Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-21
ECLI:NL:RBNHO:2024:14194
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,668 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10823080 \ CV EXPL 23-3965
Uitspraakdatum: 21 november 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser
procederend in persoon
tegen
1de besloten vennootschap Global State Management B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Oostzaan
2.de besloten vennootschap Global State Holding B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Oostzaan
3.de besloten vennootschap Beijen Bergen Beheer B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Bergen
4. [gedaagde sub 4]
wonende te [woonplaats]
gedaagden
gemachtigde: mr. G.J.B. van Toor.
De zaak in het kort
Eiser vordert terugbetaling van zijn participatie en een door hem verstrekte lening voor een vastgoedproject in Spanje. De vordering ten aanzien van de participatie wordt afgewezen, omdat deze is verjaard. Voor de lening is eerder vonnis gewezen waarbij de vordering wegens verjaring is afgewezen. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis en wordt niet-ontvankelijk verklaard voor dit onderdeel van de vordering. Het verzoek van gedaagden om eiser te veroordelen in de werkelijke dan wel begrote of gematigde proceskosten wordt afgewezen gelet op de terughoudendheid bij de beoordeling van een dergelijk verzoek.
1Het procesverloop
1.1.
Verwezen wordt naar het vonnis van 15 februari 2024.
1.2.
Naar aanleiding van dit vonnis heeft eiser op 7 maart 2024 een akte genomen en zijn vordering gemaximeerd.
1.3.
Op 25 september 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Eiser en gedaagden hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft eiser bij brief van 13 september 2024 nog stukken toegezonden.
Feiten
2.1.
Eiser heeft op 4 februari 2003 een maatschapsovereenkomst gesloten met de maatschap E-stone Sierra de Altea met het doel om een aantal villa’s te realiseren nabij Altea aan de Costa Blanca in Spanje en deze met winst te verkopen (hierna: het project). Eiser heeft een bedrag van € 15.000,00 in de maatschap ingebracht (hierna: de participatie).
2.2.
Op 18 maart 2008 heeft eiser, om het project te redden, een bedrag van € 5.000,00 aan Sierra de Altea B.V. geleend (hierna: Sierra de Altea en de lening).
2.3.
Bij dagvaarding van 22 november 2022 heeft eiser een vordering ingesteld tegen de inmiddels ontbonden vennootschap Sierra de Altea en gedaagden voor de terugbetaling van de lening. Bij vonnis van 22 juni 2023 heeft de kantonrechter eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering jegens Sierra de Altea en de vordering voor het overige afgewezen (hierna ook: het eerdere vonnis). Eiser is niet in hoger beroep gegaan.
3De vordering
3.1.
Eiser vordert – bij dagvaarding – dat de kantonrechter gedaagden veroordeelt tot betaling van € 20.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2009 en de incassokosten, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten. Voormeld bedrag bestaat uit € 15.000,00 aan de participatie, uit € 5.000,00 aan de lening en € 600,00 aan rente over de periode 2008/2009. Bij akte heeft eiser zijn vordering gemaximeerd tot € 25.000,00.
3.2.
Eiser legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat sprake is van zowel een wanprestatie als van een onrechtmatige daad. Nagenoeg de gehele duur van het project is aantoonbaar onbehoorlijk bestuur gevoerd in de betrokken en gelieerde vennootschappen. Er is op wezenlijke en kritieke momenten onzorgvuldig, nalatig en ontijdig gehandeld en er zijn foutieve besluiten genomen. Gedaagden hebben ook in ernstige mate hun zorgplicht geschonden. Er kan gedaagden een ernstig verwijt worden gemaakt en zij zijn aansprakelijk voor de vermogensschade die voor eiser is ontstaan.
4Het verweer
4.1.
Gedaagden betwisten de vordering. Zij voeren aan – samengevat – dat eiser niet-ontvankelijk is voor zover de vordering is gebaseerd op de lening en de daarover verschuldigde rente. Er is in het eerdere vonnis al geoordeeld dat de lening is verjaard en het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Verder voeren gedaagden aan dat de vordering ruimschoots is verjaard. Eiser was op 26 januari 2010, althans op 27 juni 2014 bekend met het feit dat hij schade zou lijden en met de daarvoor vermeend aansprakelijke (rechts)personen. Niet is gesteld of gebleken dat eiser enige vordering op gedaagden op enige wijze heeft gestuit. Voor zover de vordering niet is verjaard, is er geen sprake van wanprestatie en/of onrechtmatig handelen. Eiser heeft dit ook niet gesteld of onderbouwd.
4.2.
Gedaagden verzoeken primair eiser te veroordelen in de volledige en werkelijke proceskosten van € 20.451,30 inclusief btw, subsidiair in een begroot c.q. gematigd bedrag van € 5.000,00, omdat er sprake is van misbruik van recht.
Beoordeling
5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of gedaagden een bedrag van € 15.000,00 voor de participatie en € 5.000,00 voor de lening aan eiser moeten betalen. De kantonrechter zal de vordering ten aanzien van de participatie afwijzen en eiser niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft de lening. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.2.
Ten aanzien van de lening overweegt de kantonrechter dat dezelfde vordering al door de kantonrechter is behandeld, beoordeeld en is afgewezen. Eiser heeft ook niet betwist dat de kantonrechter al over deze vordering heeft geoordeeld. Eiser is niet in hoger beroep tegen het eerdere vonnis gegaan. Omdat de kantonrechter al over de vordering heeft geoordeeld, kan de kantonrechter in deze procedure hierover niet opnieuw oordelen, nu gedaagden zich beroepen op het gezag van gewijsde van het eerdere vonnis. Eiser zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering wat betreft de lening en de rente daarover.
