Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-21
ECLI:NL:RBNHO:2024:11184
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,352 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357189 / JU RK 24-1374
Datum uitspraak: 21 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Verkijk te Haarlem,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 9 september 2024, ontvangen op 9 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2024 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 oktober 2024. Bij diezelfde beschikking zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig uithuisgeplaatst bij een netwerkgezin. Beide uithuisplaatsingen zijn uitgesproken voor de duur van vier weken. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 1 augustus 2024 om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
2.3.
Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 1 augustus 2024 de voorlopige ondertoezichtstelling en spoeduithuisplaatsing bekrachtigd en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 22 oktober 2024 (de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling).
2.4.
Op grond van de voornoemde machtigingen uithuisplaatsing verblijft [de minderjarige 1] momenteel bij een netwerkgezin en [de minderjarige 2] bij een gezinshuis.
2.5.
[de minderjarige 3] woont bij de moeder.
2.6.
[de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] hebben dezelfde vader, waar zij geen contact mee hebben. [de minderjarige 1] en [oudere zus] (de oudere, volwassen zus) hebben ook dezelfde vader. [oudere zus] woont al twee jaar niet meer bij de moeder. [oudere zus] en [de minderjarige 1] hebben wel contact met hun vader. De moeder heeft geen contact met beide vaders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een netwerkgezin en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] bij een gezinshuis voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek in het verzoekschrift en ter zitting als volgt toegelicht.
3.2.
Er zijn zorgen over het vermoedelijke seksueel misbruik van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en hun oudere zus [oudere zus] door de (ex-)partner van de moeder. Zij hebben los van elkaar hierover verteld. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben er geen vertrouwen in dat de relatie tussen de moeder en de (ex-)partner daadwerkelijk voorbij is. De Raad vindt het zorgelijk dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zich onveilig en angstig hebben gevoeld in hun eigen huis. Zij hebben zich daarin niet gezien en gehoord gevoeld door de moeder. De Raad vreest dat deze afwijzing de band tussen de kinderen en de moeder onherstelbaar beschadigd heeft. Daarnaast bestaat de kans dat het zelfvertrouwen van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] beschadigd is geraakt, doordat zij zichzelf mogelijk de schuld geven van het vermeende misbruik. [de minderjarige 1] heeft waarschijnlijk al gedurende een langere periode last van psychische klachten. Zij heeft in juli 2024 een suïcidepoging gedaan. Het is gezien de zorgen van belang dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] op een veilige en stabiele plek kunnen verblijven en dat voor hen passende hulpverlening wordt ingeschakeld om de gebeurtenissen te kunnen verwerken. Op dit moment willen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] geen contact met de moeder.
3.3.
De moeder heeft aangegeven dat zij open staat voor hulpverlening om handvatten te krijgen bij de opvoeding van haar kinderen. Daar staat echter tegenover dat ze de ernst van de problematiek onvoldoende lijkt in te zien. Ze begrijpt niet waar de angst van de kinderen vandaan komt en (h)erkent de zorgen over seksueel misbruik niet of onvoldoende, zoals ook ter zitting is gebleken. Verder is er op dit moment nog onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder en op haar relatie met haar (ex-)partner. Dit maakt dat de situatie bij haar thuis onveilig is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
3.4.
Ook bij [de minderjarige 3] lijkt sprake van angst voor de (ex-)partner van de moeder. Daarnaast zijn er bij [de minderjarige 3] grote zorgen over zijn ontwikkeling en gedrag. [de minderjarige 3] laat stevige gedragsproblemen zien en heeft moeite met het reguleren van zijn emoties. Het is
op dit moment nog onvoldoende duidelijk wat de oorzaak hiervan is. Mogelijk heeft [de minderjarige 3] vanwege de onveiligheid de afgelopen jaren onvoldoende structuur en duidelijkheid gehad, terwijl hij dit juist meer nodig lijkt te hebben dan leeftijdsgenoten. Hier dient hier verder onderzoek naar gedaan te worden zodat inzichtelijk wordt wat er nodig is om zijn gedragsproblemen te doen afnemen en zijn functioneren op school en thuis te
verbeteren.
3.5.
In het Raadsonderzoek zijn er daarnaast ook zorgen naar voren gekomen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Zij vindt dat haar kinderen zelfbepalend gedrag vertonen en dat zij zich moeilijk laten begrenzen door moeder. Daarnaast lijkt [de minderjarige 3] meer specifieke opvoedbehoeften te hebben waarbij het de vraag is of moeder in deze behoeften kan voorzien. De Raad maakt zich zorgen over de belastbaarheid van de moeder, ook in combinatie met haar werk. Daarbij heeft zij zelf ook een onstabiele en onveilige periode doorgemaakt, onder meer vanwege de stalking door de vader van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
3.6.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven nu op (geheime) plekken waar zij het fijn hebben. [de minderjarige 2] verblijft op een plek waar zij waarschijnlijk voor langere tijd kan blijven. Voor [de minderjarige 1] zal – gezien de zorgen die er zijn over haar mentale gezondheid – onderzocht moeten worden welke plek voor de langere termijn passend is.
