Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-31
ECLI:NL:RBNHO:2024:14212
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
13,784 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4111
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M.M. Jacobs),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. J. den Ouden en mr. F.H. Kamminga).
Inleiding
1.1.
De korpschef van de Nationale Politie heeft het door eiser aangevraagde verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden met het besluit van 28 oktober 2021 afgewezen.
1.2.
Het daarop gevolgde besluit op het administratief beroep (zaaknummer 22/1779) van 8 maart 2022 is door de rechtbank op 24 maart 2023 vernietigd.
1.3.
Met het bestreden besluit van 7 juni 2023 op het administratief beroep van eiser heeft verweerder de afwijzing opnieuw gehandhaafd, met gewijzigde motivering.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Op 5 januari 2021 ontving de korpschef de aanvraag van eiser strekkende tot verlof voor het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden.
3. Op verzoek van de korpschef heeft eiser bij e-mail van 24 januari 2021 zijn aanvraag aangevuld met het aanvraagformulier, een kopie legitimatiebewijs en een WM32 inlichtingenformulier.
4. Bij brief van 10 februari 2021 is namens de Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont, hierna EdB, aan de korpschef medegedeeld dat de vereniging de aanvraag van eiser niet ondersteunt met een positief advies.
5. Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de korpschef de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser geen lidmaatschap van een door het ministerie erkende vereniging heeft aangeleverd. Bij brief van 12 augustus 2021 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 september 2021 heeft de korpschef het door eiser ingediende bezwaar aan verweerder doorgestuurd als administratief beroep. Daarbij heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat hij de aanvraag van eiser niet buiten behandeling had behoren te stellen, maar een afwijzend besluit op de aanvraag had moeten nemen vanwege het ontbreken van een redelijk belang als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder a, van de Wet Wapens en Munitie (hierna: Wwm) in samenhang met Bijzonder Deel (B), onder punt 3.1.1, ad. b, van de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: Cwm). Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de korpschef in die zin een nieuw besluit genomen ter vervanging van het besluit van 29 juli 2021.
6. Vervolgens is de procedure verlopen zoals weergegeven onder de inleiding.
Beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt de weigering om eiser een verlof te verlenen voor het verzamelen van wapens. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
9.1.
In artikel 28, eerste lid, van de Wwm is bepaald dat een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend wordt door de korpschef. In het tweede lid, aanhef, onder a, is bepaald dat een verlof wordt verleend indien een redelijk belang de verlening van het verlof vordert.
In de Cwm is in het Bijzonder Deel B onder 3.1.1, onder b, bepaald dat het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Verder zijn in de Cwm nadere voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan wil een individuele wapenverzamelaar in aanmerking komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III.
9.2.
Voor zover hier van belang gaat het om de voorwaarden genoemd in 3.1.1, onder d. de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars [waarvan de aanvrager lid is] en e. de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd. Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan een aantal elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed. Onder meer moet een verklaring worden ingebracht van de mentor die de aanvrager heeft begeleid.
Uitspraak rechtbank 24 maart 2023
10. In haar uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank het besluit van 8 maart 2022 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen. De vernietiging is gebaseerd op de volgende overwegingen:
“Uit het negatieve advies van het bestuur van EdB wordt namelijk niet duidelijk waarom het bestuur van EdB het positieve advies van de WM8-adviescommissie naast zich neer heeft gelegd. Het negatieve advies van het bestuur van EdB is verder niet nader onderbouwd met schriftelijke stukken, zoals bijvoorbeeld de verklaringen van de drie mentoren waarom zij geen positief advies af willen geven. Ook blijkt niet uit de brief van 10 februari 2020 (moet zijn: 2021) waarom er twijfels zijn gerezen over de vraag of eiser in georganiseerd verband een serieuze studie maakt van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Dit wringt des temeer omdat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de WM8-adviescommissie het verzamelplan heeft goedgekeurd. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om alvorens het bestreden besluit te nemen aan het bestuur van EdB een reactie te vragen op de stelling van eiser dat er wel een goedgekeurd verzamelplan lag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het advies van het bestuur van EdB niet voldoet aan eisen van zorgvuldigheid.”
“De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder er niet op heeft toegezien dat die eerder gestelde voorwaarde die hij in het bestreden besluit heeft laten vallen niet op ontoelaatbare wijze zijn invloed heeft gehad. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in de brief van 10 februari 2021 van het bestuur van EdB onder punt 5 het volgende staat:
“5. Wij hebben [eiser] ervaren als een gezellige man die uitstekend het gesprek kan openen bij mensen die hij voor het eerst ziet. Wij hebben met hem GEEN enkele gevaarzetting in de omgang met wapens meegemaakt of ooit gevreesd. Maar het is wel vast komen te staan dat eiser niet binnen onze vereniging past (cursief Rb). Met name rond het punt van de aanpak van een ‘Serieuze studie’.
Hiermee heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het bestuur van EdB het al dan niet lid worden van eiser heeft meegewogen in haar advies. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om alvorens het bestreden besluit te nemen het bestuur van EdB ook een reactie te vragen op het feit dat de voorwaarde van een lidmaatschap door hem niet meer wordt tegengeworpen. Dat verweerder dit heeft nagelaten acht de rechtbank onzorgvuldig.”
