Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:13084
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,180 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 10847578 \ CV EXPL 23-5592 (PA)
Vonnis van 18 december 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: P. de Ruijter,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand.
De zaak in het kort
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eiser] zonnepanelen, batterijen en een omvormer heeft geleverd en zou plaatsen op de woning van [gedaagde] . [eiser] vordert betaling van een (meerprijs)factuur. De kantonrechter wijst de vordering af. Niet is komen vast te staan dat partijen een meerprijs zijn overeengekomen. In de zaak van de tegenvordering veroordeelt de kantonrechter [eiser] tot betaling van een deel van de door [gedaagde] gevorderde (vervangende) schadevergoeding omdat [eiser] wanprestatie heeft geleverd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 december 2023
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie
- het tussenvonnis van 20 maart 2024
- akte wijziging eis in reconventie tevens akte houdende overlegging producties
- de mondelinge behandeling van 22 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] heeft 10 zonnepanelen, een batterij en een omvormer aan [gedaagde] verkocht en geleverd. [eiser] heeft de zonnepanelen, de batterij en omvormer geïnstalleerd. De werkzaamheden zijn op of omstreeks 20 januari 2023 gestart.
2.2.
[gedaagde] heeft een bedrag van in totaal € 5.920,00 aan [eiser] betaald.
2.3.
Op enig moment bleken de batterij en de omvormer niet te werken.
2.4.
[eiser] heeft vervolgens op 22 september 2023 een nieuwe batterij en omvormer geleverd en geïnstalleerd.
2.5.
Bij factuur van 22 september 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 2.300,00 in rekening gebracht. [gedaagde] heeft de factuur niet betaald.
2.6.
Op 25 september 2023 heeft [gedaagde] in gebreke gesteld om de installatie alsnog deugdelijk werkend te maken. Vervolgens heeft [gedaagde] opdracht aan Quasys T&C B.V. (hierna: Quasis) gegeven om de installatie werkend te maken. Livoltek Europe B.V. heeft de door [eiser] geplaatste 1-fase aansluiting vervangen door een drie-fasenmeter.
Geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat – betaling van € 2.300,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 345,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert na wijziging van eis - samengevat – veroordeling van [eiser] tot betaling van een vervangende schadevergoeding van € 2.390,97, gevolgschade van € 880,89 en buitengerechtelijke incassokosten van € 547,05.
3.5.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
4.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten waarbij [eiser] voor een bedrag van € 5.868,50 zonnepanelen, een omvormer en batterijen aan [gedaagde] zou leveren en dit zou installeren. Vast staat dat bij de plaatsing de omvormer en batterijen niet functioneerden. [eiser] stelt dat hij, om de situatie op te lossen, [gedaagde] twee opties heeft gegeven, te weten de batterijen ophalen en het aankoopbedrag terugbetalen, dan wel een nieuwe set batterijen met omvormers leveren en installeren tegen een meerprijs van € 2.800,00. Volgens [eiser] is [gedaagde] akkoord gegaan met het betalen van een meerprijs. [gedaagde] betwist dat er een afwijkende afspraak is gemaakt.
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat op grond van de overeenkomst [eiser] gehouden is om voor het overeengekomen bedrag van € 5.868,50 een goed werkend systeem te leveren en de installeren, ook als dat inhoudt dat er duurdere onderdelen nodig zijn dan eerder voorzien. Dat kan anders zijn als er afwijkende afspraken zijn gemaakt. In de kern gaat het hier om de vraag of tussen partijen een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen voor de levering van een nieuwe set batterijen met omvormers voor een meerprijs van € 2.800,00.
4.3.
Uitgangspunt daarbij is dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De stelplicht (en bewijslast) ten aanzien van de totstandkoming van een overeenkomst, rust op de partij die zich op die overeenkomst beroept, in dit geval [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] daaraan niet heeft voldaan. Dat oordeel wordt als volgt toegelicht.
4.4.
[eiser] stelt dat hij op 18 september 2023 heeft gebeld met [gedaagde] en heeft voorgesteld om of de batterijen terug te nemen en het aankoopbedrag te retourneren of om een nieuwe set batterijen en omvormers leveren tegen een meerprijs. Volgens [eiser] zou [gedaagde] dit bespreken met zijn vrouw en is [gedaagde] op 19 september 2023 akkoord gegaan met de levering van een nieuwe set batterijen en omvormers tegen een meerprijs. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat [eiser] op 19 september 2023 een mondelinge overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten tijdens een telefoongesprek. [gedaagde] heeft dit namelijk betwist en het blijkt nergens uit. Integendeel. Tussen partijen is uitvoerig overleg per WhatsApp geweest. Uit die app-wisseling blijkt nergens dat al voor 23 september 2023 is besproken dat [gedaagde] (mogelijk) een meerprijs zou gaan betalen. Dat had wel voor de hand gelegen, als een dergelijke overeenkomst was gesloten. [eiser] heeft ook ter zitting niets aangevoerd waaruit blijkt dat een nieuwe, afwijkende afspraak is gemaakt.. Het enkel overhandigen van een factuur aan [gedaagde] is niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van een nieuwe overeenkomst. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat partijen een nieuwe, afwijkende afspraak hebben gemaakt. De vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen.
4.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
611,00
in reconventie
4.6.
[gedaagde] vordert betaling van een vervangende schadevergoeding van € 2.390,97 en een vergoeding voor gemiste stroomopbrengst van € 880,09. [gedaagde] stelt dat hij schade heeft geleden door toedoen van [eiser] . Ter onderbouwing van de gestelde gebreken verwijst [gedaagde] naar een e-mail van HX Group en een deskundigenrapport van Quasys.
[eiser] heeft de inhoud van deze twee stukken niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling van [eiser] dat op basis van zijn ervaring en kennis kon worden volstaan met de plaatsing van een 1-fase aansluiting, is onvoldoende.
4.7.
Omdat [eiser] , ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, de gebreken niet heeft hersteld, was [gedaagde] gerechtigd zijn vordering tot nakoming om te zetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding. [eiser] moet het gevorderde bedrag aan herstelkosten dan ook betalen. Omdat [eiser] verder geen verweer heeft gevoerd tegen het gevorderde bedrag aan herstelkosten en het bedrag de kantonrechter niet onredelijk voorkomt, zal het door [gedaagde] gevorderde bedrag van € 2.390,97 worden toegewezen. De wettelijke rente wordt als na te melden toegewezen, omdat hier geen verweer tegen is gevoerd.
4.8.
[gedaagde] maakt verder aanspraak op een vergoeding voor gemiste stroomopbrengst. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. [gedaagde] heeft niet aangetoond dat hij op dit punt schade heeft geleden. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] desgevraagd gezegd dat de salderingsregeling nog geldt en dat hij de opgewekte stroom die hij niet heeft gebruikt kon terug leveren aan de netbeheerder.
4.9.
Verder heeft [gedaagde] voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [eiser] zal worden veroordeeld, zijnde € 433,96 inclusief BTW.
4.10.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij merendeels ongelijk krijgt. De proceskosten in reconventie worden begroot op € 116,00 (1 punt x tarief € 232,00 x factor 0,5).
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 611,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 2.824,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.390,97, met ingang van 2 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op € 116,00 voor salaris gemachtigde,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.
Artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW).