Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-18
ECLI:NL:RBNHO:2024:10425
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/353804 / JU RK 24-889
Datum uitspraak: 18 september 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
ingeschreven in [plaats] ,
advocaat mr. M.F. Laning kantoorhoudende te Voorschoten,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van deze rechtbank van 23 juli 2024 en het daarin genoemde verzoekschrift van de GI;
het bericht van de GI van 23 augustus 2024 met bijlagen, waaronder de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende het voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing na twee jaar van 22 augustus 2024;
- de brief van de GI van 11 september 2024, ontvangen op 12 september 2024.
1.2.
Op 18 september 2024 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont in een gezinshuis.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 13 juli 2022 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van 26 juli 2022 definitief is uitgesproken en daarna telkens is verlengd, voor het laatst bij de hiervoor genoemde beschikking van 23 juli 2024 tot 26 juli 2025.
2.4.
Bij beschikking van 14 september 2022 is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst voor
de duur van vier weken. Bij beschikking van 29 september 2022 is de spoedmachtiging tot
uithuisplaatsing gehandhaafd tot en met 7 oktober 2022.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2023 opnieuw een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, welke machtiging daarna definitief is uitgesproken en telkens is verlengd, voor het laatst – zoals ook wordt overwogen onder 2.6. - tot 26 oktober 2024.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juli 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 26 oktober 2024, met aanhouding van het verzoek voor het overige (de resterende negen maanden) tot de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 18 september 2024. De GI is verzocht de rechtbank uiterlijk twee weken voor de zitting te informeren over de actuele stand van zaken.
3Het verzoek
3.1.
De GI handhaaft het resterende deel van haar verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 juli 2025 te verlengen.
3.2.
De GI heeft de rechtbank bij brief van 11 september 2024 bericht dat het met [de minderjarige] heel goed gaat. Hij verblijft in het gezinshuis en ontwikkelt zich daar goed. Hij is over het algemeen een blij en vrolijk mannetje, dat inmiddels goed is geaard binnen het gezinshuis. De ouders zijn blij dat hij daar met zijn oudere halfbroertje woont. Er is een keer in de vier weken omgang met de ouders. Dit vond in eerste instantie plaats met beide ouders samen, maar nu apart van elkaar. De ouders hebben de laatste maanden veel ruzie gehad en de vader heeft meerdere malen aangegeven dat hij niet meer voor zichzelf in kon staan en bang was dat hij de moeder wat aan zou doen. De vader wilde dat de moeder het huis zou verlaten, maar de moeder kon nergens heen en wilde dus niet weg. Na een melding bij Veilig Thuis is de moeder met het sociaal wijkteam in contact gekomen, dat haar zou begeleiden richting de Mee. Helaas is de situatie voordat het contact met de Mee plaatsvond uit de hand gelopen, waarop de vader de politie heeft gebeld. De politie heeft de situatie als onveilig ingeschat, de moeder meegenomen en in overleg met Veilig Thuis tijdelijk een kamer in een hotel aangeboden. De moeder is vervolgens naar een crisisplek van de [stichting] overgeplaatst. Dit kon snel geregeld worden omdat zij al een WLZ indicatie heeft. Volgens de GI is het niet meer terug werken naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] een gezamenlijk gedragen besluit van de ouders en de GI, en voor nu en in de toekomst zeer passend.
3.3.
De GI heeft op de zitting aangegeven dat het nog steeds goed gaat met [de minderjarige] , die sinds 11 juni 2024 in het gezinshuis woont. Hij vindt het leuk dat hij met zijn halfbroer woont en pakt de overplaatsing vanaf het crisispleeggezin, waar hij lange tijd heeft verbleven, goed op. De GI heeft voor ogen dat [de minderjarige] in dit gezinshuis zal gaan opgroeien en complimenteert de ouders dat zij in staat zijn om dit te accepteren en zo over hun eigen teleurstelling heen te stappen. Volgens de GI is het dwingend kader van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk nu er in het verleden sprake is geweest van huiselijk geweld en incidenten tussen de ouders en hun relatie nog erg kwetsbaar is. Het is in dit kader positief dat de ouders niet langer samenwonen. Tot slot is door de GI verzocht de brief van de GI van 2 april 2024 als een perspectiefbesluit op te vatten.
4De standpunten
4.1.
