Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-02
ECLI:NL:RBNHO:2024:10130
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,688 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
Wet tijdelijk huisverbod
zaak-/rekestnummer: C/15/350347 / FA RK 24-1334 (beroep)
Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken van 2 oktober 2024
in de zaak van:
[verzoeker] , verzoeker, (hierna: [verzoeker] )
wonende te [plaats] ,
thans verblijvende te [plaats] ,
gemachtigde: mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat te Amsterdam,
en
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder,
zetelende te Zaanstad,
in welke zaken belanghebbenden zijn:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende te [plaats] .
Procesverloop
1.1.
Bij besluit van 8 maart 2024 heeft verweerder aan [verzoeker] een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd voor de periode van tien dagen. Bij besluit van 18 maart 2024 is het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, derhalve tot 5 april 2024 (hierna: de verlenging).
1.2.
Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) heeft [verzoeker] bij brief van 20 maart 2024 beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft op 8 augustus 2024 een verweerschrift ingediend.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2024. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder en belanghebbenden zijn, hoewel opgeroepen, niet verschenen.
Beoordeling
inleiding
2.1.
Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
2.2.
Artikel 2 van het Besluit tijdelijk huisverbod bepaalt dat de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend let op feiten en omstandigheden die in de in de bijlage bij het Besluit zijn opgenomen. De burgemeester laat zich verder adviseren door deskundigen die, voor hun oordeel of bij (mogelijk) huiselijk geweld een huisverbod moet worden opgelegd, het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG) invullen.
2.3.
Het opleggen van een huisverbod is ingrijpend en de toepassing ervan heeft zeer grote gevolgen voor het privéleven van alle betrokkenen. De bevoegdheid om zo’n huisverbod op te leggen, is daarom beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, of ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. Als dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of het gebruik van de bevoegdheid nodig is. De rechter toetst allereerst vol of de aangevoerde omstandigheden zo ernstig zijn, dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot opleggen van een huisverbod bestond. Als dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester om vervolgens van die bevoegdheid gebruik te maken door de bestuursrechter terughoudend getoetst (artikel 9 van de Wth).
2.4.
De rechtbank zal hierna uiteenzetten wat de besluiten en de beroepsgronden inhouden en de bestreden besluiten vervolgens in het licht van het juridische kader zoals hiervoor beschreven toetsen.
besluiten/standpunt verweerder
2.5.
Verweerder heeft aan de bestreden besluiten (zoals nader toegelicht in het verweerschrift) het volgende ten grondslag gelegd.
[verzoeker] is verstandelijk beperkt en functioneert als een kind van zes jaar oud. De moeder en de stiefvader vinden het lastig om met [verzoeker] om te gaan. Het gezin is al geruime tijd bekend bij de hulpverlening en er zijn al meerdere meldingen van gewelddadige incidenten gedaan.
Op vrijdag 8 maart 2024 zijn er drie meldingen gedaan van een gewelddadig conflict tussen [verzoeker] enerzijds en de moeder en stiefvader anderzijds. Het gedrag en geweld van [verzoeker] heeft veel impact gemaakt op de moeder en stiefvader. De moeder heeft kneuzingen en een hersenschudding opgelopen, slaapt slecht en is onder doktersbehandeling. Het tijdelijke huisverbod heeft gezorgd voor een afkoelingsperiode waarin de hulpverlening op gang kon komen. Het was duidelijk dat de situatie steeds vaker uit de hand dreigde lopen en door het tijdelijke huisverbod werd het mogelijk een crisisopvang te regelen. Daarbij werd niet van belang geacht door wie het geweld werd geïnitieerd. Nu de moeder en de stiefvader in de woning zouden blijven en [verzoeker] uiteindelijk naar een begeleid wonen plek zou moeten, is ervoor gekozen het tijdelijke huisverbod op te leggen aan [verzoeker] . Het uitgangspunt was dat [verzoeker] niet terug zal keren naar huis en dat hij zo snel mogelijk wordt doorgeplaatst naar een plek waar hij permanent kan verblijven en kan wonen met begeleiding.