11. Naar aanleiding van de uitspraak heeft verweerder bij EdB nadere informatie opgevraagd. Die is ontvangen op 11 april 2023. Eiser heeft hierop (telefonisch) gereageerd op 11 mei 2023.
Bestreden besluit
12. In het bestreden besluit geeft verweerder aan dat het ontbreken van een lidmaatschap van een door verweerder erkende vereniging geen grondslag kan vormen voor het oordeel dat er geen sprake is van een redelijk belang dat nodig is voor het gevraagde verzamelverlof. Uitlatingen van EdB die zien op de geschiktheid van eiser als lid laat verweerder daarom dan ook buiten beschouwing.
Daar staat volgens verweerder tegenover dat slechts van een serieuze verzamelaar kan worden gesproken indien de aanvrager zich bezighoudt met het verzamelen van wapens, essentiële onderdelen of munitie voor historische culturele, wetenschappelijke, technische of educatieve doekeinden of uit erfgoedoverwegingen. Dat sprake is van verzamelen moet blijken uit een verzamelplan dat door een door verweerder erkende vereniging is goedgekeurd. Verweerder benadrukt dat het verlenen van een verzamelverlof een uitzondering vormt op het algemene verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. De goedkeuring van het verzamelplan maakt dat verweerder een redelijk belang kan aannemen en op een verantwoorde wijze wapenverzamelingen door individuele verzamelaars kan toestaan. Het oorspronkelijke verzamelplan is ook volgens EdB goedgekeurd, maar eiser heeft geen mentorverklaring gekregen en het bestuur heeft geen positief advies gegeven. Zoals ook in de circulaire is opgenomen heeft EdB een adviescommissie opgericht die aan de hand van een verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies. Als het verzamelplan is goedgekeurd door de commissie wil dat nog niet zeggen dat het bestuur het heeft goedgekeurd.
EdB heeft geen positief advies gegeven, omdat geen van de drie mentoren die eiser begeleid hebben bereid was een positieve verklaring over eiser af te leggen. Bij het bestuur van EdB zijn daardoor twijfels gerezen over de vraag of eiser daadwerkelijk een studie maakt van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Ook bleek het verzamelplan niet compleet. Er is namelijk na het positieve oordeel van de commissie geen mentorverklaring gevolgd.
Uit de door EdB overgelegde documenten heeft verweerder opgemaakt dat het ontbreken van de mentorverklaring gebaseerd is op het niet afronden van de door EdB aangeboden opleiding die wordt afgerond met een werkstuk. Volgens de begeleiders van eiser was hij niet in staat een serieus en wat inhoud betreft betrouwbaar werkstuk te schijven. Daarmee kan ook worden gezegd dat twijfels zijn gerezen over de activiteiten die eiser op het gebied van zijn specialisatie heeft ontplooid en daarmee in algemene zin voor wat betreft de serieusheid van zijn studie. Verweerder acht het redelijk dat EdB het afronden van een opleiding als vereiste stelt voor het kunnen afgeven van een positieve verklaring.
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt het griffierecht niet terug en er bestaat ook geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit - Kramer, voorzitter, en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet Wapens en Munitie
Artikel 28
1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.
2 Een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen sprake is van een redelijk belang, als bedoeld in onderdeel a.
3 Het belang met het oog waarop het verlof is verleend, wordt in het verlof omschreven.
4 Een verlof heeft een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt voldaan.
5 Indien de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, ingezetene is van een van de andere lid-staten van de Europese Gemeenschappen, doet Onze Minister mededeling aan die lid-staat van de verlening van een verlof als bedoeld in het eerste lid, wanneer het verlof betrekking heeft op wapens of munitie ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in die lid-staat aan een vergunning is onderworpen.
6 In afwijking van het eerste lid wordt een verlof niet verstrekt voor een vuurwapen als bedoeld in Categorie A, onderdeel 8, in bijlage I van de Richtlijn.
Circulaire Wapens en Munitie 2019
3.1.1. Categorie III vuurwapens
Met betrekking tot het verzamelen van vuurwapens die niet onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie vallen, geldt het volgende: Het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om:
a. verzamelingen van algemeen wetenschappelijk of historisch belang, zoals die worden gehouden door musea en soortgelijke instellingen (voor de inhoud van het begrip museum wordt verwezen naar onderdeel B 3.6.); en
b. verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Slechts personen die lid zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’, komen hiervoor in aanmerking.
Ad. a.
(…)
Ad. b.
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
a. de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
b. ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
c. de aanvrager dient lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’;
d. de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars waarvan de aanvrager lid is;
e. de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd;
3.1.3. Verzamelplan
Het houden van een verzameling van vuurwapens wordt slechts toegestaan aan individuele wapenverzamelaars indien zij in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens, die gericht is op het verkrijgen en vastleggen van informatie die relevant is voor een bredere kring van personen (zoals andere wapendeskundigen, overheidsfunctionarissen, wetenschappers, historici e.d.). Daarnaast kan ook het behouden (conserveren) van bijzondere wapen(s) (collecties) voor het nageslacht bijdragen aan de conclusie dat een individuele verzamelaar een redelijk belang heeft voor de verkrijging van een daartoe strekkend verlof en/of ontheffing.