Door en namens de moeder is op de zitting aangegeven dat zij het met het verzoek van de GI eens is. Zij ziet in dat het gezinshuis voor [de minderjarige] de beste plek is om op te groeien. De moeder heeft eens in de vier weken omgang met [de minderjarige] en wordt – onder meer door foto’s en filmpjes - op de hoogte gehouden van zijn ontwikkelingen. Tot slot is namens de moeder verzocht om de brief van de GI van 2 april 2024 als perspectiefbesluit op te vatten.
4.2.
Door de vader is op de zitting aangegeven dat hij het met het verzoek van de GI eens is. Ook hij ziet in dat het gezinshuis voor [de minderjarige] de beste plek is om op te groeien. De vader heeft een goed contact met de gezinsvoogd en ziet [de minderjarige] , net als de moeder, eens per vier weken. Hiernaast wordt ook hij goed op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen van [de minderjarige] , zowel door de jeugdbeschermer als door de gezinshuisvader.
Beoordeling
ten aanzien van het perspectiefbesluit
5.1.
De GI heeft op 2 april 2024 aan de ouders een brief gestuurd waarin de GI aan hen te kennen heeft gegeven dat de GI vindt dat [de minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien en dat er daarom niet meer aan thuisplaatsing zal worden gewerkt. Volgens de GI ligt het perspectief van [de minderjarige] elders. Dit besluit is door de GI met beide ouders apart besproken. De rechtbank ziet deze brief als een besluit van de GI over waar het opgroeiperspectief van [de minderjarige] moet komen te liggen (het perspectiefbesluit).
5.2.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter voorbereiding kan worden voorgelegd. In dit arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen indien dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Dit is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Hierna zal dan ook worden overgegaan tot het beoordelen van het perspectiefbesluit.
5.3.
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt het volgende. [de minderjarige] is op 25 januari 2023 (opnieuw) uit huis geplaatst omdat hij bij zijn ouders in een onveilige situatie opgroeide. Er zijn nog steeds zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders. De ouders hebben door intensieve inzet van hulpverlening de kans gekregen om de zorgen weg te nemen, maar zijn daar niet in geslaagd nu de gezinsopname voortijdig is beëindigd op verzoek van de vader. Ook zijn daar inmiddels de conflicten tussen de ouders bijgekomen. De ouders hebben de laatste maanden veel ruzie gehad, hetgeen ertoe heeft geleid dat de moeder op dit moment op een crisisplek van de [stichting] verblijft. Er is tussen de ouders sprake van een verstoorde communicatie. Beide ouders zien in dat zij niet kunnen bieden wat [de minderjarige] nodig heeft en dat zij niet voor hem kunnen zorgen.
5.4.
Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] , zijn zorgbehoefte en de noodzaak tot perspectief op stabiliteit in zijn woonsituatie is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn waarin [de minderjarige] in onzekerheid over zijn opgroeiperspectief kan verkeren is verstreken.
5.5.
De rechtbank onderschrijft dan ook het perspectiefbesluit, in die zin dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet langer bij de ouders ligt, maar in het perspectiefbiedende gezinshuis, waar zijn halfbroer ook woont.
5.6.
De ouders hebben op de zitting aangegeven dat zij er inmiddels achter staan dat [de minderjarige] niet meer bij een van hen gaat wonen in de toekomst. De rechtbank begrijpt dat het voor de ouders een moeilijke stap moet zijn geweest om dit te accepteren en vindt het moedig en wijs dat zij desondanks het belang van [de minderjarige] laten prevaleren.
5.7.
Het voorgaande neemt niet weg dat het van groot belang is dat de ouders een rol in het leven van [de minderjarige] blijven spelen. Zij zullen altijd de ouders van [de minderjarige] blijven en het is daarom van belang dat [de minderjarige] structureel en constructief contact met hen blijft houden en dat de ouders (blijvend) goed op de hoogte worden gehouden van zijn ontwikkelingen.
ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.8.
Zoals hiervoor reeds overwogen, ligt het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de ouders, wat maakt dat een thuisplaatsing niet meer aan de orde is. [de minderjarige] woont inmiddels een tijd in het gezinshuis waar zijn halfbroer ook woont en ontwikkelt zich daar goed.
5.9.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c van het Burgerlijk Wetboek) en zal het (resterende) verzoek van de GI strekkende tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 juli 2025 toewijzen.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 juli 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2024 door mr. G.D. de Jong, mr. J. van Beek en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. T.E.J. Bruinen als griffier, en op schrift gesteld op 8 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.