Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-10
ECLI:NL:RBNHO:2024:10971
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10925656 \ CV EXPL 24-322
Uitspraakdatum: 10 oktober 2024
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Babino B.V.
te Assendelft
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders L.V. Snijder en H.J. Boswinkel
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 29 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) is de eisende partij door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten en om de vordering nader toe te lichten. Daaraan heeft de eisende partij uitvoering gegeven bij akte van 28 maart 2024 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
Grondslag van de vordering
2.1.
De eisende partij heeft in de akte toegelicht dat in de dagvaarding per abuis niet duidelijk is aangegeven dat de vordering betrekking heeft op twee overeenkomsten ten aanzien van twee minderjarige kinderen van de gedaagde partij. Ter onderbouwing zijn onder meer de tweede overeenkomst en de desbetreffende openstaande facturen overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij de vordering in zoverre voldoende nader heeft toegelicht.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW. Zij heeft ter onderbouwing productie 3 overgelegd, waarin per verplichting is aangegeven op welke wijze er volgens de eisende partij aan is voldaan: door middel van informatie in (1) de (concept)overeenkomsten, op (2) de website en/of in (3) de algemene voorwaarden.
2.3.
Uit de toelichting en de stukken blijkt echter niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW heeft voldaan. Dit artikel bepaalt onder meer dat de consument moet worden gewezen op het wettelijk herroepingsrecht (artikel 6:230o BW).
2.4.
Het wettelijk herroepingsrecht houdt in dat als een consument op afstand of buiten de verkoopruimte een overeenkomst sluit, hij het recht heeft om de overeenkomst gedurende een bepaalde periode te ontbinden (ook wel herroepen genoemd). De termijn daarvoor is in principe veertien dagen. Als het gaat om het verrichten van diensten zoals hier, begint de termijn te lopen na de dag waarop de overeenkomst wordt gesloten (artikel 6:230o lid 1 sub a BW). Als de consument niet op dit wettelijk herroepingsrecht is gewezen, wordt de herroepingstermijn verlengd totdat de ontbrekende informatie op de voorgeschreven wijze is verstrekt met een maximum van twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW).
2.5.
In de overgelegde (concept)overeenkomsten is de gedaagde partij niet op het wettelijke herroepingsrecht is gewezen. De eisende partij stelt dat het herroepingsrecht (ook) is opgenomen in artikel 10 lid 4 onder a van de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2017 (hierna: de algemene voorwaarden). Dit is echter onjuist, omdat in dit artikel enkel het recht van opzegging is opgenomen en niet het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230o BW. De kantonrechter zal daarom voor deze schending een sanctie toepassen.
Ambtshalve toetsing van de contractuele informatieplicht
2.6.
Ook heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW is nagekomen. Deze informatieplicht houdt kortgezegd in dat de eisende partij een bevestiging van de overeenkomst aan de consument moet verstrekken met daarin de in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. De eisende partij heeft enkel verwezen naar de overgelegde (concept)overeenkomsten, maar deze bevatten niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie, omdat hierin het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW ontbreekt. Alhoewel ook de informatie met betrekking tot het verschuldigde inschrijfgeld ontbreekt in de (concept)overeenkomsten (artikel 6:230m lid 1 sub e BW), levert dit geen schending van artikel 6:230v lid 7 BW op omdat de eisende partij deze informatie vóór het sluiten van de overeenkomsten per e-mail naar de gedaagde partij heeft gestuurd.
Welke sanctie hoort hierbij?
2.7.
De schending van het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, echter met ten hoogste twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Nu deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomsten heeft willen herroepen, zal de kantonrechter aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie verbinden.
2.8.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.9.
In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële precontractuele informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder h BW geschonden. Daarnaast heeft zij de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW geschonden, omdat op de door de eisende partij aangehaalde duurzame gegevensdrager geen informatie is gegeven over het wettelijke herroepingsrecht. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomsten gedeeltelijk vernietigen. Omdat zowel ten aanzien van de precontractuele- als de contractuele informatieplichten alleen de informatie over het herroepingsrecht is geschonden is de kantonrechter van oordeel dat, mede gelet op de aard van de onderhavige overeenkomsten, een vernietiging van 10% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom voldoende doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig is.
Wat is toewijsbaar?
2.10.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 2.058,77 (€ 2.287,52 x 0,90) aan hoofdsom toewijsbaar.
2.11.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat niet uit de aanmaning blijkt dat aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.
2.12.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de datum van de dagvaarding.
2.13.
Ten aanzien van de ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden blijft de kantonrechter bij wat hierover in het tussenvonnis is overwogen.
Conclusie
2.14.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van de gedaagde partij, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De kosten voor de genomen akte komen echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat deze genomen moest worden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.058,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 130,48
griffierecht € 496,00
salaris gemachtigde € 204,00;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44.
Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10925656 \ CV EXPL 24-322
Uitspraakdatum: 10 oktober 2024
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Babino B.V.
te Assendelft
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders L.V. Snijder en H.J. Boswinkel
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 29 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) is de eisende partij door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten en om de vordering nader toe te lichten. Daaraan heeft de eisende partij uitvoering gegeven bij akte van 28 maart 2024 (hierna: de akte).
2De verdere beoordeling
Grondslag van de vordering
2.1.
De eisende partij heeft in de akte toegelicht dat in de dagvaarding per abuis niet duidelijk is aangegeven dat de vordering betrekking heeft op twee overeenkomsten ten aanzien van twee minderjarige kinderen van de gedaagde partij. Ter onderbouwing zijn onder meer de tweede overeenkomst en de desbetreffende openstaande facturen overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij de vordering in zoverre voldoende nader heeft toegelicht.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW. Zij heeft ter onderbouwing productie 3 overgelegd, waarin per verplichting is aangegeven op welke wijze er volgens de eisende partij aan is voldaan: door middel van informatie in (1) de (concept)overeenkomsten, op (2) de website en/of in (3) de algemene voorwaarden.
2.3.
Uit de toelichting en de stukken blijkt echter niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW heeft voldaan. Dit artikel bepaalt onder meer dat de consument moet worden gewezen op het wettelijk herroepingsrecht (artikel 6:230o BW).
2.4.
Het wettelijk herroepingsrecht houdt in dat als een consument op afstand of buiten de verkoopruimte een overeenkomst sluit, hij het recht heeft om de overeenkomst gedurende een bepaalde periode te ontbinden (ook wel herroepen genoemd). De termijn daarvoor is in principe veertien dagen. Als het gaat om het verrichten van diensten zoals hier, begint de termijn te lopen na de dag waarop de overeenkomst wordt gesloten (artikel 6:230o lid 1 sub a BW). Als de consument niet op dit wettelijk herroepingsrecht is gewezen, wordt de herroepingstermijn verlengd totdat de ontbrekende informatie op de voorgeschreven wijze is verstrekt met een maximum van twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW).
2.5.
In de overgelegde (concept)overeenkomsten is de gedaagde partij niet op het wettelijke herroepingsrecht is gewezen. De eisende partij stelt dat het herroepingsrecht (ook) is opgenomen in artikel 10 lid 4 onder a van de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2017 (hierna: de algemene voorwaarden). Dit is echter onjuist, omdat in dit artikel enkel het recht van opzegging is opgenomen en niet het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230o BW. De kantonrechter zal daarom voor deze schending een sanctie toepassen.
Ambtshalve toetsing van de contractuele informatieplicht
2.6.
Ook heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW is nagekomen. Deze informatieplicht houdt kortgezegd in dat de eisende partij een bevestiging van de overeenkomst aan de consument moet verstrekken met daarin de in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. De eisende partij heeft enkel verwezen naar de overgelegde (concept)overeenkomsten, maar deze bevatten niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie, omdat hierin het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW ontbreekt. Alhoewel ook de informatie met betrekking tot het verschuldigde inschrijfgeld ontbreekt in de (concept)overeenkomsten (artikel 6:230m lid 1 sub e BW), levert dit geen schending van artikel 6:230v lid 7 BW op omdat de eisende partij deze informatie vóór het sluiten van de overeenkomsten per e-mail naar de gedaagde partij heeft gestuurd.
Welke sanctie hoort hierbij?
2.7.
De schending van het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, echter met ten hoogste twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Nu deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomsten heeft willen herroepen, zal de kantonrechter aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie verbinden.
2.8.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.9.
In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële precontractuele informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder h BW geschonden. Daarnaast heeft zij de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW geschonden, omdat op de door de eisende partij aangehaalde duurzame gegevensdrager geen informatie is gegeven over het wettelijke herroepingsrecht. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomsten gedeeltelijk vernietigen. Omdat zowel ten aanzien van de precontractuele- als de contractuele informatieplichten alleen de informatie over het herroepingsrecht is geschonden is de kantonrechter van oordeel dat, mede gelet op de aard van de onderhavige overeenkomsten, een vernietiging van 10% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom voldoende doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig is.
Wat is toewijsbaar?
2.10.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 2.058,77 (€ 2.287,52 x 0,90) aan hoofdsom toewijsbaar.
2.11.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat niet uit de aanmaning blijkt dat aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.
2.12.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de datum van de dagvaarding.
2.13.
Ten aanzien van de ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden blijft de kantonrechter bij wat hierover in het tussenvonnis is overwogen.
Conclusie
2.14.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van de gedaagde partij, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De kosten voor de genomen akte komen echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat deze genomen moest worden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.058,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 130,48
griffierecht € 496,00
salaris gemachtigde € 204,00;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44.
Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.