5.3.
Ten aanzien van de participatie staat vast dat eiser voor een bedrag van € 15.000,00 heeft geparticipeerd in het project. Het meest verstrekkende verweer van gedaagden is dat deze vordering is verjaard.
5.4.
Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
5.5.
De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Op grond van vaste rechtspraak moet ondubbelzinnig niet te strikt worden uitgelegd. De schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, zodat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op verjaring door gedaagden slaagt. Daartoe wordt overwogen dat op geen enkele wijze is gebleken dat eiser de verjaring heeft gestuit. Niet is gesteld of gebleken dat eiser gedaagden tijdig schriftelijk heeft aangemaand dan wel schriftelijk heeft medegedeeld dat hij zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt of dat hij op enige andere wijze de verjaring heeft gestuit. Eiser heeft verwezen naar notulen van een gecombineerde vergadering van 27 juni 2014 van het bestuur en de vennoten van de maatschap E-stone Sierra de Altea. In deze notulen is opgenomen dat eiser per e-mail heeft gevraagd “wat er nu gaat gebeuren met hun participaties en eventueel het recht van hypotheek op het stuk grond?” en “hoe lang het project c.q. de participatie nog doorloopt alvorens de gehele organisatie van dit project wordt opgeheven?” Voorgaande is geen stuiting in de zin van de wet, ook niet in het licht van de door eiser aangehaalde jurisprudentie. De vragen die eiser heeft gesteld zijn niet aan te merken als het ondubbelzinnig voorbehouden van zijn recht op nakoming. Dat eiser zou hebben laten merken dat hij bezorgd was over het geld, heeft geprobeerd te achterhalen hoe het zat met de bouwgrond en de afwatering en hij voldoende keren zou hebben laten merken dat hij erachteraan zat, is dat evenmin.
5.7.
De conclusie is dat het beroep van gedaagden op verjaring slaagt en dat de kantonrechter de vordering van eiser wat betreft de participatie reeds daarom zal afwijzen. De vordering tot betaling van de incassokosten die geen zelfstandig bestaansrecht heeft, wordt ook afgewezen.
5.8.
De kantonrechter overweegt ten overvloede dat voor het geval het beroep op verjaring niet zou slagen, de vordering van eiser alsnog was afgewezen. Het is aan eiser om voldoende te stellen en zijn standpunten concreet te onderbouwen. Eiser heeft dat mede tegenover de gemotiveerde betwisting door gedaagden onvoldoende gedaan. Hij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke precieze feiten en omstandigheden, met een concrete verwijzing naar de betreffende (rechts)persoon en de relevante stukken, ertoe zouden kunnen leiden dat er sprake is van een wanprestatie dan wel van onrechtmatig handelen door gedaagden. Eiser heeft daarbij ten onrechte geen onderscheid tussen de vier gedaagden gemaakt. Eiser kan niet volstaan met vele pagina’s tekst met daarin ook tal van niet relevante feiten en omstandigheden en het in het geding brengen van een aanzienlijke hoeveelheid producties zonder concrete en duidelijke verwijzingen. Dit geldt temeer omdat volgens eiser onder andere sprake zou zijn van bestuurdersaansprakelijkheid, waarbij hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht. Het is niet aan de kantonrechter of aan gedaagden om op zoek te gaan naar wie precies wat wordt verweten en of dat al dan niet voldoende is onderbouwd; dat is de taak van eiser. Ook om die reden zou de vordering van eiser zijn afgewezen.
5.9.
Eiser heeft in het lichaam van de dagvaarding onder andere gedaagden verzocht om ontbrekende documenten te leveren. Eiser heeft geen vordering in dat kader ingesteld, zodat de kantonrechter geen beslissing hierover hoeft te nemen.
5.10.
De proceskosten (inclusief de nakosten) komen voor rekening van eiser, omdat hij ongelijk krijgt. Gedaagden hebben primair verzocht eiser te veroordelen in de volledige en werkelijke proceskosten van € 20.451,30 inclusief btw, subsidiair in een begroot c.q. gematigd bedrag van € 5.000,00, omdat sprake is van misbruik van recht.
5.11.
Zij voeren daartoe – kort gezegd – aan dat eiser herhaaldelijk is gewezen op het kansloze karakter van zijn vordering. Eiser zou als accountant en fiscaal adviseur beter moeten weten, zeker gezien het eerder tussen partijen gewezen vonnis. Uit een e-mail van 17 januari 2024 blijkt dat het de intentie van eiser is om gedaagden op hoge kosten te jagen. Eiser veroorzaakt onnodige kosten. Gedaagden vrezen dat zonder een echte kostenveroordeling, eiser ze zal blijven lastigvallen met onnodige procedures.
5.12.
De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat een veroordeling tot betaling van volledige proceskosten alleen plaats kan vinden in geval van buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Er is pas sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat doet zich alleen dan voor als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.13.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval, ondanks het eerdere vonnis, (nog) geen sprake is van een vordering gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan eiser de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan eiser op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Zoals hiervoor is overwogen is terughoudendheid op zijn plaats. Ook in deze procedure geldt dat indien gedaagden wisten dat de vordering van eiser geen enkele kans van slagen had, zij konden volstaan met een korte conclusie van antwoord en zichzelf daarbij de nodige kosten hadden kunnen besparen.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
verklaart eiser niet-ontvankelijk zijn vordering wat betreft de lening en de rente daarover;
6.2.
wijst de vordering voor het overige af;
6.3.
veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor gedaagden worden vastgesteld op € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als eiser niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken door mr. P.J. Jansen in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 3:317 lid 1 BW.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2017, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2017:2360 ( [naam] ).