Omdat in de praktijk gebleken is dat het erg lastig is om te beoordelen of er sprake is van een redelijk belang voor de verlening van een verlof en/of ontheffing ten behoeve van verzameldoeleinden is in overleg met de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’ besloten om op dit punt een belangrijker rol en verantwoordelijkheid, toe te kennen aan het bestuur van deze vereniging. Dit heeft onder meer geleid tot de oprichting van een adviescommissie die aan de hand van een door het aspirant-lid in te dienen verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies.
Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan de volgende elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed:
a. Het onderwerp, het verzamelgebied c.q. de specialisatie van de verzameling;
b. Het belang van de beoogde verzameling;
c. In hoeverre de beoogde verzameling bijdraagt aan de vermeerdering van de totale kennis in Nederland op het gebied van wapens;
d. Hoe de verzameling opgebouwd zal worden;
e. Of binnen de specialisatie ook wapens van categorie II vallen en zo ja, bij benadering hoeveel;
f. Welke activiteiten de aanvrager op het gebied van zijn specialisatie heeft ontplooid (indien mogelijk met bijgevoegde kopieën van eventueel geschreven tekstmateriaal);
g. Drie referenties, waarvan tenminste één van binnen en één van buiten de vereniging;
h. Een verklaring van de mentor die de aanvrager heeft begeleid;
i. De wijze waarop de wapens opgeslagen zullen worden en hoe de beveiliging is geregeld. De bergplaats of bergruimte dient te voldoen aan hetgeen gesteld is in onderdeel B 9 of aan de specifieke beveiligingseisen die eventueel zijn overeengekomen met de korpschef.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4111
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M.M. Jacobs),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. J. den Ouden en mr. F.H. Kamminga).
Inleiding
1.1.
De korpschef van de Nationale Politie heeft het door eiser aangevraagde verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden met het besluit van 28 oktober 2021 afgewezen.
1.2.
Het daarop gevolgde besluit op het administratief beroep (zaaknummer 22/1779) van 8 maart 2022 is door de rechtbank op 24 maart 2023 vernietigd.
1.3.
Met het bestreden besluit van 7 juni 2023 op het administratief beroep van eiser heeft verweerder de afwijzing opnieuw gehandhaafd, met gewijzigde motivering.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Op 5 januari 2021 ontving de korpschef de aanvraag van eiser strekkende tot verlof voor het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden.
3. Op verzoek van de korpschef heeft eiser bij e-mail van 24 januari 2021 zijn aanvraag aangevuld met het aanvraagformulier, een kopie legitimatiebewijs en een WM32 inlichtingenformulier.
4. Bij brief van 10 februari 2021 is namens de Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont, hierna EdB, aan de korpschef medegedeeld dat de vereniging de aanvraag van eiser niet ondersteunt met een positief advies.
5. Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de korpschef de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser geen lidmaatschap van een door het ministerie erkende vereniging heeft aangeleverd. Bij brief van 12 augustus 2021 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 september 2021 heeft de korpschef het door eiser ingediende bezwaar aan verweerder doorgestuurd als administratief beroep. Daarbij heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat hij de aanvraag van eiser niet buiten behandeling had behoren te stellen, maar een afwijzend besluit op de aanvraag had moeten nemen vanwege het ontbreken van een redelijk belang als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder a, van de Wet Wapens en Munitie (hierna: Wwm) in samenhang met Bijzonder Deel (B), onder punt 3.1.1, ad. b, van de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: Cwm). Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de korpschef in die zin een nieuw besluit genomen ter vervanging van het besluit van 29 juli 2021.
6. Vervolgens is de procedure verlopen zoals weergegeven onder de inleiding.
Beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt de weigering om eiser een verlof te verlenen voor het verzamelen van wapens. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
9.1.
In artikel 28, eerste lid, van de Wwm is bepaald dat een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend wordt door de korpschef. In het tweede lid, aanhef, onder a, is bepaald dat een verlof wordt verleend indien een redelijk belang de verlening van het verlof vordert.
In de Cwm is in het Bijzonder Deel B onder 3.1.1, onder b, bepaald dat het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Verder zijn in de Cwm nadere voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan wil een individuele wapenverzamelaar in aanmerking komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III.
9.2.
Voor zover hier van belang gaat het om de voorwaarden genoemd in 3.1.1, onder d. de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars [waarvan de aanvrager lid is] en e. de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd. Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan een aantal elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed. Onder meer moet een verklaring worden ingebracht van de mentor die de aanvrager heeft begeleid.
Uitspraak rechtbank 24 maart 2023
10. In haar uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank het besluit van 8 maart 2022 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen. De vernietiging is gebaseerd op de volgende overwegingen:
“Uit het negatieve advies van het bestuur van EdB wordt namelijk niet duidelijk waarom het bestuur van EdB het positieve advies van de WM8-adviescommissie naast zich neer heeft gelegd. Het negatieve advies van het bestuur van EdB is verder niet nader onderbouwd met schriftelijke stukken, zoals bijvoorbeeld de verklaringen van de drie mentoren waarom zij geen positief advies af willen geven. Ook blijkt niet uit de brief van 10 februari 2020 (moet zijn: 2021) waarom er twijfels zijn gerezen over de vraag of eiser in georganiseerd verband een serieuze studie maakt van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Dit wringt des temeer omdat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de WM8-adviescommissie het verzamelplan heeft goedgekeurd. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om alvorens het bestreden besluit te nemen aan het bestuur van EdB een reactie te vragen op de stelling van eiser dat er wel een goedgekeurd verzamelplan lag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het advies van het bestuur van EdB niet voldoet aan eisen van zorgvuldigheid.”
“De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder er niet op heeft toegezien dat die eerder gestelde voorwaarde die hij in het bestreden besluit heeft laten vallen niet op ontoelaatbare wijze zijn invloed heeft gehad. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in de brief van 10 februari 2021 van het bestuur van EdB onder punt 5 het volgende staat:
“5. Wij hebben [eiser] ervaren als een gezellige man die uitstekend het gesprek kan openen bij mensen die hij voor het eerst ziet. Wij hebben met hem GEEN enkele gevaarzetting in de omgang met wapens meegemaakt of ooit gevreesd. Maar het is wel vast komen te staan dat eiser niet binnen onze vereniging past (cursief Rb). Met name rond het punt van de aanpak van een ‘Serieuze studie’.
Hiermee heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het bestuur van EdB het al dan niet lid worden van eiser heeft meegewogen in haar advies. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om alvorens het bestreden besluit te nemen het bestuur van EdB ook een reactie te vragen op het feit dat de voorwaarde van een lidmaatschap door hem niet meer wordt tegengeworpen. Dat verweerder dit heeft nagelaten acht de rechtbank onzorgvuldig.”
11. Naar aanleiding van de uitspraak heeft verweerder bij EdB nadere informatie opgevraagd. Die is ontvangen op 11 april 2023. Eiser heeft hierop (telefonisch) gereageerd op 11 mei 2023.
Bestreden besluit
12. In het bestreden besluit geeft verweerder aan dat het ontbreken van een lidmaatschap van een door verweerder erkende vereniging geen grondslag kan vormen voor het oordeel dat er geen sprake is van een redelijk belang dat nodig is voor het gevraagde verzamelverlof. Uitlatingen van EdB die zien op de geschiktheid van eiser als lid laat verweerder daarom dan ook buiten beschouwing.
Daar staat volgens verweerder tegenover dat slechts van een serieuze verzamelaar kan worden gesproken indien de aanvrager zich bezighoudt met het verzamelen van wapens, essentiële onderdelen of munitie voor historische culturele, wetenschappelijke, technische of educatieve doekeinden of uit erfgoedoverwegingen. Dat sprake is van verzamelen moet blijken uit een verzamelplan dat door een door verweerder erkende vereniging is goedgekeurd. Verweerder benadrukt dat het verlenen van een verzamelverlof een uitzondering vormt op het algemene verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. De goedkeuring van het verzamelplan maakt dat verweerder een redelijk belang kan aannemen en op een verantwoorde wijze wapenverzamelingen door individuele verzamelaars kan toestaan. Het oorspronkelijke verzamelplan is ook volgens EdB goedgekeurd, maar eiser heeft geen mentorverklaring gekregen en het bestuur heeft geen positief advies gegeven. Zoals ook in de circulaire is opgenomen heeft EdB een adviescommissie opgericht die aan de hand van een verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies. Als het verzamelplan is goedgekeurd door de commissie wil dat nog niet zeggen dat het bestuur het heeft goedgekeurd.
EdB heeft geen positief advies gegeven, omdat geen van de drie mentoren die eiser begeleid hebben bereid was een positieve verklaring over eiser af te leggen. Bij het bestuur van EdB zijn daardoor twijfels gerezen over de vraag of eiser daadwerkelijk een studie maakt van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Ook bleek het verzamelplan niet compleet. Er is namelijk na het positieve oordeel van de commissie geen mentorverklaring gevolgd.
Uit de door EdB overgelegde documenten heeft verweerder opgemaakt dat het ontbreken van de mentorverklaring gebaseerd is op het niet afronden van de door EdB aangeboden opleiding die wordt afgerond met een werkstuk. Volgens de begeleiders van eiser was hij niet in staat een serieus en wat inhoud betreft betrouwbaar werkstuk te schijven. Daarmee kan ook worden gezegd dat twijfels zijn gerezen over de activiteiten die eiser op het gebied van zijn specialisatie heeft ontplooid en daarmee in algemene zin voor wat betreft de serieusheid van zijn studie. Verweerder acht het redelijk dat EdB het afronden van een opleiding als vereiste stelt voor het kunnen afgeven van een positieve verklaring.
