Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-14
ECLI:NL:RBNHO:2024:11809
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,189 tokens
Inleiding
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/110
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 18 oktober 2023 op het bezwaar van eiser tegen de door verweerder met dagtekening 9 juli 2023 aan eiser opgelegde uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) voor een bedrag van € 105,21, bestaande uit € 3,65 aan douanerecht, € 82,20 aan accijns en € 19,36 aan omzetbelasting (btw).
Zitting
De rechtbank heeft het beroepschrift behandeld op de zitting van 14 november 2024.
Eiser is daar niet verschenen.
De uitnodiging voor de zitting is bij aangetekende brief van 16 juli 2024 naar het door eiser opgegeven adres [straat] [huisnummer] te [postcode] [woonplaats] verzonden en is door de rechtbank retour ontvangen met daarop de aantekening dat de brief niet is afgehaald van de afhaallocatie. Uit BRP bleek dat eiser op het hiervoor genoemde adres staat ingeschreven. De uitnodiging is op 5 augustus 2024 nogmaals per gewone post aan eiser verzonden. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser op de juiste wijze is uitgenodigd.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft.
Waarom heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard
Over de invoer van goederen in de EU moet belasting worden betaald. Bij invoer vanuit Turkije bestaat recht op vrijstelling bij invoer voor 200 sigaretten.
Eiser is op 9 juli 2023 vanuit Turkije aangekomen op Schiphol en had in zijn bagage 480 sigaretten. Hij moest dus belasting betalen voor 280 sigaretten en had daarvoor aangifte moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan, maar hij heeft gekozen voor de uitgang “niets aan te geven”. Verweerder heeft daarom terecht de utb opgelegd van in totaal € 105,21 voor 280 sigaretten.
Eiser had bij de douane kunnen vragen voor welke hoeveelheid sigaretten de vrijstelling van toepassing is. Hij heeft dat niet gedaan, dat komt voor zijn rekening en risico. Dat hij niet wist dat de vrijstelling bij invoer slechts geldt voor 200 sigaretten, is geen reden om de utb te verlagen of te vernietigen.
Eiser vindt de utb te hoog en stelt dat hij dat niet kan betalen. Ook vindt hij dat hij belasting moet terugkrijgen voor de sigaren en sigaretten die hij en zijn vader de afgelopen jaren in Nederland hebben gekocht en in Turkije hebben opgerookt.
Dat verandert niets aan het feit dat eiser de sigaretten heeft ingevoerd en dat hij daarvoor belasting verschuldigd is.
Eiser heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook verder niet gebleken dat de utb op een onjuist bedrag is vastgesteld.
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De belasting bij invoer is verschuldigd op grond van artikel 77 en 79 van het Douanewetboek van de Unie, artikel 1, aanhef en onder d en artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel1 en artikel 63 van de Wet op de accijns.
De vrijstelling is geregeld in artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, artikel 21a en artikel 21b van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 68a van de Wet op de accijns.