verweerder heeft op basis van de resultaten van de onderzoeken besloten zoals weergegeven onder de inleiding.
5. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser in de periode van 1 januari 2018 tot 5 februari 2020 heeft gehandeld in parfums en merkkleding en daarvan geen melding heeft gedaan (schending inlichtingenplicht). Omdat eiser zelf geen boekhouding heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand van eiser niet meer worden vastgesteld.
Standpunt eiser
6. Eiser voert aan dat hij in de periode vóór 1 oktober 2019 nooit een positief resultaat heeft behaald. Dat hij zou zijn begonnen met verkopen van kleding en parfums op 1 februari 2018 is feitelijk onjuist en niet gemotiveerd. De enige motivering die verweerder hiervoor geeft is dat de KMar onderzoek over die periode heeft gedaan, maar daaruit blijkt volgens eiser niks. Uit dat onderzoek blijkt volgens hem juist dat hij in die vroege periode niet heeft gehandeld in kleding en parfums. Verkopen door de vriendin van eiser in 2018 betroffen producten die zij had verkregen uit een erfenis. Van eigen handel in kleding of parfums waar eiser een aandeel in had in 2018 was geen sprake.
De inlichtingenplicht is in ieder geval vóór 1 oktober 2019 niet geschonden, aldus eiser. Eiser is in de loop der tijd zeer klein begonnen met verkopen. In de periode tot 1 oktober 2019 was er sowieso geen positief resultaat. Vanaf 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 was sprake van een positief resultaat. Eiser had dit moeten melden en was dit ook van plan, aangezien hij zich ook wilde inschrijven in de Kamer van Koophandel. Het verlies door de inbeslagname was groter dan de positieve opbrengst. Echter nu dit verlies in februari 2020 heeft plaatsgevonden was er in de periode van 1 oktober 2019 tot en met december 2019 wel sprake van verdiensten die eiser (eerder) had moeten melden en die (gedeeltelijk) op de bijstandsuitkering hadden moeten worden gekort. Vanaf 1 januari 2020 is sprake van een negatief resultaat.
Eiser voert verder nog aan dat, omdat de KMar de verkopen en inkopen van 1 oktober 2019 tot en met 5 februari 2020 in kaart heeft gebracht, een boekhouding wel voorhanden is. Uit het geheel van feiten blijkt dat eiser tot 1 oktober 2019 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat dit na 1 januari 2020 weer het geval was. Verweerder had het recht op bijstand kunnen vaststellen, aldus eiser.
Standpunt verweerder
7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de intrekkingsperiode aansluiting gezocht is bij het onderzoek door de KMar en het nader onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van eiser en [vriendin] door middel van de verkoop van valse dan wel vervalste goederen / merken. Daarbij blijkt uit bankgegevens van [vriendin] dat er een ontvangen bedrag van ruim € 60.000,- herleidbaar is naar de verkoop van parfum, schoenen en kleding. Uit WhatsAppgesprekken is gebleken dat eiser en [vriendin] minstens vanaf 1 januari 2018 actief zijn met de handel in nep-merkartikelen. Daarbij wijst verweerder onder andere op een WhatsAppgesprek van 24 januari 2018, waarin staat “er zijn weer nieuwe pakken binnen”. Van deze handel heeft eiser geen melding gemaakt bij verweerder. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze handel van invloed kon zijn op zijn uitkering.
Beoordeling
8. Intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen, in dit geval over de handelsactiviteiten van eiser.
Handel (in nep-merkartikelen) – vanaf 1 januari 2018?
9. De rechtbank stelt voorop dat op eiser als bijstandsgerechtigde de plicht rustte om alles wat van invloed zou kunnen zijn op het recht of de hoogte van de bijstand te melden. Voor zover eiser in de veronderstelling verkeerde dat hij alleen als hij winst zou maken dat moest melden is die veronderstelling onjuist. Ook werkzaamheden (zoals handelsactiviteiten) waarmee (nog) geen inkomsten worden gegenereerd moeten worden gemeld, omdat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en verweerder moet kunnen beoordelen of er nog een recht op bijstand bestaat.
10. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiser zich vanaf 10 september 2019 heeft beziggehouden met de handel in (nep merk-)kleding en -parfums en dat hij dat niet heeft gemeld bij verweerder. Daarmee staat vast dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.
11. Eiser betwist dat hij al vanaf januari 2018 handelde. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan die aannemelijk maken dat eiser (samen met [vriendin] ) in ieder geval vanaf 1 januari 2018 handelde in kleding. De rechtbank baseert dat op het volgende.
