Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-19
ECLI:NL:RBNHO:2024:13939
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,840 tokens
Dictum
[Stichting],
gevestigd in [vestigingsplaats],
voor deze zaak woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E. Benhaim, advocaat te Rotterdam (Blaak 555, 3011 GB Rotterdam),
hierna te noemen: de verzoekster.
Feiten
[Stichting] is een instelling die zorg verleent aan mensen met een beperking. Naar aanleiding van een incident binnen de instelling, heeft [Stichting] op verzoek van de [inspectiedienst] een intern onderzoek gedaan. De officier van justitie heeft op 11 mei 2022 bij de rechter-commissaris een vordering ingediend volgens artikel 126nf Sv (verstrekken van gevoelige gegevens). De rechter-commissaris heeft deze vordering toegewezen en de officier van justitie gemachtigd van [Stichting] te vorderen dat deze instelling gevoelige gegevens aan de officier van justitie dient te verstrekken. De officier van justitie heeft vervolgens van [Stichting] gevorderd het onderzoeksrapport aan de officier van justitie te verstrekken. [Stichting] heeft bij brief van haar raadslieden van 26 april 2023 bezwaar gemaakt volgens artikel 98 lid 4 Sv. Het onderzoeksrapport is verzegeld aan de rechter-commissaris afgegeven. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 21 juli 2023 het bezwaarschrift van [Stichting] ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [Stichting] op 3 augustus 2023 bij deze rechtbank een klaagschrift ingediend. Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen onderzoeksrapport. Bij beslissing van deze rechtbank van 11 oktober 2023 is het beklag gegrond verklaard en de teruggave gelast van het interne onderzoeksrapport aan [Stichting].
Procedure
Het verzoekschrift is op 11 december 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 16 december 2024 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de advocaat, mr. E. Benhaim en de officier van justitie op zitting gehoord.
Namens de verzoekster is in raadkamer aanwezig, mevrouw M.G.P. Uipkes, bedrijfsjurist bij [Stichting].
Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 24.244,75 wegens:
-de kosten van de raadslieden in de zaak tot een bedrag van € 23.564,75 en
-de kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek tot een bedrag van € 680,-.
[Stichting] heeft zich op het standpunt gesteld dat een redelijke wetsuitleg van de artikelen 529 en 530 Sv. meebrengt dat ook kosten van de bezwaarprocedure van art. 98 Sv. voor vergoeding in aanmerking dienen te komen, nu de bezwaarprocedure een verplichte opstap naar de 552a-procedure betreft, waarvoor exact hetzelfde toetsingskader geldt en het voorwerk van de bezwaarprocedure direct gebruikt is ten behoeve van een efficiënte afwikkeling van de klaagschriftprocedure.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten die gemaakt zijn in het kader van de klaagschriftprocedure van art. 552a Sv. integraal kunnen worden toegewezen. De kosten die - daaraan voorafgaand - in het kader van de bezwaarprocedure van art. 98 Sv. zijn gemaakt, dienen te worden afgewezen, nu artikel 529 Sv. enkel ruimte biedt voor een vergoeding van kosten van de 552a-procedure.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 529 lid 5 Sv. de mogelijkheid tot vergoeding van gemaakte kosten expliciet mede van toepassing verklaard op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a en 552b. De wet kent geen expliciete mogelijkheid om kosten van de bezwaarprocedure van 98 Sv. te vergoeden. De rechtbank is desondanks van oordeel dat in het onderhavige geval een redelijke wetsuitleg met zich meebrengt dat de kosten die voorafgaand aan de klaagschriftprocedure ook voor vergoeding in aanmerking dienen te komen, op grond van het navolgende.
[Stichting] is door de officier van justitie verzocht om afgifte van een intern onderzoeksrapport naar een incident dat mogelijk heeft plaatsgevonden tussen een cliënt met een verstandelijke beperking en een begeleider. De stichting heeft aan dit verzoek voldaan onder bezwaar in de zin van artikel 98 lid 2 Sv., nu zij heeft gesteld dat haar wettelijke plicht tot geheimhouding maakt dat zij het rapport niet mag verstrekken. Nadat het bezwaar door de rechter-commissaris is afgewezen, heeft de rechtbank het klaagschrift van de stichting alsnog gegrond verklaard, waardoor het rapport niet door de officier van justitie gebruikt mocht worden. De rechtbank overweegt dat [Stichting] zelf geen verdachte is geweest, maar in het onderzoek werd betrokken, waarna zij op grond van haar geheimhoudingsplicht gehouden was de bezwaar- en klaagschriftprocedure te voeren. Beide procedures dienden hetzelfde doel, namelijk het voorkomen dat de stichting in strijd met haar geheimhoudingsplicht zou handelen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten van juridische bijstand die destijds bij de bezwaarprocedure zijn gemaakt daardoor zo verweven met de klaagschriftprocedure dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat ook deze kosten voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Het gaat immers om een logische en verplichte voorstap van de klaagschriftprocedure, waarvoor de juridische bijstand rechtstreeks ten bate komt van een efficiënte afwikkeling van de klaagschriftprocedure. Vanwege deze omstandigheden zal het verzoek worden toegewezen.
Dit betekent dat de rechtbank een vergoeding voor de advocaatkosten zal toekennen ter hoogte van € 23.564,75.
De rechtbank zal daarnaast het gebruikelijke bedrag van € 680,- toekennen voor de kosten van indiening en behandeling ter zitting van dit verzoek.
Dictum
De rechtbank kent aan de verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van
€ 24.244,75 (zegge: vierentwintigduizend tweehonderd vierenveertig euro en vijfenzeventig cent).
Deze beslissing is gegeven door
mr. P.A. Hesselink, rechter,
in tegenwoordigheid van drs. M. Essing-van den Berg, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 24.244,75 (zegge: vierentwintigduizend tweehonderd vierenveertig euro en vijfenzeventig cent), ten gunste van de verzoekster, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [bankrekeningnummer], ten name van [Stichting], onder vermelding van vergoeding rechtsbijstand vordering OM kp 58260.