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt het griffierecht niet terug en er bestaat ook geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit - Kramer, voorzitter, en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet Wapens en Munitie
Artikel 28
1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.
2 Een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen sprake is van een redelijk belang, als bedoeld in onderdeel a.
3 Het belang met het oog waarop het verlof is verleend, wordt in het verlof omschreven.
4 Een verlof heeft een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt voldaan.
5 Indien de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, ingezetene is van een van de andere lid-staten van de Europese Gemeenschappen, doet Onze Minister mededeling aan die lid-staat van de verlening van een verlof als bedoeld in het eerste lid, wanneer het verlof betrekking heeft op wapens of munitie ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in die lid-staat aan een vergunning is onderworpen.
6 In afwijking van het eerste lid wordt een verlof niet verstrekt voor een vuurwapen als bedoeld in Categorie A, onderdeel 8, in bijlage I van de Richtlijn.
Circulaire Wapens en Munitie 2019
3.1.1. Categorie III vuurwapens
Met betrekking tot het verzamelen van vuurwapens die niet onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie vallen, geldt het volgende: Het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om:
a. verzamelingen van algemeen wetenschappelijk of historisch belang, zoals die worden gehouden door musea en soortgelijke instellingen (voor de inhoud van het begrip museum wordt verwezen naar onderdeel B 3.6.); en
b. verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Slechts personen die lid zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’, komen hiervoor in aanmerking.
Ad. a.
(…)
Ad. b.
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
a. de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
b. ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
c. de aanvrager dient lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’;
d. de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars waarvan de aanvrager lid is;
e. de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd;
3.1.3. Verzamelplan
Het houden van een verzameling van vuurwapens wordt slechts toegestaan aan individuele wapenverzamelaars indien zij in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens, die gericht is op het verkrijgen en vastleggen van informatie die relevant is voor een bredere kring van personen (zoals andere wapendeskundigen, overheidsfunctionarissen, wetenschappers, historici e.d.). Daarnaast kan ook het behouden (conserveren) van bijzondere wapen(s) (collecties) voor het nageslacht bijdragen aan de conclusie dat een individuele verzamelaar een redelijk belang heeft voor de verkrijging van een daartoe strekkend verlof en/of ontheffing.
Omdat in de praktijk gebleken is dat het erg lastig is om te beoordelen of er sprake is van een redelijk belang voor de verlening van een verlof en/of ontheffing ten behoeve van verzameldoeleinden is in overleg met de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’ besloten om op dit punt een belangrijker rol en verantwoordelijkheid, toe te kennen aan het bestuur van deze vereniging. Dit heeft onder meer geleid tot de oprichting van een adviescommissie die aan de hand van een door het aspirant-lid in te dienen verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies.
Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan de volgende elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed:
a. Het onderwerp, het verzamelgebied c.q. de specialisatie van de verzameling;
b. Het belang van de beoogde verzameling;
c. In hoeverre de beoogde verzameling bijdraagt aan de vermeerdering van de totale kennis in Nederland op het gebied van wapens;
d. Hoe de verzameling opgebouwd zal worden;
e. Of binnen de specialisatie ook wapens van categorie II vallen en zo ja, bij benadering hoeveel;
f. Welke activiteiten de aanvrager op het gebied van zijn specialisatie heeft ontplooid (indien mogelijk met bijgevoegde kopieën van eventueel geschreven tekstmateriaal);
g. Drie referenties, waarvan tenminste één van binnen en één van buiten de vereniging;
h. Een verklaring van de mentor die de aanvrager heeft begeleid;
i. De wijze waarop de wapens opgeslagen zullen worden en hoe de beveiliging is geregeld. De bergplaats of bergruimte dient te voldoen aan hetgeen gesteld is in onderdeel B 9 of aan de specifieke beveiligingseisen die eventueel zijn overeengekomen met de korpschef.
Beoordeling
De bijeenkomsten en begeleiding naar een eindwerkstuk faciliteert beoogde verlofhouders om op serieuze wijze te verzamelen, de mentorverklaring kan dan ook zien op de aangeboden opleiding of het werkstuk en zo een beeld geven van de houding en serieuze studie van aanvragers van een verzamelverlof. Het ontbreken van de mentorverklaring vanwege een werkstuk van onvoldoende kwaliteit en onvoldoende betrouwbaarheid kon in het geval van eiser in redelijkheid in de weg staan aan een positief advies door het bestuur van EdB. De kritiek van EdB lijkt niet alleen te zien op de schrijfvaardigheid, maar ook op de betrouwbaarheid van de stellingen en bronnen van eiser. Verweerder neemt daarbij in overweging dat eiser meerdere mentoren en kansen heeft gehad om aan de door EdB gestelde norm te voldoen.
