Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:11716
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,876 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/342970-23 (P)
Uitspraakdatum: 18 oktober 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 en 4 oktober 2024 (sluiting onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboorteplaats en -datum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Kubbinga en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Sahin, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 december 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten (ongeveer) 17,74 kilogram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat sprake is van het medeplegen van de (verlengde) invoer van hennep.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten onbetrouwbaar zijn en om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
Staandehouding van de medeverdachte [naam 1]
Op 29 december 2023 omstreeks 22:24 uur hielden verbalisanten van de Douane de medeverdachte [naam 1] staande op de luchthaven Schiphol, terwijl hij in de aankomsthal vanuit een personeelsgebied naar het groene kanaal liep. De medeverdachte [naam 1] duwde een trolley (bagagekar) voort met daarop – afgedekt onder een zwarte hoes – een bigshopper tas van de [supermarkt] met daarin elf gesealde pakketten. Onderzoek wees uit dat de pakketten waren gevuld met in totaal 5.581,4 gram hennep.
Eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1]
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 december 2023 (pagina’s 31 t/m 33 van het dossier) blijkt dat de medeverdachte [naam 1] direct, nadat hem de cautie was gegeven, tegen de ter plaatse gekomen verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee (verder: Kmar) heeft gezegd dat hij samen met twee collega’s in de opslagruimte van [naam bedrijf] koffers aan het openen was toen zij een koffer tegenkwamen die volledig gevuld was met wiet. De koffer was afkomstig uit Zürich. De medeverdachte [naam 1] heeft toen ook verklaard dat zij vervolgens de inhoud van de koffer hebben verdeeld en dat hij met een deel daarvan naar buiten is gelopen. De medeverdachte [naam 1] had al aan de medewerkers van de Douane verteld dat er nog meer soortgelijke tassen in het kantoor van [naam bedrijf] stonden. De medeverdachte [naam 1] heeft een omschrijving gegeven van (het uiterlijk van) de twee collega’s die samen met hem betrokken waren bij het uitpakken van de koffer en het verdelen van de wiet.
De rechtbank overweegt dat de medeverdachte [naam 1] later tijdens het verhoor door de Kmar op 30 december 2023 enigszins afwijkend, maar grotendeels overeenkomstig deze eerste verklaring heeft verklaard. De verdachte en de medeverdachte [naam 2] hebben afwijkend verklaard.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bewijs evenwel uit van (de juistheid van) voornoemde eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1] (hierna: de eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1]), omdat de verklaring op diverse onderdelen en in relevante mate steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Steunbewijs
Zoals de medeverdachte [naam 1] had verklaard, troffen de verbalisanten van de Douane in het kantoor tegenover de opslagruimte van [naam bedrijf] nog vier bigshopper tassen aan, waarvan drie van de [supermarkt], met daarin – telkens afgedekt onder kledingstukken – in totaal 24 gesealde pakketten. Onderzoek wees uit dat de pakketten waren gevuld met in totaal 11.893,8 gram hennep.
Op de gang nabij voornoemd kantoor stond een zwarte zachtschalige koffer zonder bagagelabel eraan. De koffer was leeg en de binnenkant daarvan rook sterk naar hennep. In het verhoor van 30 december 2023 bij de Kmar heeft de medeverdachte [naam 1] verklaard dat de verdachte en de medeverdachte [naam 2] de tags van de koffer hadden gehaald en dat de koffer op naam stond van een persoon genaamd [naam 3] ‘en dan nog iets’. Op de prullenbak in de opslagruimte troffen de verbalisanten van de Douane twee afgescheurde claimtags aan met daarop een vluchtnummer voor een vlucht van Zürich naar Amsterdam en de naam “[naam 3]”. Uit het procesdossier blijkt dat de claimtags toebehoorden aan een persoon genaamd [naam 3]. Deze claimtag had het nummer 2724570188.
In de nabijheid van voornoemd kantoor troffen de verbalisanten van de Douane twee personen aan. Dit waren de verdachte en de medeverdachte [naam 2], die – net als de medeverdachte [naam 1] – werkzaam waren bij [naam bedrijf]. De signalementen die de medeverdachte [naam 1] aan de verbalisanten van de Kmar had gegeven van de twee collega’s met wie hij de hennep had gevonden, kwamen overeen met het uiterlijk van de verdachte en de medeverdachte [naam 2]. Ter plaatse heeft een medewerker van [naam bedrijf] aan de Kmar verteld dat de drie aangehouden personen (de verdachte en de medeverdachten [naam 2] en [naam 1]) de late dienst in de kantoren hebben gewerkt om de achtergebleven bagagestukken in het systeem te zetten en op te slaan.
