Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-22
ECLI:NL:RBNHO:2024:12055
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,634 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/262769-24 (P)
Uitspraakdatum: 22 november 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 november 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M. de Leeuw en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J. van der Aart, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 8 november 2024 heeft afgelegd;
het proces-verbaal van bevindingen (digitale dossierpagina’s 19-22);
het proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen (digitale dossierpagina’s 58-64);
het rapport van het Douanelaboratorium (aanvullend in dossier opgenomen).
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 17 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport van de reclassering ten aanzien van het advies om jeugdstrafrecht toe te passen onvoldoende is onderbouwd en daarom onvoldoende aanleiding vormt voor de toepassing van het jeugdstrafrecht of voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met zijn jeugdige leeftijd, persoonlijke omstandigheden, zijn bekennende en open proceshouding en zijn medewerking aan de onderkenning van eventuele afhalers, zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, rekening houdend met het rapport van de reclassering, de verdachte moet worden bestraft conform het jeugdstrafrecht. De verdachte is nog maar net volwassen en maakt een naïeve indruk. Hij lijkt onvoldoende in staat om de risico’s van zijn eigen gedrag in te schatten en hij heeft gebrekkige handelingsvaardigheden. De raadsvrouw ziet indicaties voor pedagogische beïnvloeding. Zij verzoekt de rechtbank om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en om daarnaast een flinke voorwaardelijke straf op te leggen waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden.
Indien de rechtbank van mening is dat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast is, dan verzoekt de raadsvrouw de tenuitvoerlegging hiervan in een justitiële jeugdinrichting.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim twee kilo cocaïne ingevoerd in Nederland. Deze cocaïne bevond zich in een korset en een onderbroek die de verdachte droeg op het moment dat hij Nederland via Schiphol inreisde.
Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ondermijning en gewelds- en levensdelicten. Met zijn handelen draagt de verdachte hieraan bij en dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het onderhavige feit de oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 september 2024 waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.
Adolescentenstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit meerderjarig. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht, tenzij de rechtbank in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan de rechtbank beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank heeft geconstateerd dat in het reclasseringsrapport van 24 oktober 2024 toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geadviseerd. De verdachte maakt volgens de reclassering een jonge, naïeve en in enige mate kwetsbare indruk. Hij lijkt onvoldoende in staat om de risico’s van zijn gedrag/handelen in te schatten en daarnaast lijkt hij ondoordachte keuzes te maken, waarbij hij in enige mate een impulsieve indruk maakt en sprake lijkt van gebrekkige coping- /handelingsvaardigheden. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en het hebben van een dagbesteding in de vorm van werk en/of opleiding.
De rechtbank is van oordeel dat het reclasseringsrapport onvoldoende aanleiding geeft om af te wijken van de hoofdregel dat het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. De verdachte komt volgens het rapport weliswaar jong, naïef en enigszins impulsief over, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte zijn school heeft afgerond en hij een baan had. Hij is feitelijk woonachtig op Curaçao en is zonder zijn moeder naar Nederland gekomen, zonder een concreet plan, maar wel met het doel om zich in Nederland te vestigen en een nader te bepalen opleiding te volgen. Hij heeft verklaard bij een nicht in Dordrecht te kunnen verblijven, maar verdere informatie over deze nicht ontbreekt volledig, waardoor het de rechtbank niet duidelijk is geworden of en hoe sprake is van pedagogische beïnvloeding. Daar komt bij dat de verdachte enkel uit financieel gewin heeft gehandeld, hij een forse beloning voor de smokkel tegemoet zou zien en hij zich min of meer bewust was van de risico’s van zijn handelen, doordat hem naar eigen zeggen van te voren is voorgehouden dat hij (maximaal) twee tot drie maanden gevangenisstraf zou krijgen. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het advies van de reclassering niet volgen en geen toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.
Straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank de zogenoemde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. Bij de invoer van een gewicht tussen 2000 en 3000 gram is als oriëntatiepunt een gevangenisstraf tussen de 24 en 30 maanden opgenomen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf oog voor de nog jonge leeftijd van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn open houding op zitting en voor zijn medewerking aan het onderzoek. De rechtbank ziet, gelet hierop, aanleiding om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van het reclasseringsrapport ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, in dit geval passend is. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding om de tenuitvoerlegging van deze straf in een Justitiële Jeugdinrichting te gelasten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
2, 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Lintjer, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2024.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2024:12055 text/xml public 2026-05-15T17:14:40 2024-11-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2024-11-22 15/262769-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Strafrecht Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2025:3847, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12055 text/html public 2024-11-22T14:11:21 2024-11-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2024:12055 Rechtbank Noord-Holland , 22-11-2024 / 15/262769-24 Veroordeling tot 14 maanden gevangenisstraf voor de invoer van cocaïne in Nederland. De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het geadviseerde jeugdstrafrecht. Wel ziet de rechtbank, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en zijn meewerkende houding redenen om af te wijken van de LOVS oriëntatiepunten. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/262769-24 (P) Uitspraakdatum: 22 november 2024 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 november 2024 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. de Leeuw en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J. van der Aart, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.2 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten: de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 8 november 2024 heeft afgelegd; het proces-verbaal van bevindingen (digitale dossierpagina’s 19-22); het proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen (digitale dossierpagina’s 58-64); het rapport van het Douanelaboratorium (aanvullend in dossier opgenomen). De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 17 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. 4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6 Motivering van de sanctie 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport van de reclassering ten aanzien van het advies om jeugdstrafrecht toe te passen onvoldoende is onderbouwd en daarom onvoldoende aanleiding vormt voor de toepassing van het jeugdstrafrecht of voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met zijn jeugdige leeftijd, persoonlijke omstandigheden, zijn bekennende en open proceshouding en zijn medewerking aan de onderkenning van eventuele afhalers, zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. 6.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, rekening houdend met het rapport van de reclassering, de verdachte moet worden bestraft conform het jeugdstrafrecht. De verdachte is nog maar net volwassen en maakt een naïeve indruk. Hij lijkt onvoldoende in staat om de risico’s van zijn eigen gedrag in te schatten en hij heeft gebrekkige handelingsvaardigheden. De raadsvrouw ziet indicaties voor pedagogische beïnvloeding. Zij verzoekt de rechtbank om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en om daarnaast een flinke voorwaardelijke straf op te leggen waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden. Indien de rechtbank van mening is dat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast is, dan verzoekt de raadsvrouw de tenuitvoerlegging hiervan in een justitiële jeugdinrichting. 6.3. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft ruim twee kilo cocaïne ingevoerd in Nederland. Deze cocaïne bevond zich in een korset en een onderbroek die de verdachte droeg op het moment dat hij Nederland via Schiphol inreisde. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ondermijning en gewelds- en levensdelicten. Met zijn handelen draagt de verdachte hieraan bij en dat rekent de rechtbank de verdachte aan. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het onderhavige feit de oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 september 2024 waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Adolescentenstrafrecht De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit meerderjarig. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht, tenzij de rechtbank in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan de rechtbank beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Volledig
De rechtbank heeft geconstateerd dat in het reclasseringsrapport van 24 oktober 2024 toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geadviseerd. De verdachte maakt volgens de reclassering een jonge, naïeve en in enige mate kwetsbare indruk. Hij lijkt onvoldoende in staat om de risico’s van zijn gedrag/handelen in te schatten en daarnaast lijkt hij ondoordachte keuzes te maken, waarbij hij in enige mate een impulsieve indruk maakt en sprake lijkt van gebrekkige coping- /handelingsvaardigheden. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en het hebben van een dagbesteding in de vorm van werk en/of opleiding. De rechtbank is van oordeel dat het reclasseringsrapport onvoldoende aanleiding geeft om af te wijken van de hoofdregel dat het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. De verdachte komt volgens het rapport weliswaar jong, naïef en enigszins impulsief over, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte zijn school heeft afgerond en hij een baan had. Hij is feitelijk woonachtig op Curaçao en is zonder zijn moeder naar Nederland gekomen, zonder een concreet plan, maar wel met het doel om zich in Nederland te vestigen en een nader te bepalen opleiding te volgen. Hij heeft verklaard bij een nicht in Dordrecht te kunnen verblijven, maar verdere informatie over deze nicht ontbreekt volledig, waardoor het de rechtbank niet duidelijk is geworden of en hoe sprake is van pedagogische beïnvloeding. Daar komt bij dat de verdachte enkel uit financieel gewin heeft gehandeld, hij een forse beloning voor de smokkel tegemoet zou zien en hij zich min of meer bewust was van de risico’s van zijn handelen, doordat hem naar eigen zeggen van te voren is voorgehouden dat hij (maximaal) twee tot drie maanden gevangenisstraf zou krijgen. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het advies van de reclassering niet volgen en geen toepassing geven aan het jeugdstrafrecht. Straf Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank de zogenoemde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. Bij de invoer van een gewicht tussen 2000 en 3000 gram is als oriëntatiepunt een gevangenisstraf tussen de 24 en 30 maanden opgenomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf oog voor de nog jonge leeftijd van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn open houding op zitting en voor zijn medewerking aan het onderzoek. De rechtbank ziet, gelet hierop, aanleiding om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van het reclasseringsrapport ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, in dit geval passend is. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding om de tenuitvoerlegging van deze straf in een Justitiële Jeugdinrichting te gelasten. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7 Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 2, 10 van de Opiumwet. 8 Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden . Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. J. Lintjer, voorzitter, mr. A. Buiskool en mr. P.A. Hesselink, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2024.