Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:13941
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,151 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11205481 \ CV EXPL 24-2330
Vonnis van 18 december 2024
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [naam 2],
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.J. Smit,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [naam 3],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 596,64, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten. Op grond daarvan heeft [eiser] voor [gedaagde] werkzaamheden uitgevoerd die zien op het vervoer van personen. [gedaagde] heeft op een factuur ten onrechte € 500,00 ingehouden. [eiser] vordert dit bedrag en maakt daarbij aanspraak op de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
2.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . [gedaagde] voert aan dat bij aanvang van de werkzaamheden aan alle betrokkenen is gecommuniceerd dat een commissie van 20 % in rekening wordt gebracht. [eiser] heeft hiermee mondeling ingestemd. [gedaagde] heeft twee getuigen die dit kunnen bevestigen. Daarbij is het akkoord vastgelegd in de groepsapp waarin [eiser] ook expliciet de noodzaak van het rekenen van commissie heeft erkend. De commissie bedraagt voor [eiser] € 500,00.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
[eiser] heeft voor [gedaagde] vervoerswerkzaamheden uitgevoerd en daarvoor drie facturen verstuurd aan [gedaagde] . Op een van deze facturen heeft [gedaagde] € 500,00 ingehouden. [gedaagde] beroept zich daarbij op een afspraak dat [eiser] op de ritten die hij voor [gedaagde] rijdt een commissie van 20 % moet betalen. Deze afspraak wordt door [eiser] weersproken.
3.2.
Het is aan [gedaagde] om de gestelde afspraak tussen partijen met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Omdat [eiser] deze afspraak heeft betwist, moet [gedaagde] zijn standpunt nader onderbouwen. Daartoe is zijn standpunt dat de commissie is gecommuniceerd aan alle betrokkenen en dat [eiser] daarmee mondeling heeft ingesteld onvoldoende concreet. [gedaagde] heeft verder in de conclusie van dupliek aangevoerd dat het akkoord is vastgelegd in de groepscommunicatie waarin [eiser] ook expliciet de noodzaak van het rekenen van commissie heeft erkend. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een WhatsApp bericht overgelegd. Dit bericht is gestuurd in de Appgroep [naam 1] en daarin staan regels die voor die groep gelden, waaronder ‘Er wordt 20% commissie in rekening gebracht op ritten’. Een datum op dit stuk ontbreek echter. Ook blijkt daaruit niet dat [eiser] deel uitmaakte van deze Appgroep toen dit bericht is verstuurd. Uit dit stuk blijkt ten slotte niet dat [eiser] de noodzaak van het rekenen van een commissie heeft erkend. Met dit stuk heeft [gedaagde] daarom niet onderbouwd dat [eiser] expliciet de noodzaak van de commissie heeft erkend dan wel dat partijen een afspraak hebben gemaakt over een commissie op de ritten van 20 %.
3.3.
Verder kan worden vastgesteld dat de bij [eiser] ingehouden commissie aanzienlijk lager is dan 20 % van de door [eiser] in rekening gebrachte ritten en heeft [gedaagde] daarvoor geen verklaring gegeven. De conclusie is dat [gedaagde] het bestaan van de gestelde afspraak onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover [gedaagde] een bewijsaanbod via getuigenverhoor heeft gedaan, wordt om die reden daaraan voorbij gegaan. Dit leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom van € 500,00.
3.4.
De gevorderde wettelijke handelsrente daarover is niet weersproken en zal worden toegewezen.
3.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De hoogte van de vordering is in overeenstemming met het tarief dat is bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom wordt € 75,00 toegewezen.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- wettelijke handelsrente tot 25 juni 2024
€
€
500,00
21,64
- buitengerechtelijke incassokosten
€
75,00
+
totaal
€
596,64
- betalingen
€
0,00
-/-
Totaal
€
596,64
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,39
- griffierecht
€
218,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
671,89
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 596,64, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juni 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 671,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.