Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-07
ECLI:NL:RBNHO:2024:12339
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,978 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2024:12339 text/xml public 2026-02-12T11:16:23 2024-12-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2024-11-07 11036081 \ CV EXPL 24-719 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zaanstad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12339 text/html public 2026-02-12T10:41:18 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2024:12339 Rechtbank Noord-Holland , 07-11-2024 / 11036081 \ CV EXPL 24-719 In deze zaak vordert eiser, een aannemer, betaling van facturen. Gedaagde vindt dat hij deze niet hoeft te betalen omdat hij niet de opdrachtgever is. De kantonrechter geeft gedaagde hierin ongelijk. Gedaagde moet daarom betalen voor de verrichte werkzaamheden. Omdat partijen geen prijs hebben afgesproken moet gedaagde een redelijke prijs betalen. Voor de vaststelling daarvan neemt de kantonrechter tot uitgangspunt de gespecificeerde facturen van eiser, die gedaagde niet voldoende heeft betwist. De kantonrechter wijst de vordering grotendeels toe. Omdat gedaagde een consument is en eiser een essentiële informatieplicht heeft geschonden wordt de te betalen prijs verminderd met 5%. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zaanstad Zaaknummer: 11036081 \ CV EXPL 24-719 Vonnis van 7 november 2024 in de zaak van [eiser] , HANDELEND ONDER DE NAAM [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L.A.H.M. Creemers, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. F.J.C. van Altena. De zaak in het kort In deze zaak vordert eiser, een aannemer, betaling van facturen. Gedaagde vindt dat hij deze niet hoeft te betalen omdat hij niet de opdrachtgever is. De kantonrechter geeft gedaagde hierin ongelijk. Gedaagde moet daarom betalen voor de verrichte werkzaamheden. Omdat partijen geen prijs hebben afgesproken moet gedaagde een redelijke prijs betalen. Voor de vaststelling daarvan neemt de kantonrechter tot uitgangspunt de gespecificeerde facturen van eiser, die gedaagde niet voldoende heeft betwist. De kantonrechter wijst de vordering grotendeels toe. Omdat gedaagde een consument is en eiser een essentiële informatieplicht heeft geschonden wordt de te betalen prijs verminderd met 5%. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties A tot en met C - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10 - het tussenvonnis van 27 juni 2024 - de brief van 4 oktober 2024 van [eiser] met producties D tot en met M - de mondelinge behandeling van 16 oktober 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnotities van mr. Creemers en mr. Van Altena. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is een eenmanszaak in [woonplaats] , die zich bezighoudt met algemene burgerlijke en utiliteitsbouw, waaronder de afwerking van vloeren en wanden. 2.2. [gedaagde] huurt sinds 1 oktober 2023 de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning). In de huurovereenkomst staat dat deze is aangegaan voor een periode van vijf jaar. De huurovereenkomst is destijds gesloten met [naam verhuurder] als verhuurder, tevens eigenaar van de woning (hierna te noemen: [naam verhuurder] ). 2.3. In een factuur van 13 november 2023 heeft [eiser] een bedrag van € 8.648,00 aan [gedaagde] in rekening gebracht voor in de woning verrichte werkzaamheden (materialen en manuren). [gedaagde] heeft dit factuurbedrag aan [eiser] betaald. 2.4. Op 20 november 2023 is [naam verhuurder] overleden. [naam verhuurder] heeft in zijn testament tot bewindvoerder en executeur benoemd [executeur] (hierna te noemen: de executeur), die deze benoemingen heeft aanvaard. 