Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:13969
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,377 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/340898 / HA ZA 23-345
Vonnis van 18 december 2024
in de zaak van
PRIMEVAL STOETERIJ B.V.,
te Ursem, gemeente Koggenland,
eisende partij,
hierna te noemen: Primeval,
advocaat: mr. R.A.M. Schram,
tegen
1DELANO TRADE B.V.,
te Heiloo,
hierna te noemen: Delano,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats],
hierna te noemen: [gedaagde sub 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Delano c.s.,
thans zonder advocaat, voorheen mr. S.A. Wensing te Emmen.
De zaak in het kort
In het tussenvonnis van 1 november 2023 kreeg Delano de opdracht om te bewijzen dat partijen op enig moment zijn overeengekomen dat de verplichting van Delano tot verzorging van het paard Davinci is geëindigd op het moment dat het paard op de veiling werd aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank is Delano niet geslaagd in deze bewijsopdracht. Dit betekent dat vast is komen te staan dat Delano ook na de veiling verantwoordelijk is gebleven voor het paard Davinci. De vordering van Primeval tot betaling van € 40.000,-- op grond van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie wordt daarom toegewezen. Ook de vordering tot betaling van de veilingkosten wordt toegewezen. Ten slotte wordt Delano in de proceskosten veroordeeld. De overige vorderingen van Primeval worden afgewezen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 november 2023;- de akte uitlaten van Delano c.s. van 28 november 2023;
- het getuigenverhoor van 15 maart 2024, waarvan de griffier proces-verbaal heeft opgemaakt;
- het B-formulier van Delano c.s. van 10 juni 2024 over het alsnog horen van de drie eerder verhinderde getuigen;
- het B-formulier van Delano c.s. van 9 oktober 2024 over de onttrekking van mr. S.A. Wensing als advocaat;
- Het B-formulier van Primeval van 31 oktober 2024 met het verzoek een vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In haar tussenvonnis van 1 november 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering tegen [gedaagde sub 2] als bestuurder van Delano moet worden afgewezen. Verder heet de rechtbank Delano in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat partijen op enig moment zijn overeengekomen dat de verplichting van Delano tot verzorging van het paard Davinci is geëindigd op het moment dat het paard op de veiling werd aangeboden.
Het getuigenverhoor
2.2.
Delano heeft om het bewijs te leveren twee getuigen doen horen, namelijk [gedaagde sub 2] en de heer [getuige].
[gedaagde sub 2] verklaarde, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat het klopt dat het paard Davinci op de veiling in Weert is aangeboden en dat het paard daar niet verkocht is. Hij heeft het paard na de veiling niet meegenomen en het paard is daar blijven staan. Er zijn met Primeval geen afspraken gemaakt over wat er met het paard zou gebeuren als het niet op de veiling werd verkocht. Enige tijd na de veiling is er nog contact geweest met de heer [naam] van Primeval over het doormailen van papieren.
[getuige] verklaarde, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat hij inderdaad betrokken is geweest bij het paard Davinci en de veiling in Weert. Het klopt dat het paard op de veiling niet is verkocht en dat het paard daar toen vervolgens is blijven staan. Hij weet niet of er afspraken zijn gemaakt tussen Delano en Primeval over wat er met het paard zou gebeuren als het niet zou worden verkocht.
Bewijsopdracht niet geslaagd
2.3.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 1 november 2023 overwogen dat het in beginsel zo is dat Delano ook na de veiling de zorg voor Davinci zou houden en er dus verantwoordelijk voor was (randnummer 4.5) Dat is anders als partijen zijn overeengekomen dat hierover andersluidende afspraken zijn gemaakt (randnummer 4.6). Delano moest dat bewijzen. De rechtbank moet nu beoordelen of met een redelijke mate van zekerheid is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de verplichting van Delano tot verzorging van het paard Davinci zou eindigen op het moment dat het paard op de veiling werd aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. [gedaagde sub 2] verklaart nu juist dat er géén afspraken met Primeval zijn gemaakt over wat er na de veiling met het paard zou gebeuren en de heer [getuige] verklaart dat hij niet weet of er afspraken zijn gemaakt.
2.4.
Dit betekent dat Delano niet geslaagd is in haar bewijsopdracht.
De afwikkeling van de zaak
2.5.
Daarmee is komen vast te staan dat Delano ook na de veiling verantwoordelijk is gebleven voor het paard. Delano heeft steeds erkend dat zij na de veiling geen zorg meer heeft gedragen voor het paard. Dit betekent dat Delano tekort is geschoten in haar verplichtingen en dat Primeval de overeenkomst mocht ontbinden.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 1 november 2023 onder de randnummers 4.8 tot en met 4.12 al beslist wat de gevolgen voor de vorderingen van Primeval zouden zijn als Delano niet zou slagen in haar bewijsopdracht. Dit betekent:
dat de vordering van Primeval tot (terug)betaling van het bedrag van € 40.000,- door Delano op grond van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie wordt toegewezen;
dat de vordering tot (terug)betaling van de veilingkosten van € 4.991,25 wordt toegewezen;
dat de door Primeval gevorderde verklaring voor recht en de daarbij gevorderde schadevergoeding worden afgewezen;
dat de vordering van Primeval die ziet op een veroordeling tot het afleggen van rekening en verantwoording wordt afgewezen;
dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
Omdat de toe te wijzen vorderingen geen vorderingen zijn als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW), is Delano geen wettelijke handelsrente verschuldigd maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.
De proceskosten
2.6.
Delano is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Primeval worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,01
- griffierecht
€
2.837,00
- salaris advocaat
€
3.642,00
(3 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.773,01
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt Delano om aan Primeval binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis een bedrag van € 40.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 februari 2021 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt Delano om binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis aan Primeval een bedrag te betalen van € 4.991,25, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 september 2019 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt Delano in de proceskosten van € 6.773,01, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Delano niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.