Op 13 maart 2024 is [verzoeker] geplaatst op een crisisbed bij de [verblijfplek] . Op dit moment verblijft hij op een observatieplaats bij de [verblijfplek] . Daar wordt bekeken wat [verzoeker] nodig heeft en welke verblijfplek passend is voor hem.
Na het opleggen van het huisverbod heeft [verzoeker] in de tuin van de moeder en de stiefvader gestaan. De politie heeft hem meegenomen en uitgelegd dat hij niet naar huis mag. [verzoeker] was op dat moment erg angstig en verdrietig. De moeder en de stiefvader waren ook nog erg angstig. Daarom kon er geen herstelgesprek plaatsvinden. De moeder en de stiefvader willen [verzoeker] niet meer zien en het maken van veiligheidsafspraken is onmogelijk, reden waarom het tijdelijke huisverbod is verlengd.
2.6.
Voordat de beschikking tot het opleggen van het tijdelijke huisverbod wordt genomen worden partijen in beginsel gehoord. Op het moment van de beoordeling was [verzoeker] echter net geplaatst bij de [verblijfplek] . Het heeft even geduurd voordat hij rustig was en contact met hem mogelijk was. In overleg met alle instanties (waaronder de hulpverleners van de [verblijfplek] ) is besloten [verzoeker] op dat moment niet te horen omdat werd ingeschat dat dat bij hem meer onrust zou veroorzaken, terwijl niet duidelijk was of [verzoeker] begrijpt wat er precies wordt gezegd. Namens [verzoeker] (door zijn advocaat) is gevraagd om een gesprek met de hulpverlener die het tijdelijke huisverbod heeft beoordeeld en dit is geregeld. Tijdens dit gesprek heeft [verzoeker] weinig contact gemaakt en wilde hij vooral tekenen, aldus nog steeds verweerder.
beroepsgronden [verzoeker]
2.7.
[verzoeker] voert primair aan dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen en verlengen van het huisverbod gelet op het volgende. [verzoeker] heeft op 10 maart 2024 zelf de politie gebeld nadat hij is mishandeld door de moeder. Als de politie ter plaatse komt, is de situatie weer rustig. De politie stelt vast dat [verzoeker] vooral bezig is met zijn eigen ding en niemand tot last wil zijn. Volgens de politie leggen de moeder en de stiefvader juist op alle slakken zout. De drempel van de aannemelijkheid van een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden daarvan, wordt daarmee niet gehaald.
Subsidiair stelt [verzoeker] dat onvoldoende is onderbouwd dat het gestelde ernstige en onmiddellijke gevaar voortduurde. Uit het zorgadvies met betrekking tot de verlenging blijkt namelijk niet dat zich na het opleggen van het huisverbod nieuwe incidenten hebben voorgedaan tussen [verzoeker] , de moeder en de stiefvader. [verzoeker] is de dag na het huisverbod weliswaar langsgegaan bij de woning, maar hierover staat in de stukken dat het onduidelijk is in hoeverre [verzoeker] op dat moment begreep wat het verbod inhield. Daarna is er niets meer voorgevallen.
Hierbij is nog van belang dat [verzoeker] niet is gehoord vanwege zijn verstandelijke beperking. Onvoldoende is onderbouwd wat deze beperking is en waarom daardoor geen afsprakengesprek of gehoor kon plaatsvinden.
Verder is van belang dat het hulpverleningstraject is opgezet na het opleggen van het tijdelijke huisverbod en [verzoeker] heeft deze hulp vanaf het begin aanvaard. [verzoeker] verbleef al voor de verlenging op een crisisplek en zal niet terugkeren naar de woning. Gesteld wordt dat de verlenging duidelijkheid biedt, maar dat is geen goede reden voor verlenging. Dit geldt temeer nu aan [verzoeker] niets is uitgelegd over het tijdelijke huisverbod. Voor zover wordt gesteld dat de moeder angstig is, betekent dat nog niet dat aantoonbaar sprake is van (het voortduren van) een dreigend gevaar of ernstig vermoeden daarvan. Er was dan ook geen goede reden voor verlenging van het tijdelijke huisverbod.
Beoordeling
2.8.
Ondanks dat het huisverbod en de verlenging inmiddels al zijn geweest, en [verzoeker] al sinds de genomen besluiten ook niet de wens heeft om terug te keren naar de desbetreffende woning, heeft hij nog wel een rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten. Een huisverbod impliceert namelijk een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste. Daarom is het aannemelijk dat [verzoeker] hierdoor in zijn eer en goede naam is geschaad.
toetsing rechtmatigheid besluit 8 maart 2024
2.9.
De rechtbank stelt op basis van de stukken en wat ter zitting is besproken vast dat de ruzie tussen [verzoeker] , de moeder en de stiefvader zodanig geëscaleerd is dat door één van de betrokkenen een mes is getrokken. Volgens de instanties (zoals Meldpunt & Advies Bijzondere Zorg en Veilig Thuis) was de thuissituatie al langer zorgelijk. [verzoeker] heeft op zitting ook beaamd dat de thuissituatie zeer zorgelijk was en dat vaker fysieke escalaties hebben plaatsgevonden tussen hem enerzijds en zijn moeder en stiefvader anderzijds.
2.10.
De rechtbank kan niet vaststellen wat er verder heeft plaatsgevonden op 8 maart 2024, meer specifiek door wie het gevaar op die bewuste avond is veroorzaakt en wie het mes vasthield. De moeder, de stiefvader en [verzoeker] verklaren hier namelijk verschillend over. Daarbij heeft de stiefvader verschillende verklaringen afgelegd over of er al dan niet door hem is geschopt. Er zijn ook geen objectieve aanwijzingen of bewijzen die uitsluitsel bieden. Zo wordt door verweerder weliswaar gesteld dat de moeder kneuzingen heeft en een hersenschudding heeft opgelopen, maar daar is geen objectief bewijs van (overgelegd). Nu die stelling door [verzoeker] uitdrukkelijk wordt bestreden, had het op zijn minst op de weg van verweerder gelegen om dit in de beroepsfase nader te onderbouwen.
2.11.
Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden onder 2.9. heeft verweerder echter al terecht een ernstig vermoeden van dreigend gevaar aan kunnen nemen. Daarmee was verweerder bevoegd om het tijdelijke huisverbod op te leggen.
2.12.
De volgende vraag die beantwoord moet worden is of verweerder terecht van de bevoegdheid om het tijdelijke huisverbod op te leggen gebruik heeft gemaakt en daarbij een juiste belangenafweging heeft verricht. De rechtbank kan de beslissing van verweerder om rust te creëren binnen het gezin en hulpverlening op gang te brengen goed volgen. Daarbij heeft verweerder ook kunnen meewegen dat het de meest logische keuze was om het tijdelijke huisverbod aan [verzoeker] op te leggen. Voor [verzoeker] was namelijk alternatieve woonruimte beschikbaar en [verzoeker] gaf zelf aan dat de situatie niet meer houdbaar was voor hem. [verzoeker] is het, achteraf bezien, ook eens met deze keuze.
2.13.
In zoverre is het besluit van 8 maart 2024 dan ook houdbaar. Er kleeft echter wel een zorgvuldigheidsgebrek aan het besluit, omdat [verzoeker] ten onrechte niet is gehoord. In het besluit is daartoe beschreven dat [verzoeker] na het incident, voor het nemen van het besluit, niet bereikbaar was. In het verweerschrift is nader toegelicht dat contact is gelegd met de [verblijfplek] en dat zij hebben aangegeven dat [verzoeker] angstig was. Het was volgens verweerder ook maar de vraag of [verzoeker] het zou kunnen begrijpen. Verweerder heeft op grond van deze informatie en omstandigheden ervoor gekozen om [verzoeker] niet te horen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank echter niet gebleken dat [verzoeker] geheel niet in staat was (vanwege zijn psychische toestand) om gehoord te worden. Voor zover is gesteld dat [verzoeker] het geestelijke vermogen van een zesjarige heeft, is dat niet met stukken onderbouwd en ook niet gebleken ter zitting. [verzoeker] heeft ter zitting goed zelf zijn mening naar voren kunnen brengen en vragen kunnen beantwoorden over de feiten. Er wordt gesteld dat [verzoeker] door een hulpverlener is gesproken, maar het ligt op de weg van verweerder om zelf een poging te doen om met [verzoeker] te spreken al dan niet in bijzijn van zijn advocaat. Voor zover [verzoeker] niet meteen bereikbaar was voor verweerder, lag het op de weg van verweerder om pogingen te doen om [verzoeker] op een later moment alsnog te horen. Wegens gebrek aan nadere onderbouwing kan de rechtbank niet vaststellen dat het gesprek dat later op verzoek van [verzoeker] heeft plaatsgevonden met een hulpverlener die het tijdelijke huisverbod heeft genomen, is aan te merken als het horen van [verzoeker] door verweerder zelf.
2.14.
Gelet op het hiervoor vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek, komt het bestreden besluit van 8 maart 2024 voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [verzoeker] heeft in het beroepschrift en op de zitting namelijk alsnog naar kunnen brengen wat hij tijdens een gehoor had willen zeggen en die informatie leidt niet tot de conclusie dat het besluit onrechtmatig is.
toetsing rechtmatigheid verlengingsbesluit 18 maart 2024
2.15.
Verweerder heeft in dit besluit en ook in het verweerschrift, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat nog steeds sprake was van gevaar als bedoeld in artikel 2 van de Wth. Na het besluit van 8 maart 2024 hebben zich namelijk geen nieuwe, relevante, incidenten voorgedaan. [verzoeker] is niet meer teruggegaan naar de woning behalve de dag na het intreden van het tijdelijke huisverbod. Op dat moment was voor hem echter onduidelijk dat er een tijdelijk huisverbod was opgelegd; dit was namelijk niet voorgehouden aan hem. Nadat dit duidelijk was gemaakt, is [verzoeker] niet meer teruggekeerd. Verder is in de eerste tien dagen hulpverlening goed op gang gekomen en hebben zowel [verzoeker] , de moeder als de stiefvader daaraan meegewerkt. Dat er geen veiligheidsafspraken gemaakt zijn/konden worden, is niet relevant. Op het moment van het nemen van het verlengingsbesluit was namelijk voldoende duidelijk dat [verzoeker] niet het voornemen had om terug te keren naar de woning. Voor zover verweerder hiertoe stelt dat de verlenging nodig was als stok achter de deur voor [verzoeker] , treft die stelling dan ook geen doel. Het beroep ten aanzien van de verlenging is reeds gelet op het voorgaande gegrond. Het overige wat hiertoe is aangevoerd hoeft niet meer besproken te worden.
kosten
2.16.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, lid 1 en lid 3, van de Awb te veroordelen in de kosten die [verzoeker] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.750,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 875,-). Aan [verzoeker] is geen griffierecht berekend, zodat het verzoek om een vergoeding in de griffierechten wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart het beroep gegrond;
3.2.
vernietigt de bestreden besluiten;
3.3.
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 8 maart 2024 in stand blijven;
3.4.
veroordeelt verweerder in de proceskosten en wijst de gemeente Zaanstad aan als de rechtspersoon die € 1.750,- dient te betalen aan [verzoeker] in verband met de redelijkerwijs gemaakte proceskosten;
3.5.
wijst het verzoek om vergoeding in de griffierechten af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Ok, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep in stellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.