Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-14
ECLI:NL:RBNHO:2024:14196
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,159 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 10992497 \ CV EXPL 24-601
Vonnis van 14 november 2024
in de zaak van
[eiseres]
, te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.A. Noordam (ARAG Rechtsbijstand),
tegen
de besloten vennootschap Het Twickelerveld B.V., te Middenbeemster,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Het Twickelerveld,
gemachtigde: mr. J.M.P. Verkaart.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer betaling van overuren en verschillende vergoedingen. De vordering ten aanzien van de overuren wordt afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever geen loon hoeft te betalen over de gestelde overuren, omdat geen sprake is van gewerkte uren, maar van reistijd voor woon-werkverkeer. De vordering ten aanzien van resterende verlofuren wordt ook afgewezen. De vordering wordt wel toegewezen wat betreft een zogenoemde hondenvergoeding en vakantietoeslag, omdat de werknemer daarop aanspraak heeft. Ook een vordering tot betaling en afdracht van pensioenpremie wordt toegewezen. Een tegenvordering van de werkgever wordt afgewezen.
Procesverloop
1.1.
[eiseres] heeft Het Twickelerveld op 8 maart 2024 gedagvaard. Het Twickelerveld heeft op 16 mei 2024 schriftelijk geantwoord en een tegenvordering ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2024, waar partijen zijn verschenen met hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunt naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] met een brief van 1 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de tegenvordering en nog stukken toegestuurd.
Feiten
2.1.
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1986, is met ingang van 2 januari 2022 in dienst getreden bij Het Twickelerveld als instructeur/speurhondengeleider, op basis van een fulltime
dienstverband (152 uur), met een gemiddelde arbeidsduur van 38 uur per week en tegen een
basissalaris van inmiddels € 2.671,00 bruto per maand.
2.2.
In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is de CAO Particuliere Beveiliging van toepassing verklaard (hierna: de CAO).
2.3.
De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 31 december 2023 door het aflopen van de bepaalde tijd.
2.4.
Met een e-mail van 14 december 2023 is Het Twickelerveld namens [eiseres] aangemaand om over te gaan tot betaling van een hondenvergoeding, overuren, pensioenpremie en verlofuren. In een brief van 18 januari 2024 is namens Het Twickelerveld meegedeeld dat de vorderingen worden afgewezen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert dat Het Twickelerveld wordt veroordeeld tot betaling van een hondenvergoeding van € 6.527,89 netto, een bedrag van € 29.869,07 bruto aan overuren een bedrag van € 9.664,05 netto aan pensioenpremie, € 1.121,30 bruto aan verlofuren en een bedrag van € 1.794,94 bruto aan vakantiegeld. Verder vordert [eiseres] wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op de betreffende bedragen.
3.2.
Het Twickelerveld voert verweer en stelt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Het Twickelerveld voert daartoe aan – samengevat – dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op de uitbetaling van de vermeende overuren, hondenvergoeding en pensioenpremies, en dat Het Twickelerveld niets meer aan haar verschuldigd is. De tegenvordering van Het Twickelerveld komt erop neer dat [eiseres] moet worden veroordeeld tot betaling van een boete van € 10.000,00 wegens schending van het geheimhoudingsbeding van de arbeidsovereenkomst, en tot terugbetaling van vergoedingen. Ook zijn voorwaardelijke tegenvorderingen ingediend.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak met name om de vraag of Het Twickelerveld moet worden veroordeeld tot betaling van overuren, hondenvergoeding, pensioenpremie, verlofuren en vakantiegeld.
de overuren
4.2.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] wat betreft overuren af. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
Uit de dagvaarding en de toelichting van [eiseres] op de zitting blijkt dat de vordering van overuren gebaseerd is op de stelling van [eiseres] dat de tijd die zij vanuit huis moet reizen naar een werklocatie als werktijd moet worden aangemerkt. Voor die stelling is echter geen steun te vinden in de wet, de arbeidsovereenkomst of de CAO.
4.4.
Volgens de Arbeidstijdenwet (en de Arbeidstijdenrichtlijn) moet onder werktijd worden verstaan de tijd dat de werknemer onder gezag van de werkgever arbeid verricht, dan wel de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent. Uitgaande daarvan is reistijd dus geen werktijd, en kan reistijd ook niet worden aangemerkt als overuren waarvoor loon moet worden betaald.
4.5.