Bij onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte [naam 1] is een video aangetroffen, die is opgenomen op 29 december 2023 om 20:06 uur. De medeverdachte [naam 1] heeft in het verhoor van 30 december 2023 verklaard dat hij deze video heeft gemaakt. Op de video is te zien dat een zwarte zachtschalige koffer wordt geopend. De koffer is voorzien van een bagagelabel met het nummer 2724570188 en lijkt te zijn gevuld met gesealde pakketten hennep. Meerdere mannelijke stemmen zijn te horen die (onder meer) zeggen “we hebben kilo’s nu” en “ey we zijn kanker rijk boys”.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de medeverdachte [naam 1]
In voornoemde bewijsmiddelen vindt de rechtbank steun voor de eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1] dat hij op 29 december 2023 met twee collega’s in de opslagruimte van [naam bedrijf] op Schiphol een koffer met hennep afkomstig van een vlucht uit Zürich heeft aangetroffen, dat zij die hennep hebben verdeeld en dat hij met een deel daarvan probeerde door de Douane te gaan. De rechtbank overweegt daarbij dat in totaal ruim zeventien kilogram hennep is aangetroffen. Dit betekent dat de medeverdachte [naam 1] ten tijde van de staande houding ongeveer één derde deel van de aangetroffen pakketten hennep bij zich had, te weten ruim 5,5 kilogram, wat past bij zijn verklaring dat de inhoud van de koffer over drie personen is verdeeld.
In het verhoor van 30 december 2023 bij de Kmar heeft de medeverdachte [naam 1] verklaard dat deze twee collega’s [naam 4] en [naam 5] heetten. De rechtbank overweegt dat dit de voornamen zijn van de verdachte respectievelijk de medeverdachte [naam 2] en dat de signalementen van de verdachte en de medeverdachte [naam 2] blijkens voornoemde bewijsmiddelen overeenkwamen met de signalementen die de medeverdachte [naam 1] in de eerste verklaring van deze twee collega’s had gegeven. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verdachte en de medeverdachte [naam 2] in de nabijheid van het kantoor en de opslagruimte zijn aangetroffen door de verbalisanten van de Douane en dat een medewerker van [naam bedrijf] ter plaatse heeft verklaard dat de drie aangehouden personen die avond in het kantoor en de opslagruimte hadden gewerkt.
Conclusie
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de (verlengde) invoer van 17,47 kilogram hennep.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 29 december 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 17,47 kilogram hennep.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht. In de strafeis heeft de officier van justitie in strafmatigende zin betrokken dat in dit geval geen sprake was van een vooropgezet plan om hennep in te voeren. De officier van justitie houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat de verdachte zijn (bijzondere) positie als werknemer op de luchthaven heeft misbruikt voor eigen financieel gewin. De officier van justitie ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen grond om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de strafvorderingsrichtlijn en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de omstandigheden dat de verdachte geen relevantie justitiële documentatie heeft en een (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor zijn huurwoning en baan.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ruim zeventien kilogram hennep in Nederland. De verdachte was werkzaam op de luchthaven Schiphol en behoorde in dat verband zorg te dragen voor een correcte afhandeling van vermiste of achtergebleven reizigersbagage. De verdachte heeft echter samen met twee collega’s – in strijd met de voorschriften – een achtergebleven koffer geopend, waarin zij een grote hoeveelheid hennep vonden. In plaats van hiervan melding te maken bij de autoriteiten, hebben de verdachten samen het plan gemaakt om de hennep over hen drieën te verdelen en Nederland binnen te brengen. De verdachten hebben bigshoppers aangeschaft, de hennep in de tassen gedaan, afgedekt met kledingstukken en in het kantoor veiliggesteld met de bedoeling om de hennep op een later moment ongezien naar buiten te brengen. De medeverdachte [naam 1] was al op weg om zijn deel van de hennep langs de Douane te brengen toen hij werd staande gehouden.
