Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-14
ECLI:NL:RBNHO:2024:12620
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
2,942 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6557
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
14 november 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, verweerder
(gemachtigden: B.C.A. Post en B. van Yperen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] (vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster in verband met de verleende omgevingsvergunning (de vergunning) voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [perceel] in [plaats] .
1.1.
Verweerder heeft de vergunning verleend op 17 september 2024 (het bestreden besluit). Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer HAA 24-6694.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 november 2024 op zitting behandeld. Verzoekster en haar partner hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. Verder hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder en voor vergunninghouder [naam] .
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Vergunninghouder heeft op 25 april 2023 een omgevingsvergunning gevraagd om een windturbine te kunnen bouwen op het perceel [perceel] in [plaats] . Voor dat perceel geldt onder andere het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’. Verweerder heeft het besluit voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, waartegen vier zienswijzen zijn ingediend. Die zienswijzen heeft verweerder betrokken bij de vergunningverlening.
4. Verzoekster wil voorkomen dat vergunninghouder met de bouw van de windturbine start voordat op haar beroep is beslist. Verzoekster stelt onder andere dat het in de lijn der verwachting ligt dat er een ontheffing nodig is op basis van de Wet natuurbescherming.
5.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunningverlening mede is gebaseerd op een quickscan ecologie van 28 juni 2023. In de vergunning onderschrijft verweerder op bladzijde 8 de conclusies van het rapport. Verweerder schrijft dat er geen significante aantasting van flora en fauna wordt verwacht, dat nader onderzoek niet nodig is, maar adviseert om bepaalde maatregelen te nemen, zoals in de quickscan vermeld . Bijlage II bij de vergunning bevat voorschriften. Het derde voorschrift (op bladzijde 10) luidt als volgt: “Het is mogelijk dat u een flora- en fauna activiteit nodig heeft in het kader van de Wet natuurbescherming, toestemming hiervoor kunt u vragen bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
5.2
De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat op voorhand niet kan worden uitgesloten of voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ook een vergunning/ontheffing nodig is op grond van de Wet natuurbescherming. Op de aanvraag is het recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 januari 2024. Dit betekent dat het toetsingskader onder andere wordt gevormd door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het systeem van de Wabo haakt de natuurvergunning aan bij de omgevingsvergunning en is eventueel een verklaring van geen bedenkingen nodig van het bevoegd gezag. Op verweerder rust een onderzoeksverplichting. Verweerder heeft dit ter zitting erkend en heeft erkend dat de omgevingsvergunning is verleend zonder dat onderzoek uit te voeren. Daar komt bij dat de aan verweerder geadviseerde maatregelen in de quickscan niet in de omgevingsvergunning maar in de natuurvergunning zouden moeten worden opgenomen. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024 door
mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6557
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
14 november 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, verweerder
(gemachtigden: B.C.A. Post en B. van Yperen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] (vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster in verband met de verleende omgevingsvergunning (de vergunning) voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [perceel] in [plaats] .
1.1.
Verweerder heeft de vergunning verleend op 17 september 2024 (het bestreden besluit). Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer HAA 24-6694.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 november 2024 op zitting behandeld. Verzoekster en haar partner hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. Verder hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder en voor vergunninghouder [naam] .
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Vergunninghouder heeft op 25 april 2023 een omgevingsvergunning gevraagd om een windturbine te kunnen bouwen op het perceel [perceel] in [plaats] . Voor dat perceel geldt onder andere het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’. Verweerder heeft het besluit voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, waartegen vier zienswijzen zijn ingediend. Die zienswijzen heeft verweerder betrokken bij de vergunningverlening.
4. Verzoekster wil voorkomen dat vergunninghouder met de bouw van de windturbine start voordat op haar beroep is beslist. Verzoekster stelt onder andere dat het in de lijn der verwachting ligt dat er een ontheffing nodig is op basis van de Wet natuurbescherming.
5.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunningverlening mede is gebaseerd op een quickscan ecologie van 28 juni 2023. In de vergunning onderschrijft verweerder op bladzijde 8 de conclusies van het rapport. Verweerder schrijft dat er geen significante aantasting van flora en fauna wordt verwacht, dat nader onderzoek niet nodig is, maar adviseert om bepaalde maatregelen te nemen, zoals in de quickscan vermeld . Bijlage II bij de vergunning bevat voorschriften. Het derde voorschrift (op bladzijde 10) luidt als volgt: “Het is mogelijk dat u een flora- en fauna activiteit nodig heeft in het kader van de Wet natuurbescherming, toestemming hiervoor kunt u vragen bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
5.2
De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat op voorhand niet kan worden uitgesloten of voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ook een vergunning/ontheffing nodig is op grond van de Wet natuurbescherming. Op de aanvraag is het recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 januari 2024. Dit betekent dat het toetsingskader onder andere wordt gevormd door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het systeem van de Wabo haakt de natuurvergunning aan bij de omgevingsvergunning en is eventueel een verklaring van geen bedenkingen nodig van het bevoegd gezag. Op verweerder rust een onderzoeksverplichting. Verweerder heeft dit ter zitting erkend en heeft erkend dat de omgevingsvergunning is verleend zonder dat onderzoek uit te voeren. Daar komt bij dat de aan verweerder geadviseerde maatregelen in de quickscan niet in de omgevingsvergunning maar in de natuurvergunning zouden moeten worden opgenomen. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024 door
mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.