12. Het door verweerder aangehaalde WhatsAppbericht van 24 januari 2018 luidt als volgt:
“Hoi er zijn weer nieuwe pakken binnen de kosten daarvan zijn 40 euro en maten s tm xxl! En we verkopen nu ook Nike schoenen verschillende soorten en maten stuur bij interesse even je maat en dan kan ik je sturen wat ik heb Gr [vriendin] ”. Het valt op dat in het bericht gesproken wordt over “we”. De omstandigheid dat er wordt gesproken over “weer” duidt erop dat er al eerder gehandeld werd. Dat blijkt ook uit een eerder WhatsAppbericht van 13 juli 2017: “Hoi er zijn nieuwe damespakken binnen Adidas en Nike met strass. Pakken vallen klein dus kan ook voor kinderen prijs is 30 euro. Gr [vriendin] ”.
In het verhoor van 17 juni 2020 heeft eiser zich bij alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen, maar hij heeft – na overleg met zijn advocaat – wel het volgende verklaard: “Ik wil even aangeven. De verkoop van nepartikelen is volledig van mij. [vriendin] heeft nooit geld ontvangen daarvan. Alles is nep. Ik kreeg 5 euro per artikel. Ik deed dit naast mijn uitkering. Het instagramaccount 0224 is van mij. Ik ben er alleen niet zo handig in.” Eiser heeft deze verklaring ondertekend. Dat eiser met de verklaring in het verhoor op 17 juni 2020 zijn vriendin uit de wind wilde houden, geeft geen aanleiding om eiser niet aan die verklaring te houden.
De Whatsapp-berichten gelezen in samenhang met de verklaring van eiser leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen op dat (ook) eiser zich in ieder geval vanaf januari 2018 heeft beziggehouden met de handel in (nep merk-)artikelen.
13. De rechtbank acht de verklaring van eiser dat hij [vriendin] in 2018 zou hebben geholpen bij de verkoop van zaken uit een erfenis niet aannemelijk, gelet op de aangeboden artikelen. Verder heeft eiser dit eerst in beroep naar voren gebracht en daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven, terwijl dit gelet op zijn verklaring op 17 juni 2020 wel op zijn weg ligt. De stelling van de gemachtigde van eiser op de zitting van 26 november 2024 dat de erfenis eind 2017 / begin 2018 zou zijn opengevallen is daarvoor onvoldoende.
14. De omstandigheid dat de Officier van Justitie volgens eiser in de ontnemingszaak inmiddels uitgaat van een lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat wordt uitgegaan van verkopen die hebben plaatsgevonden in de periode van 10 september 2019 tot en met 5 februari 2020 maakt dit ook niet anders. Daarin ligt immers niet besloten dat in de periode daaraan voorafgaand geen sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting.
15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld dat hij in ieder geval vanaf januari 2018 handelde in (nep-merk-)artikelen. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige, dan wel aanvullende, bijstand zou hebben gehad.
16. Eiser is daarin niet geslaagd. Door het ontbreken van een deugdelijke boekhouding kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. De berekening die de KMar heeft verricht en waarnaar eiser verwijst, is bedoeld voor de strafrechtelijke procedure en ziet overigens slechts op een beperkte periode, zodat deze niet als basis voor een schatting over de hele (uitkerings)periode kan dienen. Bovendien kan dat niet worden gelijkgesteld met een deugdelijk bijgehouden boekhouding. Verweerder heeft het recht op bijstand daarom op goede gronden over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 ingetrokken.
Terugvordering
17. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 februari 2020 moet terugvorderen. Eiser heeft de juistheid van het berekende bedrag dat wordt teruggevorderd niet betwist. Eiser heeft ook geen redenen aangevoerd op grond waarvan de terugvordering gematigd zou moeten worden.
Redelijke termijn
18. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en heeft een schadevergoeding gevorderd vanwege overschrijding van die termijn.
19. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:RVS:2014:188) is de redelijke termijn in zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar duurt. De termijn vangt aan bij ontvangst van het bezwaarschrift. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dan moet worden beoordeeld of die heeft plaatsgevonden in de bestuurlijke fase en/of in de rechterlijke fase. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat daarvan geen sprake is geweest. Daarvoor is in beginsel een vergoeding van immateriële schade van € 500,00 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, gepast.
20. Tussen de start (ontvangst van het bezwaarschrift op 1 november 2022) en het einde van de termijn (deze uitspraak) is twee jaar en bijna twee maanden verstreken, zodat de termijnoverschrijding bijna twee maanden bedraagt. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,00.
21. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn aan de bestuurlijke fase onderscheidenlijk de rechterlijke fase bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wordt 1 punt toegekend met een waarde van € 875,- en wegingsfactor 0,5. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. De Staat en verweerder moeten ieder de helft van deze vergoeding van in totaal € 437,50 betalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed moeten worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 250,00;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 250,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzitter, en mr. L.M. de Vries en
mr. F.K. van Wijk, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.