Dit is een ernstig strafbaar feit. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. De hennep was vanwege de hoeveelheid duidelijk bestemd voor de handel. De handel in drugs brengt onder meer mee dat er een zwartgeldcircuit ontstaat. Dit is, evenals de vaak met drugshandel gepaard gaande criminaliteit, zoals vermogensdelicten, hinderlijk en schadelijk voor de samenleving. Om deze redenen is de verstrekking van softdrugs aan banden gelegd. Met zijn handelen heeft de verdachte dit restrictieve beleid doorkruist. Bovendien rekent de rechtbank het de verdachte bijzonder zwaar aan dat hij het vertrouwen dat zijn werkgever en de reizigers op de luchthaven in hem behoorden te kunnen stellen, op ernstige wijze heeft beschaamd. De verdachte heeft zich van de negatieve effecten niets aangetrokken en zich enkel laten leiden door financieel gewin.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 8 februari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De strafbeschikkingen die aan de verdachte zijn opgelegd, dateren bovendien van ruim tien jaar geleden.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de toelichting die de verdachte op de zitting heeft gegeven en de stukken die door de verdediging zijn overgelegd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de verdachte zijn leven – na de aanhouding in deze zaak – positief heeft vormgegeven. Hij heeft een huurwoning en een nieuwe baan en is mantelzorger voor zijn vader. Gelet op het feit dat het dienstverband van de verdachte bij [naam bedrijf] is beëindigd en hij niet de intentie heeft om in de toekomst weer op een luchthaven te werken, terwijl hij hiervoor ook een verklaring omtrent het gedrag (VOG) zou moeten aanvragen, schat de rechtbank de kans op herhaling niet hoog in.
De op te leggen straf
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder het ontbreken van relevante justitiële documentatie, zijn rol als mantelzorger en zijn vaste baan, grond om aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank biedt de verdachte hiermee een kans om de positieve invulling van zijn leven voort te zetten, wat niet alleen in het belang van de verdachte moet worden geacht maar (juist) ook in het belang van de maatschappij.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van zes maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.
3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. J.C. van den Bos en mr. S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2024.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/342970-23 (P)
Uitspraakdatum: 18 oktober 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 en 4 oktober 2024 (sluiting onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboorteplaats en -datum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Kubbinga en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Sahin, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 december 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten (ongeveer) 17,74 kilogram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat sprake is van het medeplegen van de (verlengde) invoer van hennep.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten onbetrouwbaar zijn en om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
Staandehouding van de medeverdachte [naam 1]
Op 29 december 2023 omstreeks 22:24 uur hielden verbalisanten van de Douane de medeverdachte [naam 1] staande op de luchthaven Schiphol, terwijl hij in de aankomsthal vanuit een personeelsgebied naar het groene kanaal liep. De medeverdachte [naam 1] duwde een trolley (bagagekar) voort met daarop – afgedekt onder een zwarte hoes – een bigshopper tas van de [supermarkt] met daarin elf gesealde pakketten. Onderzoek wees uit dat de pakketten waren gevuld met in totaal 5.581,4 gram hennep.
Eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1]
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 december 2023 (pagina’s 31 t/m 33 van het dossier) blijkt dat de medeverdachte [naam 1] direct, nadat hem de cautie was gegeven, tegen de ter plaatse gekomen verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee (verder: Kmar) heeft gezegd dat hij samen met twee collega’s in de opslagruimte van [naam bedrijf] koffers aan het openen was toen zij een koffer tegenkwamen die volledig gevuld was met wiet. De koffer was afkomstig uit Zürich. De medeverdachte [naam 1] heeft toen ook verklaard dat zij vervolgens de inhoud van de koffer hebben verdeeld en dat hij met een deel daarvan naar buiten is gelopen. De medeverdachte [naam 1] had al aan de medewerkers van de Douane verteld dat er nog meer soortgelijke tassen in het kantoor van [naam bedrijf] stonden. De medeverdachte [naam 1] heeft een omschrijving gegeven van (het uiterlijk van) de twee collega’s die samen met hem betrokken waren bij het uitpakken van de koffer en het verdelen van de wiet.