Wat betreft [de minderjarige 3] moet de komende tijd onderzocht worden in hoeverre zijn opvoedomgeving veilig en passend is bij zijn specifieke opvoedbehoeften.
Ook zal de komende periode benut moeten worden om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder, haar leerbaarheid en wat zij nodig heeft om aansluiting en een fijn contact met haar kinderen te hebben of te kunnen krijgen. Daarnaast is het van belang dat de band tussen de moeder en haar dochters in de toekomst hersteld wordt. Dit kan echter pas op een moment dat iedereen hieraan toe is. Verdere beschadiging dient te worden voorkomen. Een vorm van systeemtherapie zou helpend kunnen zijn in het herstellen van het contact. Ook is het belangrijk dat de kinderen elkaar zien en contact hebben. De Raad hoopt dat het voorgaande ertoe zal leiden dat het gezin als geheel, in welke vorm dan ook, weer samenkomt.
4De standpunten van belanghebbenden
4.1.
De moeder is het eens met de verzochte ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en de verzochte uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij vindt het verdrietig dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] haar niet meer willen zien, maar respecteert die wens wel. Verder accepteert zij de geboden hulpverlening en zij wil aan zichzelf werken (ook als dat de individuele therapie inhoudt die haar advocaat adviseert) om er zo achter te komen waar zij als moeder steken heeft laten vallen.
4.2.
De GI stelt zich op het standpunt dat de maatregelen verlengd moeten worden. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben veel verteld over wat zij hebben meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder en zij hebben daarvoor hulp nodig.
Beoordeling
ondertoezichtstelling
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de kinderen zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat eruit dat bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (en hun oudere zus [oudere zus] ) sprake zou zijn geweest van jarenlang, seksueel misbruik en geweld door de (ex-)partner. Dat misbruik zou zich in de thuissituatie bij de moeder (een plek die veilig behoord te zijn) hebben afgespeeld. Zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] hebben zich hierbij onvoldoende beschermd en gehoord gevoeld door de moeder. Door dit alles hebben zij ernstige (gevoelens van) onveiligheid binnen de opvoedsituatie ervaren en zijn zij beschadigd geraakt. Bij [de minderjarige 1] hebben psychische klachten zelfs geleid tot een suïcidepoging. Ook is sprake van aanzienlijke gedragsproblemen bij [de minderjarige 3] . Hoewel Nabijzorg heeft gezien dat de moeder goed kan aansluiten bij [de minderjarige 3] en dat [de minderjarige 3] het over het algemeen goed doet, kan de situatie ook heftig escaleren op de momenten dat hij zijn emotieregulatie niet onder controle heeft. [de minderjarige 3] heeft hiervoor behandeling nodig. Er zijn daarnaast ook zorgen over de opvoedvaardigheden, belastbaarheid en (sociaal-emotionele) beschikbaarheid van de moeder voor de kinderen.
6.2.
Ook blijkt dat de zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Hoewel de moeder hulpverlening voor zichzelf en de kinderen accepteert, is zij op dit moment onvoldoende in staat de bedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. Een regievoerder in een gedwongen kader is noodzakelijk om goed zicht te krijgen op de opvoedsituatie en de gezinsbanden, en om passende hulpverlening in te zetten en te borgen voor de kinderen en de moeder, waarbij de belangen van de kinderen leidend zijn.
6.3.
Ten slotte lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn.
6.4.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen.
6.5.
Gelet op de forse problematiek, de in te zetten hulpverlening en de gestelde doelen, zal de kinderrechter [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.
uithuisplaatsing
6.6.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment nog niet terug naar huis willen en kunnen. Zij verblijven nu op (geheime) plekken waar zij veilig zijn en voor langere tijd kunnen blijven. Deze veiligheid en stabiliteit hebben zij nodig om door middel van therapie tot verwerking te komen van wat zij hebben meegemaakt. Deze plekken moeten voorlopig dan ook gewaarborgd worden. Dat leidt tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding en tot onderzoek van hun geestelijke gesteldheid (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] , en
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] ,
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio Amsterdam, met ingang van 21 oktober 2024 tot 21 oktober 2025;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , in een netwerkpleeggezin met ingang van 22 oktober 2024 tot 22 juli 2025;
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , in een accommodatie jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) met ingang van 22 oktober 2024 tot 22 juli 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2024 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D. Schelvis als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357189 / JU RK 24-1374
Datum uitspraak: 21 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Verkijk te Haarlem,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 9 september 2024, ontvangen op 9 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2024 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 oktober 2024. Bij diezelfde beschikking zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig uithuisgeplaatst bij een netwerkgezin. Beide uithuisplaatsingen zijn uitgesproken voor de duur van vier weken. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 1 augustus 2024 om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
2.3.
Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 1 augustus 2024 de voorlopige ondertoezichtstelling en spoeduithuisplaatsing bekrachtigd en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 22 oktober 2024 (de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling).
2.4.
Op grond van de voornoemde machtigingen uithuisplaatsing verblijft [de minderjarige 1] momenteel bij een netwerkgezin en [de minderjarige 2] bij een gezinshuis.
2.5.
[de minderjarige 3] woont bij de moeder.
2.6.
[de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] hebben dezelfde vader, waar zij geen contact mee hebben. [de minderjarige 1] en [oudere zus] (de oudere, volwassen zus) hebben ook dezelfde vader. [oudere zus] woont al twee jaar niet meer bij de moeder. [oudere zus] en [de minderjarige 1] hebben wel contact met hun vader. De moeder heeft geen contact met beide vaders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een netwerkgezin en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] bij een gezinshuis voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek in het verzoekschrift en ter zitting als volgt toegelicht.
3.2.
Er zijn zorgen over het vermoedelijke seksueel misbruik van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en hun oudere zus [oudere zus] door de (ex-)partner van de moeder. Zij hebben los van elkaar hierover verteld. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben er geen vertrouwen in dat de relatie tussen de moeder en de (ex-)partner daadwerkelijk voorbij is. De Raad vindt het zorgelijk dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zich onveilig en angstig hebben gevoeld in hun eigen huis. Zij hebben zich daarin niet gezien en gehoord gevoeld door de moeder. De Raad vreest dat deze afwijzing de band tussen de kinderen en de moeder onherstelbaar beschadigd heeft. Daarnaast bestaat de kans dat het zelfvertrouwen van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] beschadigd is geraakt, doordat zij zichzelf mogelijk de schuld geven van het vermeende misbruik. [de minderjarige 1] heeft waarschijnlijk al gedurende een langere periode last van psychische klachten. Zij heeft in juli 2024 een suïcidepoging gedaan. Het is gezien de zorgen van belang dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] op een veilige en stabiele plek kunnen verblijven en dat voor hen passende hulpverlening wordt ingeschakeld om de gebeurtenissen te kunnen verwerken. Op dit moment willen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] geen contact met de moeder.
3.3.
De moeder heeft aangegeven dat zij open staat voor hulpverlening om handvatten te krijgen bij de opvoeding van haar kinderen. Daar staat echter tegenover dat ze de ernst van de problematiek onvoldoende lijkt in te zien. Ze begrijpt niet waar de angst van de kinderen vandaan komt en (h)erkent de zorgen over seksueel misbruik niet of onvoldoende, zoals ook ter zitting is gebleken. Verder is er op dit moment nog onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder en op haar relatie met haar (ex-)partner. Dit maakt dat de situatie bij haar thuis onveilig is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
3.4.
Ook bij [de minderjarige 3] lijkt sprake van angst voor de (ex-)partner van de moeder. Daarnaast zijn er bij [de minderjarige 3] grote zorgen over zijn ontwikkeling en gedrag. [de minderjarige 3] laat stevige gedragsproblemen zien en heeft moeite met het reguleren van zijn emoties. Het is
op dit moment nog onvoldoende duidelijk wat de oorzaak hiervan is. Mogelijk heeft [de minderjarige 3] vanwege de onveiligheid de afgelopen jaren onvoldoende structuur en duidelijkheid gehad, terwijl hij dit juist meer nodig lijkt te hebben dan leeftijdsgenoten. Hier dient hier verder onderzoek naar gedaan te worden zodat inzichtelijk wordt wat er nodig is om zijn gedragsproblemen te doen afnemen en zijn functioneren op school en thuis te
verbeteren.
3.5.
In het Raadsonderzoek zijn er daarnaast ook zorgen naar voren gekomen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Zij vindt dat haar kinderen zelfbepalend gedrag vertonen en dat zij zich moeilijk laten begrenzen door moeder. Daarnaast lijkt [de minderjarige 3] meer specifieke opvoedbehoeften te hebben waarbij het de vraag is of moeder in deze behoeften kan voorzien. De Raad maakt zich zorgen over de belastbaarheid van de moeder, ook in combinatie met haar werk. Daarbij heeft zij zelf ook een onstabiele en onveilige periode doorgemaakt, onder meer vanwege de stalking door de vader van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
3.6.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven nu op (geheime) plekken waar zij het fijn hebben. [de minderjarige 2] verblijft op een plek waar zij waarschijnlijk voor langere tijd kan blijven. Voor [de minderjarige 1] zal – gezien de zorgen die er zijn over haar mentale gezondheid – onderzocht moeten worden welke plek voor de langere termijn passend is.
Wat betreft [de minderjarige 3] moet de komende tijd onderzocht worden in hoeverre zijn opvoedomgeving veilig en passend is bij zijn specifieke opvoedbehoeften.
Ook zal de komende periode benut moeten worden om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder, haar leerbaarheid en wat zij nodig heeft om aansluiting en een fijn contact met haar kinderen te hebben of te kunnen krijgen. Daarnaast is het van belang dat de band tussen de moeder en haar dochters in de toekomst hersteld wordt. Dit kan echter pas op een moment dat iedereen hieraan toe is. Verdere beschadiging dient te worden voorkomen. Een vorm van systeemtherapie zou helpend kunnen zijn in het herstellen van het contact. Ook is het belangrijk dat de kinderen elkaar zien en contact hebben. De Raad hoopt dat het voorgaande ertoe zal leiden dat het gezin als geheel, in welke vorm dan ook, weer samenkomt.
4De standpunten van belanghebbenden
4.1.
De moeder is het eens met de verzochte ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en de verzochte uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij vindt het verdrietig dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] haar niet meer willen zien, maar respecteert die wens wel. Verder accepteert zij de geboden hulpverlening en zij wil aan zichzelf werken (ook als dat de individuele therapie inhoudt die haar advocaat adviseert) om er zo achter te komen waar zij als moeder steken heeft laten vallen.
4.2.
De GI stelt zich op het standpunt dat de maatregelen verlengd moeten worden. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben veel verteld over wat zij hebben meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder en zij hebben daarvoor hulp nodig.
Beoordeling
ondertoezichtstelling
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de kinderen zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat eruit dat bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (en hun oudere zus [oudere zus] ) sprake zou zijn geweest van jarenlang, seksueel misbruik en geweld door de (ex-)partner. Dat misbruik zou zich in de thuissituatie bij de moeder (een plek die veilig behoord te zijn) hebben afgespeeld. Zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] hebben zich hierbij onvoldoende beschermd en gehoord gevoeld door de moeder. Door dit alles hebben zij ernstige (gevoelens van) onveiligheid binnen de opvoedsituatie ervaren en zijn zij beschadigd geraakt. Bij [de minderjarige 1] hebben psychische klachten zelfs geleid tot een suïcidepoging. Ook is sprake van aanzienlijke gedragsproblemen bij [de minderjarige 3] . Hoewel Nabijzorg heeft gezien dat de moeder goed kan aansluiten bij [de minderjarige 3] en dat [de minderjarige 3] het over het algemeen goed doet, kan de situatie ook heftig escaleren op de momenten dat hij zijn emotieregulatie niet onder controle heeft. [de minderjarige 3] heeft hiervoor behandeling nodig. Er zijn daarnaast ook zorgen over de opvoedvaardigheden, belastbaarheid en (sociaal-emotionele) beschikbaarheid van de moeder voor de kinderen.
6.2.
Ook blijkt dat de zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Hoewel de moeder hulpverlening voor zichzelf en de kinderen accepteert, is zij op dit moment onvoldoende in staat de bedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. Een regievoerder in een gedwongen kader is noodzakelijk om goed zicht te krijgen op de opvoedsituatie en de gezinsbanden, en om passende hulpverlening in te zetten en te borgen voor de kinderen en de moeder, waarbij de belangen van de kinderen leidend zijn.
6.3.
Ten slotte lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn.
6.4.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen.
6.5.
Gelet op de forse problematiek, de in te zetten hulpverlening en de gestelde doelen, zal de kinderrechter [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.
uithuisplaatsing
6.6.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment nog niet terug naar huis willen en kunnen. Zij verblijven nu op (geheime) plekken waar zij veilig zijn en voor langere tijd kunnen blijven. Deze veiligheid en stabiliteit hebben zij nodig om door middel van therapie tot verwerking te komen van wat zij hebben meegemaakt. Deze plekken moeten voorlopig dan ook gewaarborgd worden. Dat leidt tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding en tot onderzoek van hun geestelijke gesteldheid (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] , en
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] ,
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio Amsterdam, met ingang van 21 oktober 2024 tot 21 oktober 2025;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , in een netwerkpleeggezin met ingang van 22 oktober 2024 tot 22 juli 2025;
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , in een accommodatie jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) met ingang van 22 oktober 2024 tot 22 juli 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2024 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D. Schelvis als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.