Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:10488
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,629 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/355954 / JU RK 24-1240
Datum uitspraak: 24 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.J. Bouwman te Zaandam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 augustus 2024;
- het bericht van de GI met bijlagen van 29 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] , een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn vader.
2.3.
[de minderjarige] is op 15 februari 2023 onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd en nu nog voortduurt tot 15 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] gedurende dag en nacht voor verblijf 24 uur voorziening (woongroep) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De zorgen over [de minderjarige] nemen steeds verder toe. Het lukt zowel de ouders als [de minderjarige] niet om de vaste patronen structureel te doorbreken. De relatie tussen de vader en [de minderjarige] staat onder druk. Zowel de vader als [de minderjarige] hebben het nodig om tot rust te komen en weer vertrouwen in elkaar te krijgen. Met [de minderjarige] lijkt het steeds even goed te gaan, hij gaat dan naar zijn werk maar na een korte tijd meldt hij zich weer af en/of komt te laat. Medio april liepen de spanningen thuis zo ver op dat BGWonen een plek voor [de minderjarige] had gecreëerd. [de minderjarige] weigerde hier echter naartoe te gaan en heeft een week bij zijn oom in de schuur geslapen. De vader liet [de minderjarige] weer thuis wonen onder de volgende voorwaarden:
- [de minderjarige] heeft dagbesteding in de vorm van werk of school;
- [de minderjarige] gaat in gesprek met Jeugdbescherming en BGWonen;
- [de minderjarige] accepteert hulpverlening gericht op zijn drugsgebruik en het verwerken van zijn verleden;
- er is geen agressie in huis.
Het lukte [de minderjarige] echter niet zich aan de voorwaarden te houden en begin juli 2024 heeft de vader de huissleutel van [de minderjarige] afgepakt. Na een geweldsincident in het weekend van 13 juli is [de minderjarige] van huis weggelopen. Daarna zijn er in een kort tijdsbestek veel incidenten geweest waarbij [de minderjarige] betrokken was bij criminele activiteiten of lag te slapen in portieken of auto’s. Om deze reden heeft Jeugdbescherming een crisisplek bij Boomerang voor [de minderjarige] geregeld. [de minderjarige] is hier op 24 juli 2024 door de gezinsmanager naartoe gebracht maar [de minderjarige] is ’s avonds weer vertrokken naar “een vriend” in [plaats] . [de minderjarige] heeft geen enkele nacht bij Boomerang geslapen. Een tijd lang was er geen enkel zicht op [de minderjarige] .
3.3.
Op de zitting heeft de GI daaraan toegevoegd dat [de minderjarige] gelukkig weer in beeld is. Hij verblijft weer bij de vader maar heeft nog steeds geen dagbesteding, gebruikt drugs en komt herhaaldelijk in beeld bij de politie. De vader doet erg zijn best maar [de minderjarige] is zeer zelfbepalend. De moeder neemt geen verantwoordelijkheid zodat de vader er alleen voor staat. Als [de minderjarige] bij de vader verblijft zijn er ook vaak geweldsincidenten; het lijkt een kwestie van tijd voordat dat weer gebeurt. [de minderjarige] moet de kans krijgen om vanuit een andere omgeving hulp te krijgen voor zijn verslaving, om dagbesteding te krijgen en om te werken aan zijn relatie met de vader en moeder – als zij daar aan meewerkt. De plek bij Boomerang is inmiddels vergeven. Als het verzoek wordt toegewezen zal de GI op zoek gaan naar een vorm van begeleid wonen. Het kan ook zo zijn dat [de minderjarige] eerst op een crisisplek komt te wonen, bijvoorbeeld als [de minderjarige] wegloopt.
4De standpunten
4.1.
[de minderjarige] staat niet achter het verzoek. Hij woont weer thuis en de laatste twee weken doet hij echt zijn best om zich aan de regels te houden. [de minderjarige] heeft twee maanden lang bij vrienden geslapen en dat beviel hem niet goed. [de minderjarige] gaat volgende week bij zijn oom in de zaak werken, hij gaat daar auto’s wassen. De vader gedraagt zich minder agressief en ziet dat [de minderjarige] zijn best doet.
4.2.
Voor de vader is het een dilemma of het verzoek moet worden toegewezen. Er moet een impasse worden doorbroken maar het gaat ook om een jongen van zeventien die eigenlijk thuis hoort te wonen. Mogelijk kan het verzoek worden aangehouden om te kijken wat de dreiging van een uithuisplaatsing doet met het gedrag van [de minderjarige] , zij het dat er al eerder een uithuisplaatsing boven zijn hoofd hing en het [de minderjarige] toen ook niet is gelukt om zijn gedrag te verbeteren. [de minderjarige] woont nu weer thuis onder strikte voorwaarden, maar [de minderjarige] heeft al heel vaak de afspraken aan zijn laars gelapt. De moeder van [de minderjarige] neemt geen verantwoordelijkheid voor hem.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.
5.2.
De zorgen over zijn drugsgebruik, het gebrek aan dagbesteding en escalaties in de woning van zijn vader zijn onverminderd groot. Daar zijn nog zorgen over genoemde politiecontacten bijgekomen. Tijdens de vorige zitting is ook al gesproken over een machtiging tot uithuisplaatsing maar besloten om nogmaals te bezien of het mogelijk was ongewenste patronen in de thuissituatie te doorbreken. Helaas is die verbetering uitgebleven. De vader is bereid om [de minderjarige] thuis te houden maar kan [de minderjarige] onvoldoende bieden wat hij nodig heeft. De hulpverlening heeft er geen vertrouwen meer in dat het [de minderjarige] en de vader gaat lukken om de ongezonde interactie tussen hen structureel te doorbreken. De verwachting is dat [de minderjarige] , op enige afstand van de thuissituatie, weer ruimte zal ervaren voor een beter contact met zijn vader. Waar het [de minderjarige] in de thuissituatie niet lukt om te stoppen met drugsgebruik en een dagbesteding te vinden én te behouden, is het noodzakelijk dat daar met de juiste vorm van begeleiding alsnog naartoe wordt gewerkt. Ook moet [de minderjarige] – op enige afstand van de thuissituatie – handvatten krijgen om beter met zijn emoties om te gaan en niet (meer) betrokken te raken bij criminele activiteiten. Ten slotte zal een uithuisplaatsing mogelijk ook een opening bieden voor verbetering van het contact tussen [de minderjarige] en zijn moeder.
5.3.
De kinderrechter zal daarom een machtiging verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 september 2024 tot 15 februari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2024 door mr. E.L. Grosheide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 8 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.