De rechtbank overweegt dat de medeverdachte [naam 1] later tijdens het verhoor door de Kmar op 30 december 2023 enigszins afwijkend, maar grotendeels overeenkomstig deze eerste verklaring heeft verklaard. De verdachte en de medeverdachte [naam 2] hebben afwijkend verklaard.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bewijs evenwel uit van (de juistheid van) voornoemde eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1] (hierna: de eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1]), omdat de verklaring op diverse onderdelen en in relevante mate steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Steunbewijs
Zoals de medeverdachte [naam 1] had verklaard, troffen de verbalisanten van de Douane in het kantoor tegenover de opslagruimte van [naam bedrijf] nog vier bigshopper tassen aan, waarvan drie van de [supermarkt], met daarin – telkens afgedekt onder kledingstukken – in totaal 24 gesealde pakketten. Onderzoek wees uit dat de pakketten waren gevuld met in totaal 11.893,8 gram hennep.
Op de gang nabij voornoemd kantoor stond een zwarte zachtschalige koffer zonder bagagelabel eraan. De koffer was leeg en de binnenkant daarvan rook sterk naar hennep. In het verhoor van 30 december 2023 bij de Kmar heeft de medeverdachte [naam 1] verklaard dat de verdachte en de medeverdachte [naam 2] de tags van de koffer hadden gehaald en dat de koffer op naam stond van een persoon genaamd [naam 3] ‘en dan nog iets’. Op de prullenbak in de opslagruimte troffen de verbalisanten van de Douane twee afgescheurde claimtags aan met daarop een vluchtnummer voor een vlucht van Zürich naar Amsterdam en de naam “[naam 3]”. Uit het procesdossier blijkt dat de claimtags toebehoorden aan een persoon genaamd [naam 3]. Deze claimtag had het nummer 2724570188.
In de nabijheid van voornoemd kantoor troffen de verbalisanten van de Douane twee personen aan. Dit waren de verdachte en de medeverdachte [naam 2], die – net als de medeverdachte [naam 1] – werkzaam waren bij [naam bedrijf]. De signalementen die de medeverdachte [naam 1] aan de verbalisanten van de Kmar had gegeven van de twee collega’s met wie hij de hennep had gevonden, kwamen overeen met het uiterlijk van de verdachte en de medeverdachte [naam 2]. Ter plaatse heeft een medewerker van [naam bedrijf] aan de Kmar verteld dat de drie aangehouden personen (de verdachte en de medeverdachten [naam 2] en [naam 1]) de late dienst in de kantoren hebben gewerkt om de achtergebleven bagagestukken in het systeem te zetten en op te slaan.
Bij onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte [naam 1] is een video aangetroffen, die is opgenomen op 29 december 2023 om 20:06 uur. De medeverdachte [naam 1] heeft in het verhoor van 30 december 2023 verklaard dat hij deze video heeft gemaakt. Op de video is te zien dat een zwarte zachtschalige koffer wordt geopend. De koffer is voorzien van een bagagelabel met het nummer 2724570188 en lijkt te zijn gevuld met gesealde pakketten hennep. Meerdere mannelijke stemmen zijn te horen die (onder meer) zeggen “we hebben kilo’s nu” en “ey we zijn kanker rijk boys”.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de medeverdachte [naam 1]
In voornoemde bewijsmiddelen vindt de rechtbank steun voor de eerste verklaring van de medeverdachte [naam 1] dat hij op 29 december 2023 met twee collega’s in de opslagruimte van [naam bedrijf] op Schiphol een koffer met hennep afkomstig van een vlucht uit Zürich heeft aangetroffen, dat zij die hennep hebben verdeeld en dat hij met een deel daarvan probeerde door de Douane te gaan. De rechtbank overweegt daarbij dat in totaal ruim zeventien kilogram hennep is aangetroffen. Dit betekent dat de medeverdachte [naam 1] ten tijde van de staande houding ongeveer één derde deel van de aangetroffen pakketten hennep bij zich had, te weten ruim 5,5 kilogram, wat past bij zijn verklaring dat de inhoud van de koffer over drie personen is verdeeld.
