Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-06
ECLI:NL:RBNHO:2024:14107
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,498 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11006671 \ CV EXPL 24-1963
Uitspraakdatum: 6 november 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. E.C.C.M. Bootsman en mr. F.B. Mahabali (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder, na vermindering van eis, gevorderd dat hij veroordeeld zal worden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten omdat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven over de oorzaak van de vertraging van een vlucht. De vervoerder voert aan dat de passagier niet aan de Duitse wet voldeed en dat hij daarom geen inhoudelijke reactie heeft kunnen geven. De kantonrechter oordeelt dat het op de weg van de passagier lag om aan de verzoeken van de vervoerder te voldoen voordat hij een gerechtelijke procedure starten. De vordering van de passagier wordt daarom afgewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 11 juli 2022 vervoeren van Eleftherios Venizelos International Airport, Athene (Griekenland) via Frankfurt International Airport (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtcombinatie LH1279 en LH998.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht LH1279 van Athene naar Frankfurt (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de overstap op de aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee hij met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert, na vermindering van eis, veroordeling van de vervoerder tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
De passagier stelt dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven over de oorzaak van de vertraging van de vlucht. Daarom moet de vervoerder de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten vergoeden, aldus de passagier.
3.3.
De vervoerder betwist dit. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – ingegaan bij de beoordeling.
Beoordeling
4.1.
De passagier heeft bij conclusie van repliek erkend dat hem geen compensatie toekomt als bedoeld in artikel 7 van de Verordening en heeft de gevorderde hoofdsom ingetrokken. De passagier vordert nog wel vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Hij stelt daartoe dat de vervoerder hem nodeloos heeft gedwongen om deze procedure op te starten omdat de vervoerder voorafgaand aan de procedure geen informatie over de oorzaak van de vertraging heeft gegeven. Als de vervoerder dit wel had gedaan, had hij de procedure niet opgestart, aldus de passagier.
4.2.
De vervoerder betwist dit. Hij voert aan dat hij de vordering niet in behandeling kon nemen omdat de gemachtigde van de passagier geen incassoregistratie had overgelegd. Dit is volgens de Duitse wetgeving verplicht. Omdat de gemachtigde van de passagier overgaat tot het innen van vorderingen in Duitsland, wordt de minnelijke relatie tussen haar en de vervoerder beheerst door de Duitse wet. Als de gemachtigde van de passagier aan de Duitse wetgeving had voldaan, had de vervoerder alle benodigde informatie kunnen overleggen en was de procedure niet nodig was geweest, aldus de vervoerder. Dit volgt volgens de vervoerder uit de Rechtsdienstleistungsgesetsz (RDG). Dit is een Duitse wet die beperkingen stelt aan buitengerechtelijke (incasso) diensten.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de brieven die door de passagier zijn overgelegd als productie 4 bij dagvaarding blijkt dat de vervoerder heeft verzocht om een incassoregistratie van de gemachtigde van de passagier, zoals vastgelegd in de eerder genoemde Duitse wetgeving. Hij heeft aangegeven pas na ontvangst hiervan inhoudelijk te kunnen reageren. Uit de stukken blijkt niet dat de passagier aan deze verzoeken voldaan heeft of waarom hij hier niet aan heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt dat dit geen onredelijke verzoeken zijn geweest van de vervoerder. Daarom lag het op de weg van de passagier om hieraan te voldoen, zodat de vervoerder daarna inhoudelijk zou kunnen reageren. Nu de passagier dit heeft nagelaten, kan hij de vervoerder niet verwijten dat hij niet eerder inhoudelijk heeft gereageerd dan bij conclusie van antwoord. De vordering van de passagier zal daarom worden afgewezen.
4.4.
De passagier zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 15 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 270,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagier tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 15 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11006671 \ CV EXPL 24-1963
Uitspraakdatum: 6 november 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. E.C.C.M. Bootsman en mr. F.B. Mahabali (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder, na vermindering van eis, gevorderd dat hij veroordeeld zal worden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten omdat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven over de oorzaak van de vertraging van een vlucht. De vervoerder voert aan dat de passagier niet aan de Duitse wet voldeed en dat hij daarom geen inhoudelijke reactie heeft kunnen geven. De kantonrechter oordeelt dat het op de weg van de passagier lag om aan de verzoeken van de vervoerder te voldoen voordat hij een gerechtelijke procedure starten. De vordering van de passagier wordt daarom afgewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 11 juli 2022 vervoeren van Eleftherios Venizelos International Airport, Athene (Griekenland) via Frankfurt International Airport (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtcombinatie LH1279 en LH998.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht LH1279 van Athene naar Frankfurt (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de overstap op de aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee hij met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert, na vermindering van eis, veroordeling van de vervoerder tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
De passagier stelt dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven over de oorzaak van de vertraging van de vlucht. Daarom moet de vervoerder de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten vergoeden, aldus de passagier.
3.3.
De vervoerder betwist dit. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – ingegaan bij de beoordeling.
Beoordeling
4.1.
De passagier heeft bij conclusie van repliek erkend dat hem geen compensatie toekomt als bedoeld in artikel 7 van de Verordening en heeft de gevorderde hoofdsom ingetrokken. De passagier vordert nog wel vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Hij stelt daartoe dat de vervoerder hem nodeloos heeft gedwongen om deze procedure op te starten omdat de vervoerder voorafgaand aan de procedure geen informatie over de oorzaak van de vertraging heeft gegeven. Als de vervoerder dit wel had gedaan, had hij de procedure niet opgestart, aldus de passagier.
4.2.
De vervoerder betwist dit. Hij voert aan dat hij de vordering niet in behandeling kon nemen omdat de gemachtigde van de passagier geen incassoregistratie had overgelegd. Dit is volgens de Duitse wetgeving verplicht. Omdat de gemachtigde van de passagier overgaat tot het innen van vorderingen in Duitsland, wordt de minnelijke relatie tussen haar en de vervoerder beheerst door de Duitse wet. Als de gemachtigde van de passagier aan de Duitse wetgeving had voldaan, had de vervoerder alle benodigde informatie kunnen overleggen en was de procedure niet nodig was geweest, aldus de vervoerder. Dit volgt volgens de vervoerder uit de Rechtsdienstleistungsgesetsz (RDG). Dit is een Duitse wet die beperkingen stelt aan buitengerechtelijke (incasso) diensten.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de brieven die door de passagier zijn overgelegd als productie 4 bij dagvaarding blijkt dat de vervoerder heeft verzocht om een incassoregistratie van de gemachtigde van de passagier, zoals vastgelegd in de eerder genoemde Duitse wetgeving. Hij heeft aangegeven pas na ontvangst hiervan inhoudelijk te kunnen reageren. Uit de stukken blijkt niet dat de passagier aan deze verzoeken voldaan heeft of waarom hij hier niet aan heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt dat dit geen onredelijke verzoeken zijn geweest van de vervoerder. Daarom lag het op de weg van de passagier om hieraan te voldoen, zodat de vervoerder daarna inhoudelijk zou kunnen reageren. Nu de passagier dit heeft nagelaten, kan hij de vervoerder niet verwijten dat hij niet eerder inhoudelijk heeft gereageerd dan bij conclusie van antwoord. De vordering van de passagier zal daarom worden afgewezen.
4.4.
De passagier zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 15 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 270,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagier tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 15 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter