Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-12
ECLI:NL:RBNHO:2024:12954
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,959 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/145282-23 (P)
Uitspraakdatum: 12 december 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 november 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C. Booij en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 januari 2022 en/of 23 januari 2022 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland met [benadeelde], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], te weten het duwen, althans brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde] en/of het duwen, althans brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde].
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Standpunten van partijen
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De verdachte en aangeefster verklaren weliswaar tegengesteld aan elkaar, maar het dossier biedt voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. De officier van justitie ziet mede steunbewijs voor de omstandigheid dat de seksuele handelingen door de verdachte zijn verricht terwijl het slachtoffer in verminderde staat van bewustzijn verkeerde, onder meer in de verklaring van aangeefster inhoudende dat zij zich vrijwel niets meer kan herinneren van wat in de slaapkamer op zolder is gebeurd. Dit is een sterke indicatie dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Ten tweede verklaart aangeefster dat zij de volgende dag kampte met een schraal geslachtsdeel en rode, opgezwollen schaamlippen. Dit wijst erop dat zij in ieder geval een deel van de seks niet bewust heeft meegemaakt, aldus de officier van justitie. Ook het handelen en de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige]) ondersteunt dit scenario. Zij ziet immers aanleiding om hulp in te schakelen en roept direct dat de verdachte door is gegaan terwijl er ‘nee’ werd gezegd en dat zij de verdachte meerdere malen heeft moeten wegslaan. Verder is op beelden zichtbaar dat aangeefster volledig van de kaart is en dit blijkt eveneens uit de verschillende getuigenverklaringen. Als laatste merkt de officier van justitie op dat het niet goed voorstelbaar is dat aangeefster eerst volledig bij haar positieven was en direct daarop bewusteloos is geraakt.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden op welk moment aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn is geraakt. Daarnaast kan – al zou sprake zijn van een verminderd bewustzijn – niet worden bewezen dat de verdachte seksuele handelingen is blijven verrichten op dat moment.
3.3
Vrijspraak
Het juridisch kader
Zedenzaken kenmerken zich veelal door het gegeven dat de feiten zich tussen twee personen afspelen, buiten het zicht van anderen. In de kern gaat het vaak om het woord van aangeefster/aangever tegen dat van de verdachte.
Het is de rechter volgens de wet niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering). De rechter kan daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de getuige. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele handeling als zodanig steun vindt in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van aangeefster / getuige op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van aangeefster / getuige.
De zaak
Niet ter discussie staat dat de verdachte, aangeefster en getuige [getuige] in de nacht van 22 januari 2022 op 23 januari 2022 seks hebben gehad. Eveneens staat niet ter discussie dat aangeefster op enig moment onwel is geworden, is gaan overgeven en (deels) buiten bewustzijn is geraakt.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster, terwijl hij wist dat zij op dat moment in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.
Aangeefster heeft verklaard zich weinig tot niets te kunnen herinneren van hetgeen er op de zolderkamer is gebeurd. De verdachte heeft verklaard seksuele handelingen te hebben verricht met zowel aangeefster als getuige [getuige] en ontkent dat aangeefster gedurende de seks in verminderde staat van bewustzijn verkeerde. De verdachte betwist de verklaring van getuige [getuige] op dit punt.
De rechtbank stelt voorop dat aangeefster niet uit eigen herinnering kan verklaren, omdat zij niet meer weet wat zich in de slaapkamer heeft afgespeeld. Uit de enkele omstandigheid dat aangeefster zich niks meer kan herinneren van wat zich die nacht – in de slaapkamer – heeft afgespeeld, volgt echter niet automatisch dat zij gedurende de seksuele handelingen in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Dit biedt dus geen steun aan de aangifte. Verder heeft de rechtbank gekeken naar de verklaring van [getuige]. [getuige] verklaart dat aangeefster tijdens de seksuele handelingen er als een zeester bij lag en moest overgeven en dat de verdachte op dat moment door is gegaan met het verrichten van seksuele handelingen. Hoewel deze verklaring, die door de verdachte wordt betwist, weliswaar aanknopingspunten kan bieden voor de toestand van aangeefster, kan de rechtbank op basis van deze verklaring niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat aangeefster op dat moment ook in verminderde staat van bewustzijn verkeerde.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.