Ook uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst of de CAO blijkt niet dat reistijd als werktijd moet worden aangemerkt en dat daarvoor loon moet worden betaald. In artikel 5 van die arbeidsovereenkomst staat dat het salaris ‘exclusief reisuren- en hondenvergoeding’ is, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat is overeengekomen dat reistijd wordt betaald als werktijd. Dat is overigens ook een ongebruikelijke afspraak. [eiseres] heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat is overeengekomen dat reistijd als werktijd wordt betaald. De enkele stelling in de dagvaarding dat reistijd als werktijd geldt en niet als woon-werkverkeer, schiet tekort.
4.6.
Het Twickelerveld heeft wel erkend dat door haar toenmalige directeur met [eiseres] bij indiensttreding is afgesproken dat aan [eiseres] een netto toelage zou worden betaald als compensatie voor het bovengemiddelde aantal reisuren en het onregelmatige karakter van het werk, te weten € 493,11 netto per periode van (destijds) vier weken. Ter ondersteuning daarvan heeft Het Twickelerveld een schriftelijke verklaring van de toenmalige directeur overgelegd. Daarnaast werd aan [eiseres] een dienstauto met tankpas ter beschikking gesteld. Die toelage is in de arbeidsovereenkomst benoemd als ‘onregelmatigheidstoelage’ en op de salarisspecificaties als ‘consignatievergoeding’. Deze stelling van Het Twickelerveld is niet, althans onvoldoende weersproken door [eiseres] en ook is niet betwist de verklaring van de directeur dat [eiseres] deze afspraak nooit ter discussie heeft gesteld. Ook uit deze feiten en omstandigheden volgt dat er geen afspraak is dat de (volledige) reistijd van [eiseres] als werktijd heeft te gelden en dat die reistijd als overuren zouden moeten worden betaald.
4.7.
De kantonrechter overweegt nog dat uit de door Het Twickelerveld overgelegde dienstroosters van 2022 en 2023 volgt dat [eiseres] in die jaren feitelijk minder heeft gewerkt dat haar contractuele uren, waardoor over 2022 sprake is van 797,35 min-uren en over 2023 794,85 min-uren, terwijl [eiseres] wel het volledige salaris heeft ontvangen over haar contractuele uren. Ook hieruit volgt dat er geen basis is voor een aanspraak op betaling van overuren.
de hondenvergoeding
4.8.
De door [eiseres] gevorderde hondenvergoeding is deels toewijsbaar, om de volgende reden.
4.9.
Op grond van artikel 51 van de CAO kan een werknemer aanspraak maken op twee verschillende hondenvergoedingen. Artikel 51 lid 1 van de CAO regelt het recht op een vergoeding als de werknemer met de hond een beveiligingsdienst uitvoert. Artikel 51 lid 2 van de CAO geeft aanspraak op een vergoeding voor alle kosten die een werknemer voor de hond maakt, zoals de aanschaf van de hond, huisvesting, voer, dierenarts, verzorgingsmiddelen, trainingsmateriaal en lidmaatschappen.
4.10.
De stelling van Het Twickelerveld dat zij per 1 januari 2023 met instemming van het personeel ‘uit de CAO is gestapt’ en deze CAO heeft ‘losgelaten’, kan niet afdoen aan de aanspraken van [eiseres] op grond van de CAO. Het Twickelerveld heeft immers ook erkend dat zij uitdrukkelijk heeft toegezegd dat na het ‘loslaten’ van de CAO de arbeidsvoorwaarden gelijk zouden blijven, dat alleen de betalingsperiode werd aangepast van vier weken naar een maand, en dat er verder niets zou veranderen. Dat betekent dat [eiseres] ook na 1 januari 2023 aanspraak kan blijven maken op de hondenvergoeding van de CAO.
4.11.
Vast staat [eiseres] met verschillende honden heeft gewerkt, die zijn ingezet als speurhonden voor het opsporen van explosieven en drugs. [eiseres] heeft er zelf ook op gewezen dat de door haar gebruikte honden zijn getraind als explosieven- of drugshond.
4.12.
Het Twickelerveld heeft terecht gesteld dat [eiseres] geen aanspraak heeft op de hondenvergoeding van artikel 51 lid 1 van de CAO, omdat die vergoeding alleen geldt als de werknemer met een hond een beveiligingsdienst uitvoert. [eiseres] heeft uitsluitend gewerkt met honden die zijn ingezet en getraind voor het opsporen van explosieven en drugs, niet voor beveiligingswerkzaamheden. [eiseres] heeft dus geen recht op de hondenvergoeding van artikel 51 lid 1 van de CAO.
4.13.
De stelling van [eiseres] dat haar werkzaamheden met de explosieven- of drugshonden gelijkgesteld moeten met beveiligingswerk, gaat niet op. In de CAO wordt op tal van plaatsen verwezen naar de begrippen in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Het ligt daarom voor de hand om voor het begrip ‘beveiligingswerk’ aan te sluiten bij die wet. Volgens artikel 1, onder c, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus moet onder ‘beveiligingswerkzaamheden’ worden verstaan het bewaken van de veiligheid van personen en goederen of het waken tegen verstoring van de orde en rust op terreinen en in gebouwen. Dergelijke werkzaamheden heeft [eiseres] niet uitgevoerd met de honden. Overigens blijkt uit de door Het Twicke-lerveld overgelegde brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 5 december 2022 dat Het Twickelerveld ook geen vergunning heeft verkregen voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden. Het Twickelerveld mag dus ook geen beveiligingswerkzaamheden laten doen door haar werknemers, al dan niet met honden.
4.14.
[eiseres] heeft wel recht op de hondenvergoeding van artikel 51 lid 2 van de CAO. Partijen zijn het daar ook over eens. Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiseres] recht heeft op een vergoeding voor twee honden, zoals Het Twickelerveld stelt, of op een vergoeding voor vier honden, zoals [eiseres] zegt.
4.15.
[eiseres] heeft in de stukken en op de zitting toegelicht dat zij steeds met ten minste vier honden heeft gewerkt, en dat één daarvan aan haarzelf toebehoorde. [eiseres] heeft die toelichting op de zitting gemotiveerd en uitgelegd wat de feitelijke gang van zaken was. Zij is ook ingegaan op de stelling van Het Twickelerveld dat de inzet van meerdere honden niet nodig was. [eiseres] heeft uiteengezet dat de inzet van meerdere honden nodig was op grote locaties en dat de inzet van meerdere honden steeds op verzoek van de toenmalige leiding van Het Twickelerveld heeft plaatsgevonden. Die toelichting en uitleg is door Het Twickelerveld onvoldoende weersproken en weerlegd, en de kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van [eiseres] .
Beoordeling
5.1.
De vordering van Het Twickelerveld om [eiseres] te veroordelen tot terugbetaling van hondenvoer en hondenvergoeding wordt afgewezen, onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen over de aanspraak van [eiseres] op betaling van hondenvergoeding.
5.2.
De vordering ten aanzien van een boete van € 10.000,00 vanwege een gestelde schending van het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst wordt ook afgewezen.
Volgens Het Twickelerveld heeft [eiseres] tijdens haar werkzaamheden bij een klant van Het Twickelerveld vertrouwelijke bedrijfsinformatie gedeeld met een (voormalig) medewer-ker van die klant, te weten gegevens over certificeringen van personeel en honden, en gegevens over een voornemen van de klant om een langdurig contract aan te gaan met Het Twickelerveld. Echter, uit de door [eiseres] overgelegde schriftelijke verklaring van die medewerker blijkt dat [eiseres] alleen informatie heeft gegeven over de certificering van honden, nadat daarover een concrete vraag was gesteld. Zoals [eiseres] op de zitting heeft toegelicht, is dit een gerechtvaardigde vraag en is de informatie daarover geen bedrijfsgeheim. Het Twickelerveld heeft daartegenover onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat niettemin sprake is geweest van een schending van het geheimhoudingsbeding.
5.3.
Het Twickelerveld heeft nog een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld, voor het geval aan [eiseres] enig bedrag aan gevorderde reisuren of overuren wordt toegekend. De voorwaarde voor die tegenvordering is niet vervuld, omdat de vordering ten aanzien van reis- en overuren is afgewezen. De kantonrechter hoeft dus niet te beslissen op deze voorwaardelijke tegenvordering.
5.4.