Beroepsgronden
13. Eiser voert aan dat het advies van EdB ondeugdelijk is en daarom niet had mogen worden gebruikt. Eiser stelt dat hij een goedgekeurd verzamelplan heeft. Eiser stelt dat zijn verzamelplan is goedgekeurd door een door de overheid erkende vereniging behoudens een mentorverklaring. Volgens eiser zal EdB die nooit voor een niet-lid afgeven. Ook is de toetsing van EdB of eiser een serieuze studie maakt op ondeugdelijke gronden in twijfel getrokken. Eiser stelt dat hij zich wel degelijk als een serieus verzamelaar zal gaan gedragen. Eiser uit verder zijn teleurstelling dat hij meerdere malen heeft geprobeerd om er met de minister uit te komen, maar elke keer wordt een volgend punt gevonden dat niet is besproken. Ook wordt volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn dyslexie. Dat betekent nog niet dat eiser onvoldoende kennis heeft of dat hij niet serieus onderzoek zou kunnen doen. Verder heeft eiser een nadere toelichting gegeven op zijn dyslexie, waaruit volgens hem ook volgt dat hij een ander denkpatroon heeft dat niet bij EdB kon worden aangevuld. Ter zitting heeft eiser verder nog aangevoerd dat het bij EdB ontbreekt aan de juiste kennis over zijn onderwerp, zodat EdB niet in staat is zijn werkstuk op zijn merites te beoordelen.
Verweerschrift
14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen redelijk belang is dat de verlening van het gevraagde verzamelverlof vordert, omdat bij EdB twijfels bestaan over de serieusheid van de studie van eiser en de mentorverklaring ontbreekt. Verweerder wijst er hierbij op dat het maken van spelfouten niet in de weg mag staan bij de beoordeling van een verzamelplan, maar dat EdB van mening is dat eiser niet in staat is om een serieus en qua inhoud betrouwbaar werkstuk te schrijven en in te leveren. Verder is EdB van mening dat de houding en het gedrag van eiser tijdens het schrijfproces als niet betrouwbaar werden aangemerkt. Eiser lijkt in algemene zin over onvoldoende kennis te beschikken en heeft de stellingen ten aanzien van zijn studie onvoldoende kunnen onderbouwen. Verder zijn er aan eiser meerdere mogelijkheden voor verbetering aangeboden. Volgens verweerder schiet het verzamelplan tekort. Uit het geheel maakt verweerder ook niet op dat sprake is van een voldoende serieuze studie en daarmee een redelijk belang bij het verzamelverlof. Het overgelegde verzamelplan en de overige stukken kunnen een dergelijk conclusie niet staven. De erkende vereniging (in dit geval: EdB) moet in staat zijn kandidaten te beoordelen op de eis dat er een serieuze studie wordt gemaakt naar de wapens die onderzocht worden en bewaakt deze (Cwm onderdeel B/3.7.1). Verweerder acht het daarom redelijk dat de vereniging het afronden van een opleiding als vereiste stelt voor het kunnen afgeven van een positieve verklaring.
Oordeel rechtbank
15. De rechtbank stelt voorop dat de verlening van een verzamelaarsverlof een uitzondering is op het algehele verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Voor het verlenen van een dergelijk verlof mogen daarom hoge eisen worden gesteld aan de aanvrager. De rechtbank stelt verder vast dat met de bepalingen in onder B/3.1.1 onder b van de Cwm invulling is gegeven aan het begrip ‘redelijk belang’ als bedoeld in artikel 28 van de Wwm in het geval het verlof aangevraagd wordt voor het voorhanden hebben van wapens (categorie III) voor verzamelaarsdoeleinden. In de Cwm is uiteengezet dat ervoor is gekozen om erkende wapenverzamelaarsverenigingen een belangrijke adviesrol toe te bedelen, omdat daar de vereiste kennis aanwezig is. Deze wijze van invulling gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het verplichte lidmaatschap van een erkende wapenverzamelaarsvereniging niet (meer) wordt tegengeworpen aan aanvragers van een verzamelaarsverlof.
16. Niet in geschil is dat het bestuur van EdB geen positief advies heeft afgegeven. Evenmin is in geschil dat er bij het verzamelplan geen verklaring is van een mentor die eiser heeft begeleid. Daarmee is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een verzamelaarsverlof zoals omschreven in de Cwm. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat verweerder niet heeft mogen afgaan op het (ontbreken van een positief) advies van EdB.
17. De rechtbank ziet zich gelet daarop gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zich (thans wel) heeft kunnen baseren op de advisering door EdB. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
18. Naar aanleiding van het verzoek van verweerder om nadere informatie heeft EdB bij brief van 11 april 2023 de procedure, zoals die bij EdB wordt gevolgd om te komen tot een advies over een wapenverzamelaar in spe, nader toegelicht. Kort samengevat eist de EdB van de kandidaat dat hij een cursus volgt en door middel van een werkstuk aantoont dat hij voldoet aan de eisen die in de Cwm vermeld staan. De kandidaat wordt daarbij door mentoren begeleid. Met de verklaring geeft de mentor volgens EdB (onder meer) aan dat de kandidaat een serieuze deelnemer aan de opleiding was, en een serieus en betrouwbaar verslag (werkstuk) schreef over een door hem uitgevoerd onderzoek.
