Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:13759
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
3,258 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7868
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),
en
het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, verweerder
(gemachtigde: M.R. Ooievaar).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster met het besluit van 21 oktober 2024 afgewezen omdat zij volgens verweerder geen toestemming heeft gegeven voor het afleggen van een huisbezoek en zij geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld waaruit blijkt dat de situatie is veranderd ten opzichte van een voorgaande afgewezen aanvraag.
1.3.
Met het bestreden besluit van 25 november 2024 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (ingeschreven met zaaknummer HAA 24/7870) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder samen met [naam] , toezichthouder/handhaver.
Totstandkoming van het besluit
Voorgeschiedenis
2.1.
Verzoekster is woonachtig op de [adres 1] in [woonplaats] met twee kinderen. Zij heeft een bijstandsuitkering ontvangen over de periode van 30 november 2018 tot en met 11 maart 2024.
2.2.
Naar aanleiding van meldingen dat verzoekster zou samenwonen en werkzaam zou zijn bij [bedrijf] is er destijds een handhavingsonderzoek gestart. Omdat verzoekster een huisbezoek heeft geweigerd is per 12 maart 2024 de bijstandsuitkering beëindigd. Hierover loopt nog een procedure.
2.3.
Bij besluit van 13 juni 2024 is de bijstandsuitkering vervolgens ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 28 juli 2021 tot en met 11 maart 2024 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Verzoekster zou namelijk niet hebben doorgegeven dat zij werkzaam was bij, dan wel eigenaar was van [bedrijf] , terwijl de onderzoeksbevindingen daar volgens verweerder voldoende redenen voor gaven. Er is door verzoekster geen boekhouding overgelegd van haar werkzaamheden en daarbij behorende verdiensten bij [bedrijf] .
2.4.
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft verweerder een nieuwe aanvraag van verzoekster om bijstand afgewezen omdat zij niet heeft kunnen aantonen dat haar situatie veranderd was ten opzichte van de eerdere periode waarover het recht is ingetrokken. Zij heeft volgens verweerder niet kunnen aantonen dat zij niet langer op loon waardeerbare arbeid verricht bij [bedrijf] . Dit besluit heeft in bezwaar stand gehouden. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.Onderhavige aanvraag
2.5.
Op 22 augustus 2024 heeft verzoekster opnieuw een aanvraag voor bijstand ingediend. Verweerder heeft, gelet op de voorgeschiedenis, een rechtmatigheidsonderzoek naar de aanvraag gestart. Dit heeft bestaan uit administratief onderzoek (opvragen van parkeervergunningen op het adres [adres 2] , [plaats] , het adres van [partner van verzoekster] , vermeende partner van verzoekster), opvragen, verkrijgen en bestudering van de bankafschriften van verzoekster over de periode van 1 juni 2024 tot en met 19 september 2024, het verrichten van waarnemingen op het adres van verzoekster in de periode van 10 september 2024 tot en met 19 september 2024 en (een poging tot) het afleggen van een huisbezoek op 26 september 2024.
2.6.
Vanwege het ontbreken van parkeervergunningen op het adres van de vermeende partner, de omstandigheid dat er periodes zijn waarin geen enkele transacties zichtbaar zijn op de bankafschriften van verzoekster, het feit dat de personen- en bedrijfsauto van [partner van verzoekster] dagelijks bij verzoekster zijn aangetroffen en de [partner van verzoekster] een keer is waargenomen, terwijl hij uit de voordeur kwam, heeft verweerder een huisbezoek noodzakelijk geacht.
2.7.
Op 26 september 2024 hebben toezichthouders van verweerder dit geprobeerd af te leggen. Hiervan zijn twee notities opgemaakt. Hieruit volgt – samengevat – dat de zoon van verzoekster om 9:00 heeft verklaard dat verzoekster niet thuis was en over twee uur pas weer thuis zou komen. Hij weigerde verder alle medewerking. Om 11:17 deed verzoekster na aanbellen de deur open, terwijl gezien was dat er in de tussentijd niemand naar de woning was gekomen of weggegaan was (behalve de zoon). De toezichthouders hebben de reden en het doel van hun komst uitgelegd. Verzoekster heeft gezegd dat zij 10 minuten kregen en daarna ‘weer konden oprotten’. Zij deelde mee zo weg te moeten om haar zoon op te halen. Verder heeft zij aangegeven dat de toezichthouders de kamers van de kinderen niet in mochten komen. Zij heeft een dochter van 18, die in haar onderbroek stond, en ze vroeg ‘of de toezichthouders wel lekker waren?’. Uitgelegd is dat het een volledig huisbezoek betreft, dus dat zij alle kamers willen zien, dat dat niet in 10 minuten gedaan is en dat de dochter zich eerst kon aankleden. Verzoekster riep vervolgens naar haar dochter dat de toezichthouders haar kamer wilden zien en zei dat ze binnen mochten komen. Na uitleg dat ze dan een toestemmingsformulier moest tekenen omdat zij anders niet naar binnen mogen gaan, zei verzoekster dat zij nergens voor ging tekenen en haar ‘poot’ er niet onder ging zetten. Zij heeft vervolgens een aantal keer geroepen: ‘kom binnen, zijn jullie bang voor mij ofzo?’ Nadat is uitgelegd dat zij zonder schriftelijke toestemming geen huisbezoek konden afleggen, volhardde verzoekster in haar weigering. Geadviseerd is om haar advocaat te bellen, waarop verzoekster zei dat hij in een ‘horing’ zat. De toezichthouders hebben uitgelegd dat het niet tekenen voor toestemming aangemerkt wordt als het niet voldoen aan de medewerkingsplicht en verzoekster is een hersteltermijn van 5 minuten geboden. Verzoekster heeft hierop gezegd niet te gaan tekenen. Na vijf minuten kwamen de toezichthouders terug, en bleek dat de auto weg was en niet (meer) werd opengedaan. Volgens de toezichthouders is hiermee sprake van het niet verlenen van medewerking aan het huisbezoek waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Primaire besluit
3. Bij het primaire besluit van 21 oktober 2024 heeft verweerder vervolgens de aanvraag van verzoekster afgewezen. Volgens verweerder heeft verzoekster haar medewerkingsverplichting geschonden door geen toestemming te geven aan een volgens verweerder noodzakelijk af te leggen huisbezoek. Als gevolg hiervan zijn de twijfels aan de woon- en leefsituatie blijven bestaan. Hiernaast heeft verzoekster volgens verweerder bij haar aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden vermeld, waaruit is gebleken dat haar situatie is veranderd ten opzichte van haar eerdere bij besluit van 20 juni 2024 afgewezen aanvraag.
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft het bezwaar van verzoekster bij het besluit van 25 november 2024 ongegrond verklaard. Volgens verweerder is de aanvraag van verzoekster terecht afgewezen. Verweerder stelt dat er door verzoekster geen nadere eisen mogen worden gesteld aan het af te leggen huisbezoek. De handhavers mochten binnen komen maar verzoekster weigerde het formulier voor de toestemming aan het huisbezoek te ondertekenen.
Beoordeling
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een spoedeisend belang aanwezig is, zodat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9.1.
Bij de beoordeling geldt als uitgangspunt dat het in het geval van een aanvraag voor een bijstandsuitkering aan de aanvrager is om aannemelijk te maken dat hij/zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Vervolgens is het aan verweerder om in het kader van de onderzoeksplicht de door de aanvrager gegeven inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.
9.2.
Niet in geschil is dat verweerder een redelijke grond had voor het afleggen van een huisbezoek vanwege onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie van verzoekster.
9.3.
Vast staat vervolgens dat de onduidelijkheid met betrekking tot de woon- en leefsituatie niet is weggenomen omdat op 26 september 2024 geen huisbezoek heeft plaatsgevonden.
9.4.
Hoewel de opvatting van de toezichthouders van verweerder dat ondertekening van het formulier noodzakelijk is om een huisbezoek af te kunnen leggen onjuist is, kan de voorzieningenrechter verweerder vooralsnog volgen in zijn standpunt dat van een onbetwiste, uitdrukkelijk gegeven toestemming van verzoekster voor een huisbezoek geen sprake is geweest. Daarbij acht de voorzieningenrechter onder meer van belang dat verzoekster in eerste instantie heeft aangegeven dat het huisbezoek maar 10 minuten mocht duren en dat de toezichthouders niet in alle kamers mochten komen. Verder acht de voorzieningenrechter niet onaannemelijk dat, zoals ter zitting toegelicht, de toezichthouders twijfelden aan de oprechtheid van de mededeling van verzoekster dat zij binnen mochten komen. Daarbij speelt ook een rol dat verzoekster is weggegaan, als gevolg waarvan het huisbezoek hoe dan ook geen doorgang meer kon vinden.Verzoekster wist bovendien dat het niet ondertekenen van het formulier voor de toezichthouders aanleiding was om het huisbezoek niet te verrichten. Bij een in het kader van een eerdere aanvraag gedane poging tot het afleggen van een huisbezoek heeft dit immers ook tot weigering van de aanvraag geleid. Verzoekster heeft, ondanks deze wetenschap, het risico genomen dat de aanvraag wederom zou worden afgewezen door niet te tekenen voor het verrichten van het huisbezoek. Het betoog van verzoekster dat het haar niet kan worden tegengeworpen dat het huisbezoek niet heeft plaatsgevonden, volgt de voorzieningenrechter daarom niet.
9.5.
Daar komt bij dat ook indien verzoekster, vanwege de gang van zaken, niet zou kunnen worden tegengeworpen dat het huisbezoek geen doorgang heeft kunnen vinden, de voorzieningenrechter (ook) geen aanleiding ziet voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Onbetwist is immers dat voor vaststelling van het recht op bijstand nog nadere informatie noodzakelijk is. De woon- en leefsituatie dient, door het laten plaatsvinden van een huisbezoek, te worden geverifieerd. Daarnaast bestaat nog onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van verzoekster, waarover verzoekster nog nadere informatie zal moeten verstrekken. Het staat dan ook nog niet zonder meer vast dat verzoekster recht op bijstand heeft. Een en ander zal ook aan de orde moeten komen bij de beoordeling van de inmiddels al ingediende nieuwe aanvraag van verzoekster om bijstand.
Conclusie
10. Al het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek af wijst. Dat betekent dat zij geen voorschot krijgt op een bijstandsuitkering. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2999