In het verhoor van 30 december 2023 bij de Kmar heeft de medeverdachte [naam 1] verklaard dat deze twee collega’s [naam 4] en [naam 5] heetten. De rechtbank overweegt dat dit de voornamen zijn van de verdachte respectievelijk de medeverdachte [naam 2] en dat de signalementen van de verdachte en de medeverdachte [naam 2] blijkens voornoemde bewijsmiddelen overeenkwamen met de signalementen die de medeverdachte [naam 1] in de eerste verklaring van deze twee collega’s had gegeven. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verdachte en de medeverdachte [naam 2] in de nabijheid van het kantoor en de opslagruimte zijn aangetroffen door de verbalisanten van de Douane en dat een medewerker van [naam bedrijf] ter plaatse heeft verklaard dat de drie aangehouden personen die avond in het kantoor en de opslagruimte hadden gewerkt.
Conclusie
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de (verlengde) invoer van 17,47 kilogram hennep.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 29 december 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 17,47 kilogram hennep.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht. In de strafeis heeft de officier van justitie in strafmatigende zin betrokken dat in dit geval geen sprake was van een vooropgezet plan om hennep in te voeren. De officier van justitie houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat de verdachte zijn (bijzondere) positie als werknemer op de luchthaven heeft misbruikt voor eigen financieel gewin. De officier van justitie ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen grond om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de strafvorderingsrichtlijn en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de omstandigheden dat de verdachte geen relevantie justitiële documentatie heeft en een (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor zijn huurwoning en baan.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ruim zeventien kilogram hennep in Nederland. De verdachte was werkzaam op de luchthaven Schiphol en behoorde in dat verband zorg te dragen voor een correcte afhandeling van vermiste of achtergebleven reizigersbagage. De verdachte heeft echter samen met twee collega’s – in strijd met de voorschriften – een achtergebleven koffer geopend, waarin zij een grote hoeveelheid hennep vonden. In plaats van hiervan melding te maken bij de autoriteiten, hebben de verdachten samen het plan gemaakt om de hennep over hen drieën te verdelen en Nederland binnen te brengen. De verdachten hebben bigshoppers aangeschaft, de hennep in de tassen gedaan, afgedekt met kledingstukken en in het kantoor veiliggesteld met de bedoeling om de hennep op een later moment ongezien naar buiten te brengen. De medeverdachte [naam 1] was al op weg om zijn deel van de hennep langs de Douane te brengen toen hij werd staande gehouden.
Dit is een ernstig strafbaar feit. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. De hennep was vanwege de hoeveelheid duidelijk bestemd voor de handel. De handel in drugs brengt onder meer mee dat er een zwartgeldcircuit ontstaat. Dit is, evenals de vaak met drugshandel gepaard gaande criminaliteit, zoals vermogensdelicten, hinderlijk en schadelijk voor de samenleving. Om deze redenen is de verstrekking van softdrugs aan banden gelegd. Met zijn handelen heeft de verdachte dit restrictieve beleid doorkruist. Bovendien rekent de rechtbank het de verdachte bijzonder zwaar aan dat hij het vertrouwen dat zijn werkgever en de reizigers op de luchthaven in hem behoorden te kunnen stellen, op ernstige wijze heeft beschaamd. De verdachte heeft zich van de negatieve effecten niets aangetrokken en zich enkel laten leiden door financieel gewin.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 8 februari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De strafbeschikkingen die aan de verdachte zijn opgelegd, dateren bovendien van ruim tien jaar geleden.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de toelichting die de verdachte op de zitting heeft gegeven en de stukken die door de verdediging zijn overgelegd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de verdachte zijn leven – na de aanhouding in deze zaak – positief heeft vormgegeven. Hij heeft een huurwoning en een nieuwe baan en is mantelzorger voor zijn vader. Gelet op het feit dat het dienstverband van de verdachte bij [naam bedrijf] is beëindigd en hij niet de intentie heeft om in de toekomst weer op een luchthaven te werken, terwijl hij hiervoor ook een verklaring omtrent het gedrag (VOG) zou moeten aanvragen, schat de rechtbank de kans op herhaling niet hoog in.
De op te leggen straf
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder het ontbreken van relevante justitiële documentatie, zijn rol als mantelzorger en zijn vaste baan, grond om aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank biedt de verdachte hiermee een kans om de positieve invulling van zijn leven voort te zetten, wat niet alleen in het belang van de verdachte moet worden geacht maar (juist) ook in het belang van de maatschappij.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van zes maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.
3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. J.C. van den Bos en mr. S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2024.