19. Uit de verslaglegging van de (eerste) mentor (aangeduid met nummer 265) van eiser komt naar voren dat eiser op 14 juli 2019 zijn eerste werk heeft ingeleverd en dat daarover op 26 augustus 2019 een gesprek met de mentor heeft plaatsgevonden. In dat gesprek is gesproken over verkeerd gebruik van natuurkundige grootheden, incorrecte formules, verkeerd gebruikte/niet-bestaande vaktaal etc. Volgens de mentor kan eiser door gebrek aan kennis en kunde onmogelijk het door hem gewenste ballistisch onderzoek uitvoeren. Eiser heeft volgens het verslag ingestemd met het voorstel van de mentor om te stoppen met dit ballistisch onderzoek en in plaats daarvan een literatuuronderzoek te starten. Op 8 oktober 2019 heeft eiser een gewijzigd werkstuk ingeleverd, maar dat is blijkens het verslag nog hetzelfde als het eerste. Het wordt afgekeurd omdat het volgens de mentor vol staat met incorrecte wapentechnische termen, verkeerde benamingen van onderdelen van vuurwapens en munitie, incorrecte berekeningen, verkeerd gebruik van formules en grootheden, grammaticale fouten en niet lopende zinnen, het is inconsistent en er is geen samenhang in het verhaal. Vanaf 3 november 2019 wordt eiser (op zijn eigen verzoek) door andere mentoren begeleid. Op 27 december 2019 heeft eiser een tweede werkstuk (met een nieuw onderwerp) aan zijn mentoren, [naam 1] en [naam 2] , gestuurd. Hoewel [naam 1] van mening was dat het werkstuk voldoende was, meende [naam 2] dat dat nog niet het geval was. [naam 2] heeft vervolgens in samenspraak met [naam 1] de begeleiding van eiser overgenomen en heeft daarbij [naam 3] betrokken. In het kader van deze begeleiding heeft een gesprek bij eiser thuis plaatsgevonden op 11 februari 2020, nadat [naam 2] een uitgebreide beoordeling van het werkstuk aan eiser had gezonden.
Beoordeling
De bijeenkomsten en begeleiding naar een eindwerkstuk faciliteert beoogde verlofhouders om op serieuze wijze te verzamelen, de mentorverklaring kan dan ook zien op de aangeboden opleiding of het werkstuk en zo een beeld geven van de houding en serieuze studie van aanvragers van een verzamelverlof. Het ontbreken van de mentorverklaring vanwege een werkstuk van onvoldoende kwaliteit en onvoldoende betrouwbaarheid kon in het geval van eiser in redelijkheid in de weg staan aan een positief advies door het bestuur van EdB. De kritiek van EdB lijkt niet alleen te zien op de schrijfvaardigheid, maar ook op de betrouwbaarheid van de stellingen en bronnen van eiser. Verweerder neemt daarbij in overweging dat eiser meerdere mentoren en kansen heeft gehad om aan de door EdB gestelde norm te voldoen.
Beroepsgronden
13. Eiser voert aan dat het advies van EdB ondeugdelijk is en daarom niet had mogen worden gebruikt. Eiser stelt dat hij een goedgekeurd verzamelplan heeft. Eiser stelt dat zijn verzamelplan is goedgekeurd door een door de overheid erkende vereniging behoudens een mentorverklaring. Volgens eiser zal EdB die nooit voor een niet-lid afgeven. Ook is de toetsing van EdB of eiser een serieuze studie maakt op ondeugdelijke gronden in twijfel getrokken. Eiser stelt dat hij zich wel degelijk als een serieus verzamelaar zal gaan gedragen. Eiser uit verder zijn teleurstelling dat hij meerdere malen heeft geprobeerd om er met de minister uit te komen, maar elke keer wordt een volgend punt gevonden dat niet is besproken. Ook wordt volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn dyslexie. Dat betekent nog niet dat eiser onvoldoende kennis heeft of dat hij niet serieus onderzoek zou kunnen doen. Verder heeft eiser een nadere toelichting gegeven op zijn dyslexie, waaruit volgens hem ook volgt dat hij een ander denkpatroon heeft dat niet bij EdB kon worden aangevuld. Ter zitting heeft eiser verder nog aangevoerd dat het bij EdB ontbreekt aan de juiste kennis over zijn onderwerp, zodat EdB niet in staat is zijn werkstuk op zijn merites te beoordelen.
Verweerschrift
14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen redelijk belang is dat de verlening van het gevraagde verzamelverlof vordert, omdat bij EdB twijfels bestaan over de serieusheid van de studie van eiser en de mentorverklaring ontbreekt. Verweerder wijst er hierbij op dat het maken van spelfouten niet in de weg mag staan bij de beoordeling van een verzamelplan, maar dat EdB van mening is dat eiser niet in staat is om een serieus en qua inhoud betrouwbaar werkstuk te schrijven en in te leveren. Verder is EdB van mening dat de houding en het gedrag van eiser tijdens het schrijfproces als niet betrouwbaar werden aangemerkt. Eiser lijkt in algemene zin over onvoldoende kennis te beschikken en heeft de stellingen ten aanzien van zijn studie onvoldoende kunnen onderbouwen. Verder zijn er aan eiser meerdere mogelijkheden voor verbetering aangeboden. Volgens verweerder schiet het verzamelplan tekort. Uit het geheel maakt verweerder ook niet op dat sprake is van een voldoende serieuze studie en daarmee een redelijk belang bij het verzamelverlof. Het overgelegde verzamelplan en de overige stukken kunnen een dergelijk conclusie niet staven. De erkende vereniging (in dit geval: EdB) moet in staat zijn kandidaten te beoordelen op de eis dat er een serieuze studie wordt gemaakt naar de wapens die onderzocht worden en bewaakt deze (Cwm onderdeel B/3.7.1). Verweerder acht het daarom redelijk dat de vereniging het afronden van een opleiding als vereiste stelt voor het kunnen afgeven van een positieve verklaring.
Oordeel rechtbank
15. De rechtbank stelt voorop dat de verlening van een verzamelaarsverlof een uitzondering is op het algehele verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Voor het verlenen van een dergelijk verlof mogen daarom hoge eisen worden gesteld aan de aanvrager. De rechtbank stelt verder vast dat met de bepalingen in onder B/3.1.1 onder b van de Cwm invulling is gegeven aan het begrip ‘redelijk belang’ als bedoeld in artikel 28 van de Wwm in het geval het verlof aangevraagd wordt voor het voorhanden hebben van wapens (categorie III) voor verzamelaarsdoeleinden. In de Cwm is uiteengezet dat ervoor is gekozen om erkende wapenverzamelaarsverenigingen een belangrijke adviesrol toe te bedelen, omdat daar de vereiste kennis aanwezig is. Deze wijze van invulling gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het verplichte lidmaatschap van een erkende wapenverzamelaarsvereniging niet (meer) wordt tegengeworpen aan aanvragers van een verzamelaarsverlof.
16. Niet in geschil is dat het bestuur van EdB geen positief advies heeft afgegeven. Evenmin is in geschil dat er bij het verzamelplan geen verklaring is van een mentor die eiser heeft begeleid. Daarmee is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een verzamelaarsverlof zoals omschreven in de Cwm. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat verweerder niet heeft mogen afgaan op het (ontbreken van een positief) advies van EdB.
17. De rechtbank ziet zich gelet daarop gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zich (thans wel) heeft kunnen baseren op de advisering door EdB. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
18. Naar aanleiding van het verzoek van verweerder om nadere informatie heeft EdB bij brief van 11 april 2023 de procedure, zoals die bij EdB wordt gevolgd om te komen tot een advies over een wapenverzamelaar in spe, nader toegelicht. Kort samengevat eist de EdB van de kandidaat dat hij een cursus volgt en door middel van een werkstuk aantoont dat hij voldoet aan de eisen die in de Cwm vermeld staan. De kandidaat wordt daarbij door mentoren begeleid. Met de verklaring geeft de mentor volgens EdB (onder meer) aan dat de kandidaat een serieuze deelnemer aan de opleiding was, en een serieus en betrouwbaar verslag (werkstuk) schreef over een door hem uitgevoerd onderzoek.
19. Uit de verslaglegging van de (eerste) mentor (aangeduid met nummer 265) van eiser komt naar voren dat eiser op 14 juli 2019 zijn eerste werk heeft ingeleverd en dat daarover op 26 augustus 2019 een gesprek met de mentor heeft plaatsgevonden. In dat gesprek is gesproken over verkeerd gebruik van natuurkundige grootheden, incorrecte formules, verkeerd gebruikte/niet-bestaande vaktaal etc. Volgens de mentor kan eiser door gebrek aan kennis en kunde onmogelijk het door hem gewenste ballistisch onderzoek uitvoeren. Eiser heeft volgens het verslag ingestemd met het voorstel van de mentor om te stoppen met dit ballistisch onderzoek en in plaats daarvan een literatuuronderzoek te starten. Op 8 oktober 2019 heeft eiser een gewijzigd werkstuk ingeleverd, maar dat is blijkens het verslag nog hetzelfde als het eerste. Het wordt afgekeurd omdat het volgens de mentor vol staat met incorrecte wapentechnische termen, verkeerde benamingen van onderdelen van vuurwapens en munitie, incorrecte berekeningen, verkeerd gebruik van formules en grootheden, grammaticale fouten en niet lopende zinnen, het is inconsistent en er is geen samenhang in het verhaal. Vanaf 3 november 2019 wordt eiser (op zijn eigen verzoek) door andere mentoren begeleid. Op 27 december 2019 heeft eiser een tweede werkstuk (met een nieuw onderwerp) aan zijn mentoren, [naam 1] en [naam 2] , gestuurd. Hoewel [naam 1] van mening was dat het werkstuk voldoende was, meende [naam 2] dat dat nog niet het geval was. [naam 2] heeft vervolgens in samenspraak met [naam 1] de begeleiding van eiser overgenomen en heeft daarbij [naam 3] betrokken. In het kader van deze begeleiding heeft een gesprek bij eiser thuis plaatsgevonden op 11 februari 2020, nadat [naam 2] een uitgebreide beoordeling van het werkstuk aan eiser had gezonden.