2.5. In twee facturen van 6 januari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] in rekening gebracht een bedrag van € 4.672,00 voor in de woning verwerkte materialen respectievelijk een bedrag van € 17.253,63 voor in de woning gewerkte manuren. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – betaling van de hiervoor genoemde facturen van 6 januari 2024 met een totaalbedrag van € 21.925,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 maart 2024, en een bedrag van € 1.203,05 voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] voert daarvoor aan – kort weergegeven – dat een overeenkomst met [gedaagde] is gesloten op grond waarvan [eiser] werkzaamheden in de woning heeft verricht en materialen heeft geleverd, die [gedaagde] moet betalen. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . [gedaagde] voert daarvoor aan – samengevat – dat niet hij de opdrachtgever is van [eiser] , maar verhuurder [naam verhuurder] . Voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat wel sprake is van een overeenkomst tussen partijen, vindt [gedaagde] dat hij hooguit kan worden aangesproken tot betaling van € 4.777,58. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling [gedaagde] is de opdrachtgever 4.1. Tussen partijen staat vast dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht in de woning die [gedaagde] huurt, en daarbij benodigde materialen heeft geleverd. [eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van de werkzaamheden waarvan betaling wordt gevorderd. De kantonrechter vindt dat dit voldoende is komen vast te staan en licht dit als volgt toe. 4.2. Partijen zijn het erover eens dat verhuurder [naam verhuurder] renovatiewerkzaamheden heeft laten uitvoeren in de woning ten behoeve van de verhuur aan [gedaagde] . Zo is in opdracht en voor rekening van [naam verhuurder] de elektriciteitsvoorziening vernieuwd, is de woning voorzien van een airco en een nieuwe poort, is een isolatievloer aangebracht, is het plafond vervangen, is een nieuwe douchehoek geplaatst en is er buitenschilderwerk verricht. De kosten daarvoor zijn door (de erven van) [naam verhuurder] betaald. Daarnaast zijn na het overlijden van [naam verhuurder] in opdracht van de executeur nog aanvullende werkzaamheden in de woning verricht door [eiser] , waaronder het verwijderen van asbest, het verplaatsen van een buitenkraan, het aanbrengen van balken op zolder, keuring van de meterkast en het aanbrengen van extra staal bij het balkonhek. De kosten daarvoor zijn ten laste van de nalatenschap van [naam verhuurder] gebracht. 4.3. Het feit dat in opdracht en voor rekening van (de erven van) [naam verhuurder] de hiervoor bedoelde renovatiewerkzaamheden in de woning zijn verricht betekent echter niet dat is overeengekomen dat ook alle andere kosten voor verbetering van de woning voor rekening van de verhuurder kwamen. Mr. Van Altena heeft namelijk op de zitting gezegd dat [gedaagde] met [naam verhuurder] heeft afgesproken dat in geval er kwaliteitsverbeteringen boven het normale huurgenot zouden zijn, de meerkosten daarvan door [gedaagde] voldaan zouden worden. Ook staat vast dat [gedaagde] zelf op 4 oktober 2023 akoestische wandpanelen heeft gekocht en op 11 november 2023 een sfeerhaard, en dat deze zaken door [eiser] in de woning zijn geplaatst. 4.4. [gedaagde] heeft foto’s overgelegd van een aantal kamers in de woning, die zijn gemaakt voordat de werkzaamheden zijn gestart. [eiser] heeft ook foto’s overgelegd, zowel van de oude situatie als foto’s die zijn gemaakt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in de woning. Uit de foto’s blijkt dat naast de hiervoor omschreven renovatiewerkzaamheden die onbetwist in opdracht en voor rekening van [naam verhuurder] zijn uitgevoerd, onder meer de volgende werkzaamheden door [eiser] zijn verricht.
Volledig
De bestaande laminaatvloer in de woonkamer is vervangen door een nieuwe pvc visgraatvloer, de vloerbedekking boven is vervangen door een nieuwe pvc vloer, er zijn hoge plinten aangebracht, alle radiatoren zijn voorzien van een op maat gemaakte wit geschilderde ombouw met vensterbank, de badkamer is voorzien van nieuw tegelwerk en op maat gemaakte (wastafel)meubels met ledverlichting, er zijn taatsdeuren geplaatst, een wand in de woonkamer is verbouwd tot cinema wall met sfeerhaard en inbouwkastdeur, en deze wand is afgewerkt met houten latten. 4.5. Met de hiervoor omschreven extra werkzaamheden en materialen is de woning voorzien van een inrichting met een hoogwaardig afwerkingsniveau, die voldoet aan de persoonlijke wensen van [gedaagde] . Het gaat om aanpassingen van de huurwoning die een huurder alleen mag (laten) doen met toestemming van de verhuurder. Hoewel [naam verhuurder] en [gedaagde] hierover geen schriftelijke afspraken hebben gemaakt, staat niet ter discussie dat [naam verhuurder] akkoord was met de in het geding zijnde aanpassingen. Maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat [naam verhuurder] ook de opdrachtgever voor die werkzaamheden is geweest. Stukken die onderbouwen dat [naam verhuurder] de opdracht daarvoor aan [eiser] zou hebben gegeven ontbreken. 4.6. [gedaagde] heeft ook onvoldoende toegelicht waarom de door hem gewenste inrichtingszaken zoals vloerbedekking, radiator ombouwen, de op maat gemaakte badkamermeubels en cinema wall met lattenafwerking voor rekening van de verhuurder zouden moeten komen. De overgelegde huurovereenkomst, waarin alleen een kale huur zonder servicekosten is afgesproken, biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De enkele omstandigheid dat de woning mogelijk in waarde is gestegen door de uitgevoerde werkzaamheden is onvoldoende om aan te nemen dat [naam verhuurder] als opdrachtgever moet worden beschouwd. 4.7. Daarbij is van belang dat uit de overgelegde WhatsAppgesprekken tussen partijen blijkt dat [gedaagde] op 3 oktober 2023 aan [eiser] heeft doorgegeven welke PVC visgraatvloer hij beneden wil en heeft gevraagd of [eiser] ook shutters maakt. Op 9 oktober 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] doorgegeven welke binnendeuren hij voor de keuken en het toilet in de woning wil. Op 2 november 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] foto’s gestuurd van de in de maak zijnde maatwerk radiator ombouwen en op 3 november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] doorgegeven welke PVC vloer hij boven wil. Dit past in het plaatje van bestellingen die [gedaagde] deed voor de inrichting en hoogwaardige afwerking van woning, buiten de standaard, en duidt erop dat [gedaagde] de opdrachtgever is. 4.8. Vervolgens schrijft [gedaagde] in een WhatsAppbericht van 13 november 2023 aan [eiser] : “ [eiser] voor mij alles ff op stop zetten, alles opschrijven wat je gemaakt heb aan uren en materiaal besteld en verwerkt heb en een factuur naar [e-mailadres] sturen. Als je hem vandaag maken de factuur staat het vandaag nog op je rekening” . Het feit dat [gedaagde] in dit WhatsAppbericht de woorden “voor mij” gebruikt is een aanwijzing dat [gedaagde] zelf ook meende dat [eiser] voor hem werkte. Diezelfde dag heeft [eiser] een factuur gemaakt voor ‘Werk [adres] [woonplaats] ’, gericht aan [gedaagde] , met een onderliggende specificatie van gewerkte uren en materialen, met een totaalbedrag van € 8.648,00. Vast staat dat [gedaagde] dit factuurbedrag aan [eiser] nog dezelfde dag heeft betaald, zonder enig voorbehoud. Ook dat is een sterke aanwijzing dat [gedaagde] moet worden beschouwd als de opdrachtgever van [eiser] , te meer omdat [naam verhuurder] op 13 november 2023 nog leefde. [gedaagde] geeft als verklaring voor zijn betaling dat dit coulance is geweest, dat hij vertraging wilde voorkomen, dat hij ook winkelpanden van [naam verhuurder] huurde en dat het wel vaker gebeurde dat hij iets voorschoot wat dan achteraf werd verrekend. Maar [gedaagde] heeft dit niet onderbouwd en uit niets blijkt dat op 13 november 2023 vertraging dreigde. Sterker nog, [gedaagde] heeft zelf aan [eiser] gevraagd alles even stop te zetten. De reden voor dit verzoek is door [gedaagde] niet toegelicht. Volgens [eiser] hield dit verband met het voornemen van [gedaagde] om met een nieuw argument zijn tot dan toe niet geaccordeerde wens om de keuken te laten vervangen nogmaals bij [naam verhuurder] aan te kaarten. 4.9. De dag na het overlijden van [naam verhuurder] , op 21 november 2023, schrijft [gedaagde] in een WhatsApp aan [eiser] : “Maar je legt nu eerst de vloeren toch? We moeten sowieso even wachten met die cinema wall, heb die afdek-lat besteld die is er in december” . [eiser] reageert daarop met: “Vloer is bestel weet nog niet wanneer levering” . Op 22 november 2023 schrijft [gedaagde] aan [eiser] : “Kun je mij jou planning nog even sturen wat je nog gaat doen op de [adres] deze week? Als de cinema wall klaar is zijn we voorlopig even uitgebouwd. De deuren kunnen erin maar daar zit nog een levertijd op” . Ondank het feit dat [naam verhuurder] daags daarvoor is overleden geeft [gedaagde] nieuwe instructies aan [eiser] . Kennelijk heeft [eiser] de werkzaamheden hervat na de door [gedaagde] afgekondigde stop op 13 november 2023, en uit deze berichten blijkt dat [gedaagde] degene is die bepaalt wat er moet gebeuren. 4.10. De hiervoor omschreven feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter voldoende om aan te nemen dat tussen [gedaagde] en [eiser] een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, op grond waarvan [eiser] werkzaamheden in de woning heeft verricht en daarbij gebruikte materialen heeft geleverd. Het schriftelijkheidsvereiste is niet van toepassing 4.11. De overeenkomst die ten grondslag ligt aan de vordering van [eiser] is niet schriftelijk vastgelegd. Anders dan [gedaagde] betoogt heeft dit niet tot gevolg dat de overeenkomst nietig is. De overeenkomst waar het in deze zaak om gaat valt namelijk niet onder het bereik van de artikelen 7:765 tot en met 7:769 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:765 BW bepaalt dat de bijzondere bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn op “aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf” . Uit deze wettekst en de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om de bouw van een woning. [gedaagde] meent dat de renovatiewerkzaamheden daaronder vallen, kennelijk omdat deze zien op bestanddelen van de woning. Het woord “daarvan” in de hiervoor geciteerde wettekst slaat echter terug op “een onroerende zaak” en niet op het voor de komma genoemde “een woning” . De wetgever heeft de bouw van een woning beperkt tot onroerende zaken, en woningen die niet zelfstandig een onroerende zaak zijn maar bestanddeel van een groter complex onder de bescherming van de regeling gebracht. De renovatie van delen van de bestaande woning waarvan in dit geval sprake is kan niet worden aangemerkt als “bouw van een woning” in de zin van artikel 7:765 BW, zodat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:766 lid 1 BW niet van toepassing is. [eiser] heeft zijn informatieplicht ten aanzien van de prijs geschonden 4.12. Zoals hiervoor is geoordeeld bestaat tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk. Die overeenkomst is gesloten door [eiser] als professionele partij met [gedaagde] als consument. [eiser] stelt dat de overeenkomst mondeling in de woning is gesloten. [gedaagde] betwist weliswaar dat überhaupt een overeenkomst tot stand is gekomen, maar niet dat hij regelmatig samen met [eiser] in de woning is geweest en daar over de te verrichten werkzaamheden heeft gesproken. Daarmee neemt de kantonrechter aan dat partijen de afspraken over de opdracht hebben gemaakt in elkaars aanwezigheid in de woning, zodat sprake is van een overeenkomst buiten de verkoopruimte zoals bedoeld in artikel 6:230g BW. 4.13. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de precontractuele informatieplichten zoals uitgewerkt in artikel 6:230m BW. Dit ter bescherming van de consument.
Volledig
De kantonrechter moet ambtshalve (uit zichzelf) onderzoeken of daaraan is voldaan, ook als partijen daar zelf niks over hebben aangevoerd. Op basis van de stukken en de stellingen van partijen is voldoende gebleken dat [eiser] aan zijn informatieplichten heeft voldaan, behalve ten aanzien van de prijs van het te verrichten werk. Artikel 6:230m lid 1, sub e, BW bepaalt dat vóórdat een consument gebonden is aan een overeenkomst die buiten de verkoopruimte is gesloten, de handelaar aan de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie moet verstrekken over – kort gezegd – de totale prijs van de zaken of diensten, of de manier waarop de prijs moet worden berekend als deze door de aard van de zaak of de dienst redelijkerwijs niet vooraf berekend kan worden. 4.14. In dit geval hebben partijen hun afspraken niet schriftelijk vastgelegd. Partijen komen beiden uit [woonplaats] en kenden elkaar al voordat de overeenkomst werd gesloten. Alles ging mondeling en in goed vertrouwen, aldus [eiser] . [gedaagde] deed naar eigen zeggen op dezelfde manier zaken met verhuurder [naam verhuurder] , van wie hij ook winkelpanden huurde. Partijen troffen elkaar regelmatig ter plaatse in de woning en communiceerden ook via WhatsApp. Voor wat betreft de prijs stelt [eiser] in algemene bewoordingen dat per opdracht vooraf tegen [gedaagde] is gezegd wat het zou gaan kosten. [gedaagde] betwist dit en zegt nooit een prijsopgave te hebben ontvangen. [eiser] heeft daartegenover niet nader toegelicht welke prijsinformatie concreet is verstrekt en op welk moment dit is gebeurd. Over de door [gedaagde] voor het werk te betalen prijs staat niets op papier. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m lid 1, sub e, BW. [gedaagde] moet een redelijke prijs betalen 4.15. Uit het voorgaande volgt ook dat bij het sluiten van de overeenkomst geen prijs is afgesproken en geen richtprijs is bepaald. [eiser] werkte op regiebasis en factureerde op basis van nacalculatie, zoals ook blijkt uit de op verzoek van [gedaagde] opgemaakte eerste factuur van 13 november 2023. Voor die situatie bepaalt de wet dat de opdrachtgever, in dit geval [gedaagde] , een redelijke prijs verschuldigd is. 4.16. [eiser] heeft in zijn optiek een redelijke prijs aan [gedaagde] in rekening gebracht met de twee facturen van 4 januari 2024 waarvan betaling wordt gevorderd. Bij die facturen zijn overzichten verstrekt van gewerkte uren en ingekochte materialen. Deze overzichten vermelden concreet dat in totaal 357 uren zijn gemaakt door vier personen ( [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [eiser] ) in de periode van 17 november 2023 tot en met 4 januari 2024 tegen een uurtarief van € 36,60 inclusief btw voor [naam 1] en € 54,45 inclusief btw voor [naam 2] , [naam 3] en [eiser] . Daarbij is vermeld wie op welke datum hoeveel uur heeft gewerkt, met een korte omschrijving van het betreffende werk, en welke materialen in rekening zijn gebracht met bijbehorende prijzen. In deze procedure heeft [eiser] ook een omschrijving gegeven van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd, onderbouwd met foto’s. Daarmee heeft [eiser] een deugdelijk specificatie gegeven van de door hem berekende prijs. 4.17. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om aan de hand van de door [eiser] gegeven specificatie in voldoende detail duidelijk te maken welke onderdelen daarvan worden betwist en waarom het totaalbedrag geen redelijke prijs zou zijn. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Hoewel [gedaagde] al sinds 4 januari 2024 beschikt over de facturen met bijbehorende specificaties, die ook bij de dagvaarding zijn overgelegd, heeft hij daartegen in zijn conclusie van antwoord geen specifiek verweer gevoerd. Dat doet hij voor het eerst op de zitting. Ten aanzien van het gefactureerde arbeidsloon heeft [gedaagde] daar opgemerkt dat hij [naam 1] nooit in de woning heeft gezien. [eiser] verklaart daarover dat ook in de werkplaats is gewerkt. Verder heeft [gedaagde] in algemene termen aangevoerd dat het totale aantal in rekening gebrachte uren buitenproportioneel is. Dit verweer is onvoldoende concreet. [gedaagde] wist welk werk werd uitgevoerd en is regelmatig in de woning geweest om die werkzaamheden te volgen. Het gaat om een grote verbouwing die zich heeft uitgestrekt over een periode van drie maanden. [gedaagde] maakt niet duidelijk, al was het maar bij benadering, hoeveel uren volgens hem redelijkerwijs wel aan het werk besteed hadden kunnen worden. Tegen het gehanteerde uurtarief verweert [gedaagde] zich niet. 4.18. Ter zake de gefactureerde materialen voert [gedaagde] op de zitting aan dat hij niet inziet waarom deze voor zijn rekening moeten komen omdat de materialen door natrekking en vermenging uitsluitend ten goede van de verhuurder komen. Dit wist [gedaagde] echter van tevoren toen hij opdracht gaf om de woning te voorzien van de door hem gekozen inrichtingszaken en kan [eiser] niet worden tegengeworpen. Tegen de in rekening gebrachte materiaalprijzen als zodanig voert [gedaagde] geen verweer. 4.19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [eiser] in rekening gebrachte prijs van € 21.925,63 als redelijk te beschouwen is, met inachtneming van het volgende. De sanctie wegens schending van de informatieplicht 4.20. [eiser] heeft de essentiële informatieplicht van artikel 6:230m lid 1, sub e, BW geschonden. De Hoge Raad heeft beslist dat de rechter gehouden kan zijn om een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen indien sprake is van een voldoende ernstige schending van één of meer essentiële informatieplichten. Een gedeeltelijke vernietiging kan bestaan uit een vermindering van de betalingsverplichtingen van de consument. De rechtbanken hebben naar aanleiding van deze uitspraak van de Hoge Raad de ‘Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten’ vastgesteld (hierna: de richtlijn) , die inhoudt – samengevat – dat bij minder dan vier voldoende ernstige schendingen de betalingsverplichting wordt verminderd met 25%. De rechter kan daarvan echter afwijken indien hij de aangewezen sanctie in de gegeven omstandigheden niet doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend acht. 4.21. In dit geval ziet de kantonrechter aanleiding om naar beneden af te wijken van de richtlijn, en de betalingsverplichting van [gedaagde] te verminderen met 5%. Daarbij is het volgende redengevend. Bij de handhaving van de consumentenbeschermende informatieplichten moet het evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven worden gewaarborgd. Het Europeesrechtelijke consumentenbeschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de handelaar in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de handelaar beschikt. De verhouding tussen [gedaagde] en [eiser] is echter niet die van een doorsnee zwakkere consument tegenover een grote machtige ondernemer. [eiser] is een eenmanszaak. [gedaagde] heeft naar eigen zeggen zelf meerdere ondernemingen en is politiek actief in de gemeente [woonplaats] . Partijen kenden elkaar al voordat de overeenkomst werd gesloten. [gedaagde] was bovendien nauw betrokken bij de werkzaamheden die [eiser] voor hem uitvoerde en bepaalde in belangrijke mate welke materialen gebruikt werden. Zo heeft [gedaagde] aan [eiser] doorgegeven welke vloeren besteld en gelegd moesten worden, door toezending van specifieke links van een website. Ook voor wat betreft de binnendeuren heeft [gedaagde] doorgegeven welk merk en type [eiser] moest bestellen. Daarnaast heeft [gedaagde] zelf materialen gekocht die [eiser] vervolgens heeft verwerkt, zoals eerdergenoemde akoestische wandpanelen, een sfeerhaard en badkamertegels. 4.22. Onder deze omstandigheden vindt de kantonrechter een vermindering van de betalingsverplichting van [gedaagde] met 5% van € 21.925,63 (= € 1.096,28) een passende maatregel wegens schending van de verplichting van [eiser] om vooraf voldoende duidelijk informatie te verstrekken over de prijs van het te verrichten werk. Wat is toewijsbaar? 4.23.