Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:12677
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,496 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10580617 \ CV EXPL 23-3993
Uitspraakdatum: 18 december 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Zon en Scherm Almere B.V.
gevestigd te Almere
de eisende partij
gemachtigde: mr. W. Meijs
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1Het verdere procesverloop
1.1.
Bij tussenvonnis van 8 november 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter
de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of daarbij is voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Dit heeft zij gedaan bij akte van 6 december 2023 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
2.1.
In de naar aanleiding van het tussenvonnis genomen akte heeft de eisende partij toegelicht hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de door de eisende partij gegeven toelichting maakt de kantonrechter op dat er sprake is van een ‘op afstand’ gesloten overeenkomst. Dat de eisende partij voor het sluiten van de overeenkomst bij gedaagde langs is geweest om één en ander in te meten, maakt dat niet anders. Vervolgens zijn er namelijk per e-mail offertes aan de gedaagde partij toegestuurd en is er na telefonisch overleg tussen partijen overeenstemming bereikt. Dit maakt dat er sprake is van een ‘op afstand gesloten’ overeenkomst.
2.2.
Omdat er sprake is van een ‘op afstand gesloten overeenkomst’ moet bij het sluiten van de overeenkomst worden voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen uit artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten concreet aan te geven welke informatie waar in de aan de gedaagde partij toegestuurde offertes en daarbij behorende stukken te vinden is, terwijl het op de weg van de eisende partij had gelegen om expliciet en op een duidelijke manier aan te geven op producties waar welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante informatie in de betreffende producties te arceren, maar tenminste door aan te geven op welke bladzijde van de productie de betreffende informatie te vinden is). Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie in het dossier.
2.3.
Bij wijze van uitzondering heeft de kantonrechter in dit geval wel zelf in de stukken gecontroleerd of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de wettelijk voorgeschreven (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter niet volledig het geval is. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230 lid 1 onder h BW heeft voldaan. Dit artikel bepaalt onder meer dat de consument moet worden gewezen op het wettelijk herroepingsrecht (artikel 6:230o BW). Een eventuele verwijzing naar in de algemene voorwaarden opgenomen herroepingsrecht is onvoldoende. De kantonrechter is van oordeel dat de gedaagde partij hiermee niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte is gebracht van deze informatie. De gedaagde partij had er vóór het sluiten van de overeenkomst tenminste expliciet op gewezen moeten worden dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Niet gesteld of gebleken is dat daaraan is voldaan.
2.4.
Ook heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW volledig is nagekomen. Deze informatieplicht houdt kortgezegd in dat de eisende partij een bevestiging van de overeenkomst aan de consument moet verstrekken met daarin de in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. De door de eisende partij overgelegde bevestiging overgelegde overeenkomst kwalificeert als duurzame gegevensdrager als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder h BW, maar daarin ontbreekt informatie over het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW.
Wat is hiervan het gevolg?
2.5.
De schending met betrekking tot het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, maar ten hoogste met twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Omdat deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst binnen die termijn heeft willen herroepen, zal aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie worden verbonden
2.6.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.7.
In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële (pre)contractuele informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder h BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomsten gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom.
Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden
2.8.
De eisende partij heeft bij de akte die zij naar aanleiding van het tussenvonnis heeft genomen algemene voorwaarden overgelegd. De kantonrechter gaat ervan uit dat de eisende partij deze heeft overgelegd, omdat die algemene voorwaarden van toepassing zijn op de met de gedaagde partij gesloten overeenkomst. De kantonrechter moet daarom ook ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 15.10 en 15.11 van de door de eisende partij overgelegde algemene voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.9.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 5.250,02 (€ 7.000,03 x 0,75) aan hoofdsom toewijsbaar.
2.10.
De door de eisende partij gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de eisende partij niet, althans onvoldoende heeft gesteld op welke datum de eisende partij de aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW aan de gedaagde partij heeft verzonden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 5.250,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 juni 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 107,84
griffierecht € 514,00
salaris gemachtigde € 271,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10580617 \ CV EXPL 23-3993
Uitspraakdatum: 18 december 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Zon en Scherm Almere B.V.
gevestigd te Almere
de eisende partij
gemachtigde: mr. W. Meijs
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1Het verdere procesverloop
1.1.
Bij tussenvonnis van 8 november 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter
de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of daarbij is voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Dit heeft zij gedaan bij akte van 6 december 2023 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
2.1.
In de naar aanleiding van het tussenvonnis genomen akte heeft de eisende partij toegelicht hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de door de eisende partij gegeven toelichting maakt de kantonrechter op dat er sprake is van een ‘op afstand’ gesloten overeenkomst. Dat de eisende partij voor het sluiten van de overeenkomst bij gedaagde langs is geweest om één en ander in te meten, maakt dat niet anders. Vervolgens zijn er namelijk per e-mail offertes aan de gedaagde partij toegestuurd en is er na telefonisch overleg tussen partijen overeenstemming bereikt. Dit maakt dat er sprake is van een ‘op afstand gesloten’ overeenkomst.
2.2.
Omdat er sprake is van een ‘op afstand gesloten overeenkomst’ moet bij het sluiten van de overeenkomst worden voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen uit artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten concreet aan te geven welke informatie waar in de aan de gedaagde partij toegestuurde offertes en daarbij behorende stukken te vinden is, terwijl het op de weg van de eisende partij had gelegen om expliciet en op een duidelijke manier aan te geven op producties waar welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante informatie in de betreffende producties te arceren, maar tenminste door aan te geven op welke bladzijde van de productie de betreffende informatie te vinden is). Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie in het dossier.
2.3.
Bij wijze van uitzondering heeft de kantonrechter in dit geval wel zelf in de stukken gecontroleerd of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de wettelijk voorgeschreven (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter niet volledig het geval is. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230 lid 1 onder h BW heeft voldaan. Dit artikel bepaalt onder meer dat de consument moet worden gewezen op het wettelijk herroepingsrecht (artikel 6:230o BW). Een eventuele verwijzing naar in de algemene voorwaarden opgenomen herroepingsrecht is onvoldoende. De kantonrechter is van oordeel dat de gedaagde partij hiermee niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte is gebracht van deze informatie. De gedaagde partij had er vóór het sluiten van de overeenkomst tenminste expliciet op gewezen moeten worden dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Niet gesteld of gebleken is dat daaraan is voldaan.
2.4.
Ook heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW volledig is nagekomen. Deze informatieplicht houdt kortgezegd in dat de eisende partij een bevestiging van de overeenkomst aan de consument moet verstrekken met daarin de in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. De door de eisende partij overgelegde bevestiging overgelegde overeenkomst kwalificeert als duurzame gegevensdrager als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder h BW, maar daarin ontbreekt informatie over het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW.
Wat is hiervan het gevolg?
2.5.
De schending met betrekking tot het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, maar ten hoogste met twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Omdat deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst binnen die termijn heeft willen herroepen, zal aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie worden verbonden
2.6.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.7.
In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële (pre)contractuele informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder h BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomsten gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom.
Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden
2.8.
De eisende partij heeft bij de akte die zij naar aanleiding van het tussenvonnis heeft genomen algemene voorwaarden overgelegd. De kantonrechter gaat ervan uit dat de eisende partij deze heeft overgelegd, omdat die algemene voorwaarden van toepassing zijn op de met de gedaagde partij gesloten overeenkomst. De kantonrechter moet daarom ook ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 15.10 en 15.11 van de door de eisende partij overgelegde algemene voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.9.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 5.250,02 (€ 7.000,03 x 0,75) aan hoofdsom toewijsbaar.
2.10.
De door de eisende partij gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de eisende partij niet, althans onvoldoende heeft gesteld op welke datum de eisende partij de aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW aan de gedaagde partij heeft verzonden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 5.250,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 juni 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 107,84
griffierecht € 514,00
salaris gemachtigde € 271,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter