Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-09
ECLI:NL:RBNHO:2024:12069
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,012 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10575452 \ CV EXPL 23-3954
Uitspraakdatum: 9 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], wonende te [plaats 1],
2. [eiser 2], wonende te [plaats 2],
3. [eiser 3], wonende te [plaats 3],
4. [eiser 4], wonende te [plaats 4],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
United Airlines
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. B.E. Struijk
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder de passagiers op 20 juni 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via Chicago (Verenigde Staten). Vanuit Chicago zouden de passagiers sub 1 en 2 met een aansluitende vlucht hun weg vervolgen naar Denver (Verenigde Staten).
2.2.
Vlucht UA908 van Amsterdam naar Chicago (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd.
2.3.
De passagiers sub 1 en 2 hebben hun aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij ruim vijf uur later dan oorspronkelijk gepland op de overeengekomen eindbestemming (Denver) zijn aangekomen.
2.4.
De passagiers sub 3 en 4 zijn met een vertraging van 3 uur en 37 minuten op hun eindbestemming (Chicago) aangekomen.
2.5.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.6.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 425,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening.
3.3.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per passagier voor de passagiers sub 1 en 2 en € 300,- per passagier voor van de passagiers sub 3 en 4 (artikel 7 van de Verordening).
3.4.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat de vertraging van de vlucht voor de duur van 2 uur en 47 is veroorzaakt door een groot tekort aan (met name) beveiligingspersoneel op Schiphol, en voor de duur van 50 minuten wegens instructies van de luchtverkeersleiding.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op de datum van de vlucht sprake was van bovengemiddelde drukte op Schiphol, heeft hij niet, of althans onvoldoende, onderbouwd hoe deze drukte van invloed is geweest op de uitvoering van de vlucht. De (operationele) keuze van de vervoerder om op verlate passagiers te wachten, ontslaat hem niet van de verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Weliswaar heeft de vervoerder aangevoerd dat de lange wachtrijen ertoe hebben geleid dat de bagage van niet-verschenen passagiers van boord moest worden gehaald, maar hij heeft niet toegelicht welke vertragingsduur dit heeft veroorzaakt. De vervoerder heeft zijn beroep op buitengewone omstandigheden op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.4.
De passagiers hebben niet betwist dat de vertraging van de vlucht verder is opgelopen als gevolg van instructies van de luchtverkeersleiding en dat dit kwalificeert als een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de vertraging van de vlucht voor de duur van 50 minuten is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden.
4.5.
De passagiers sub 1 en 2 hebben hun aansluitende vlucht naar Denver gemist. Gesteld noch gebleken is dat zij de aansluitende vlucht wél zouden hebben gehaald als er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vervoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vertraging op de eindbestemming is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen. De vordering van de passagiers sub 1 en 2 tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen.
4.6.
Ten aanzien van de passagiers sub 3 en 4 geldt dat de vertraging die valt toe te rekenen aan buitengewone omstandigheden (50 minuten) dient te worden afgetrokken van de totale duur van de aankomstvertraging van de betrokken vlucht (3 uur en 37 minuten). Na aftrek resteert een vertraging van minder dan drie uur. De vordering van de passagiers sub 3 en 4 zal om die reden worden afgewezen.
4.7.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.8.
Het gevorderde certificaat wordt vooralsnog wegens een gebrek aan belang afgewezen.
4.9.
Omdat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Pešková, C-315/15, ECLI:EU:C:2017:342