De kantonrechter zal bepalen dat Het Twickelerveld de proceskosten (inclusief de nakosten) van [eiseres] moet betalen, omdat Het Twickelerveld ongelijk krijgt. De proceskosten worden aan de kant van [eiseres] begroot op € 406,00 aan salaris gemachtigde en
€ 135,00 aan nakosten, te vermeerderen met de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
ten aanzien van de vordering
6.1.
veroordeelt Het Twickelerveld om aan [eiseres] te betalen € 4.405,55 netto aan hondenvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum verzuim tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt Het Twickelerveld om aan [eiseres] te betalen € 1.794,94 bruto aan vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum verzuim tot de dag van volledige betaling, en te vermeerderen met de wettelijke verhoging tot een maximum van 20%;
6.3.
veroordeelt Het Twickelerveld om ten behoeve van de pensioenregeling van [eiseres] aan SBPB en ASR te betalen en af te dragen de pensioenpremies tot een bedrag van € 9.664,15, waarop in mindering kan worden gebracht de bedragen waarvan blijkt dat die door Het Twickelerveld feitelijk al zijn betaald en afgedragen;
6.4.
veroordeelt Het Twickelerveld om aan [eiseres] te betalen € 1.129,71 aan buitengerechtelijke kosten;
6.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen;
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst de vordering voor het overige af;
ten aanzien van de tegenvordering
6.8.
wijst de vordering van Het Twickelerveld af;
6.9.
veroordeelt Het Twickelerveld tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiseres] worden vastgesteld op € 541,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Het Twickelerveld niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024.
Art. 1:7 aanhef en onder k, van de Arbeidstijdenwet.
Beoordeling
Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat Het Twickelerveld kennelijk geen enkele vorm van registratie van de inzet van de honden en de werkzaamheden bijhoudt, en dat komt voor haar rekening en risico.
4.16.
Volgens artikel 51 lid 2 van de CAO bedraagt de hondenvergoeding € 139,17 netto per loonperiode van vier weken als een werknemer eigenaar is van de hond, en € 83,50 netto per loonperiode als de werkgever eigenaar is van de hond. Over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 had [eiseres] dus recht op een vergoeding van in totaal € 9.741,75 netto (1 hond x € 139,17 x 25 loonperiodes + 3 honden x € 83,50 x 25 loonperiodes). Blijkens de salarisspecificaties is feitelijk aan hondenvergoeding betaald een bedrag van € 5.336,20 netto (13 x € 220 + 12 x € 206,35). Dat betekent dat Het Twickelerveld nog moet betalen een bedrag van € 4.405,55 netto (€ 9.741,75 -/- € 5.336,20).
4.17.
Voor zover [eiseres] ook nog aanspraak maakt op een aparte kostenvergoeding voor haar eigen hond, kan zij daarin niet worden gevolgd, omdat voor een dergelijke aanspraak geen steun is te vinden in de stukken, de arbeidsovereenkomst en de CAO.
4.18.
Het Twickelerveld zal dus worden veroordeeld tot betaling van € 4.405,55 netto aan hondenvergoeding. De gevorderde wettelijke rente is ook toewijsbaar, omdat Het Twickelerveld te laat betaalt. De wettelijke verhoging is niet toewijsbaar, omdat het gaat om een onkostenvergoeding en niet om loon.
de verlofuren
4.19.
De vordering van [eiseres] ten aanzien van 100 resterende verlofuren wordt afgewezen.
4.20.
Het Twickelerveld heeft gesteld dat [eiseres] al haar opgebouwde vakantie-uren heeft opgenomen in de periode van 28 november 2023 tot aan 31 december 2023, en dat er overigens nog een verrekening kan plaatsvinden met het hiervoor genoemde aantal min-uren. Die stelling is onvoldoende betwist door [eiseres] en de kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van Het Twickelerveld. Daarbij weegt mee wat hiervoor onder 4.2 tot 4.7 is overwogen over de gewerkte uren.
4.21.
De enkele verwijzing door [eiseres] naar een positief saldo aan vakantie-uren op de salarisspecificatie van december 2023 schiet tekort, omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat die specificatie onjuist is, zoals Het Twickelerveld heeft gesteld. Het aantal opgebouwde en opgenomen vakantie-uren op die specificatie is onlogisch en daarbij is ook (nog) geen rekening gehouden met de mogelijkheid van verrekening van min-uren.
de vakantietoeslag
4.22.
De gevorderde vakantietoeslag van € 1.794,94 bruto kan worden toegewezen, omdat Het Twickelerveld erkent dat zij dit bedrag nog moet betalen. Het beroep op verrekening van Het Twickelerveld wordt verworpen, onder verwijzing naar wat hierna over de tegenvordering wordt overwogen.
4.23.
Ook hier is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%, omdat niet is gebleken van kwade opzet.
de pensioenpremie
4.24.
[eiseres] vordert dat Het Twickelerveld wordt veroordeeld tot betaling van de pensioenpremie, wat betreft de werknemersbijdrage in totaal € 4.870,25 netto en aan werkgeverbijdrage € 7.305,38 netto, in totaal € 12.175,63. Die vordering wordt deels toegewezen, zoals hierna wordt toegelicht.
4.25.
Het Twickelerveld heeft erkend dat zij op basis van een pensioenovereenkomst ten behoeve van een pensioenregeling voor [eiseres] pensioenpremies moet betalen en afdragen aan twee pensioenuitvoerders, in 2022 aan SPBD en in 2023 aan ASR. Volgens Het Twickelerveld zijn over het jaar 2022 alle werknemerspremies en werkgeverspremies correct afgedragen en is er over het jaar 2023 een ‘inhaalbetaling’ gedaan.
4.26.
Niet in geschil is dat Het Twickelerveld over 2022 per vier weken een pensioenpremie moest betalen en afdragen aan de pensioenuitvoerder ter hoogte van € 202,85 aan werknemersbijdrage en € 304,28 aan werkgeversbijdrage, en in 2023 respectievelijk € 186,10 aan werknemersbijdrage en € 279,15 aan werkgeversbijdrage. Dat is in totaal over 2022 en 2023 een bedrag van € 12.175,69 (13 x (€ 202,85 + € 304,28) + 12 x (€ 186,10 + € 279,15)).
4.27.
[eiseres] heeft erkend dat Het Twickelerveld inmiddels aan pensioenpremies heeft betaald en afgedragen een bedrag van € 298,00 en € 2.213,54, in totaal € 2.511,54. Daarvan uitgaande zou dus nog moeten worden betaald en afgedragen een bedrag van € 9.664,15(€ 12.175,69 -/- € 2.511,54).
4.28.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [eiseres] gegevens overgelegd van de pensioenuitvoerders, waaruit de opbouw van het pensioen en de afgedragen pensioenpremies blijken.
4.29.
Volgens Het Twickelerveld zijn de pensioenpremies al betaald en overgemaakt aan SBPB en ASR. Maar Het Twickelerveld heeft geen gegevens overgelegd waaruit dat blijkt. De stelling van Het Twickelerveld dat alleen [eiseres] zelf inzage heeft in die betalingen en afdracht treft geen doel. Het Twickelerveld beschikt immers over gegevens waaruit blijkt wat er door haar is betaald en afgedragen aan SPBD en ASR, zoals door Het Twickelerveld op de zitting ook is erkend. Het is aan Het Twickelerveld om die betaling te bewijzen, en dus ook om de betaling te onderbouwen. De kantonrechter zal Het Twickelerveld geen gelegenheid meer geven tot bewijslevering, omdat zij daartoe al voldoende mogelijkheden heeft gehad.
4.30.
De kantonrechter zal Het Twickelerveld dus veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag aan pensioenpremies van € 9.664,15. Het Twickelerveld zal worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [eiseres] , zoals gevorderd, maar kennelijk gaat ook [eiseres] ervan uit dat de betaling en afdracht van de pensioenpremies uiteindelijk moet plaatsvinden aan SPBD en ASR, ten behoeve van de pensioenregeling van [eiseres] . De kantonrechter gaat er daarom van uit dat Het Twickelerveld ook aan deze veroordeling kan voldoen door de pensioenpremies te betalen en af te dragen aan SPBD en ASR, mits dit wordt aangetoond aan [eiseres] . Daarbij zal worden bepaald dat op die veroordeling in mindering kunnen komen bedragen waarvan blijkt dat die door Het Twickelerveld feitelijk al zijn betaald en afgedragen. De gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging is niet toewijsbaar, omdat onvoldoende is gesteld en gebleken dat daarvoor een grondslag bestaat.
buitengerechtelijke kosten
4.31.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen worden toegewezen, omdat voldoende is gebleken van buitengerechtelijke werkzaamheden die een vergoeding daarvoor rechtvaardigen. Die kosten zullen worden bepaald op basis van de betalingen waartoe Het Twickelerveld wordt veroordeeld en aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
4.32.
Dat leidt ertoe dat Het Twickelerveld wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.129,71 aan buitengerechtelijke kosten.
klachtplicht
4.33.
Het Twickelerveld heeft als verweer nog naar voren gebracht dat de vorderingen ten aanzien van de hondenvergoeding, de vakantietoeslag en de pensioenpremie moeten worden afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht, doordat zij niet tijdig heeft geprotesteerd tegen het ‘loslaten’ van de CAO en de ‘administratieve aanpassingen’ van de arbeidsvoorwaarden.
4.34.
Dit beroep op de klachtplicht gaat niet op.