Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-11
ECLI:NL:RBNHO:2024:12785
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Bodemzaak
2,808 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/356833 / HA ZA 24-522
Vonnis in incident van 11 december 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. Ö.G. Özturk te Uitgeest,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. J.I. Vervest te Heemskerk.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties
de incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheid tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord met producties
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Beoordeling
2.1.
Partijen zijn buren van elkaar.
2.2.
[eiser] vordert in de hoofdzaak (I) een verklaring voor recht dat de erfgrens loopt vanaf de lijn van het kozijn van ieders voordeur, vanaf de voorgevel tot aan de weg, in ieder geval zoals deze was bij aanvang van de huur van partijen, (II) [gedaagde] te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de door hem geplaatste haag te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, voor zover deze op de voortuin van [eiser] is gelegen, (III) [gedaagde] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het binnen 30 dagen na de datum van het vonnis voor gezamenlijke rekening van partijen (50/50) oprichten van een mandelige scheidsmuur (bestaande uit hekken) op de erfgrens zoals deze voorheen was, op straffe van een dwangsom, (IV) [gedaagde] te veroordelen om zich te onthouden van het plaatsen van camera’s op zijn erf welke zijn gericht op het erf van [eiser], reeds geïnstalleerde camera’s te verwijderen en [gedaagde] te verbieden nieuwe camera’s te plaatsen welke zijn gericht op het erf van [eiser], op straffe van een dwangsom en (V) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
2.3.
[gedaagde] vordert in het incident dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hij stelt dat [eiser] een vermogensrechtelijke eis instelt, gebaseerd op een gestelde inbreuk op een eigendomsrecht. [eiser] is echter geen eigenaar van de grond, want de woning en de grond zijn eigendom van de woningbouwvereniging en [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij is gemachtigd door de woningbouwvereniging om namens haar in rechte op te treden.
2.4.
[eiser] voert verweer. Hij stelt dat hij wel kan worden ontvangen in zijn vorderingen, omdat de Hoge Raad eerder heeft bepaald dat sommige bepalingen van het burenrecht niet alleen gelden voor eigenaren van een perceel, maar ook voor gebruikers zoals huurders, wanner zij hinder veroorzaken die invloed heeft op de buren. [eiser] stelt dat dit ook geldt voor artikel 5:37 BW. Hij voert verder aan dat de Hoge Raad heeft bepaald dat er een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij niet alleen de belangen van de huurder worden meegewogen, maar ook de belangen van de eigenaar van het perceel en dat het in dergelijke gevallen van belang is dat de eigenaar de gelegenheid krijgt zijn standpunt in het geding kenbaar te maken. [eiser] verwijst daarbij op een door hem overgelegde reactie van de advocaat van de woningbouwvereniging.
2.5.
Tenslotte verwijst [eiser] naar een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin het hof heeft overwogen dat ook niet-eigenaren vorderingen kunnen instellen en dat huurders onder omstandigheden ook gebruik kunnen maken van artikel 5:37 BW bijvoorbeeld als zij hinder ervaren van activiteiten die op het terrein van een buurman plaatsvinden.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.7.
Dit beroep op niet-ontvankelijkheid is geen incidentele vordering waarop bij incidenteel vonnis wordt beslist, maar is een verweer in de hoofdzaak. Er is dus geen incident geopend. Het feit dat [gedaagde] dit onderdeel van zijn verweer als incidentele conclusie voor alle weren heeft ingekleed, maakt niet dat hierop bij incidenteel vonnis moet worden beslist. Op dit beroep van [gedaagde] op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] moet dan ook in de hoofdzaak worden beslist.
2.8.
Omdat geen incident is geopend, zal over de kostenveroordeling worden beslist gelijk bij eindvonnis in de hoofdzaak.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
stelt vast dat geen incident is geopend,
in de hoofdzaak
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 januari 2025 voor beraad mondelinge behandeling na antwoord,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.
NJ 1992, 280 en NJ 1992, 281
ECLI:NL:GHSHE:2017:1534
type: 1155
coll:
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/356833 / HA ZA 24-522
Vonnis in incident van 11 december 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. Ö.G. Özturk te Uitgeest,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. J.I. Vervest te Heemskerk.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties
de incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheid tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord met producties
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Beoordeling
2.1.
Partijen zijn buren van elkaar.
2.2.
[eiser] vordert in de hoofdzaak (I) een verklaring voor recht dat de erfgrens loopt vanaf de lijn van het kozijn van ieders voordeur, vanaf de voorgevel tot aan de weg, in ieder geval zoals deze was bij aanvang van de huur van partijen, (II) [gedaagde] te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de door hem geplaatste haag te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, voor zover deze op de voortuin van [eiser] is gelegen, (III) [gedaagde] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het binnen 30 dagen na de datum van het vonnis voor gezamenlijke rekening van partijen (50/50) oprichten van een mandelige scheidsmuur (bestaande uit hekken) op de erfgrens zoals deze voorheen was, op straffe van een dwangsom, (IV) [gedaagde] te veroordelen om zich te onthouden van het plaatsen van camera’s op zijn erf welke zijn gericht op het erf van [eiser], reeds geïnstalleerde camera’s te verwijderen en [gedaagde] te verbieden nieuwe camera’s te plaatsen welke zijn gericht op het erf van [eiser], op straffe van een dwangsom en (V) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
2.3.
[gedaagde] vordert in het incident dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hij stelt dat [eiser] een vermogensrechtelijke eis instelt, gebaseerd op een gestelde inbreuk op een eigendomsrecht. [eiser] is echter geen eigenaar van de grond, want de woning en de grond zijn eigendom van de woningbouwvereniging en [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij is gemachtigd door de woningbouwvereniging om namens haar in rechte op te treden.
2.4.
[eiser] voert verweer. Hij stelt dat hij wel kan worden ontvangen in zijn vorderingen, omdat de Hoge Raad eerder heeft bepaald dat sommige bepalingen van het burenrecht niet alleen gelden voor eigenaren van een perceel, maar ook voor gebruikers zoals huurders, wanner zij hinder veroorzaken die invloed heeft op de buren. [eiser] stelt dat dit ook geldt voor artikel 5:37 BW. Hij voert verder aan dat de Hoge Raad heeft bepaald dat er een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij niet alleen de belangen van de huurder worden meegewogen, maar ook de belangen van de eigenaar van het perceel en dat het in dergelijke gevallen van belang is dat de eigenaar de gelegenheid krijgt zijn standpunt in het geding kenbaar te maken. [eiser] verwijst daarbij op een door hem overgelegde reactie van de advocaat van de woningbouwvereniging.
2.5.
Tenslotte verwijst [eiser] naar een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin het hof heeft overwogen dat ook niet-eigenaren vorderingen kunnen instellen en dat huurders onder omstandigheden ook gebruik kunnen maken van artikel 5:37 BW bijvoorbeeld als zij hinder ervaren van activiteiten die op het terrein van een buurman plaatsvinden.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.7.
Dit beroep op niet-ontvankelijkheid is geen incidentele vordering waarop bij incidenteel vonnis wordt beslist, maar is een verweer in de hoofdzaak. Er is dus geen incident geopend. Het feit dat [gedaagde] dit onderdeel van zijn verweer als incidentele conclusie voor alle weren heeft ingekleed, maakt niet dat hierop bij incidenteel vonnis moet worden beslist. Op dit beroep van [gedaagde] op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] moet dan ook in de hoofdzaak worden beslist.
2.8.
Omdat geen incident is geopend, zal over de kostenveroordeling worden beslist gelijk bij eindvonnis in de hoofdzaak.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
stelt vast dat geen incident is geopend,
in de hoofdzaak
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 januari 2025 voor beraad mondelinge behandeling na antwoord,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.
NJ 1992, 280 en NJ 1992, 281
ECLI:NL:GHSHE:2017:1534
type: 1155
coll: