Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-02
ECLI:NL:RBNHO:2024:10127
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,192 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11130723 \ AO VERZ 24-46 (rvk)
Uitspraakdatum: 2 oktober 2024
Beschikking in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [plaats 1]
verzoekende partij
verder te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. A. Lof
tegen
de besloten vennootschap [B.V.],
gevestigd te [plaats 2]
verwerende partij
verder te noemen: [B.V.]
gemachtigde: mr. C.I.M. Molenaar
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt een werknemer de vernietiging van een ontslag op staande voet. Omdat de werkgever en de werknemer ieder een andere lezing hebben over de aan het ontslag ten grondslag liggende feiten en dat ook onderbouwen, zal de werkgever in de gelegenheid gesteld worden de dringende redenen die aan het ontslag ten grondslag liggen, te bewijzen.
1Het procesverloop
1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om een opzegging te vernietigen en om een schadevergoeding toe te kennen. [B.V.] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
1.2.
Op 21 augustus 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoeker] heeft ook pleitaantekeningen en een schriftelijke verklaring overgelegd. Vóór de zitting heeft [verzoeker] bij brief van 19 augustus 2024 nog stukken (producties 11 t/m 19) toegezonden. [B.V.] heeft bij brief van 20 augustus 2024 nog een document (productie 6) toegezonden.
Feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 8 april 2008 in dienst bij [B.V.] . De functie van [verzoeker] is Inkoper/Hoofd balie met een salaris van 3.957,76 bruto per maand.
2.2.
[B.V.] is een autodemontagebedrijf en groothandel in gebruikte onderdelen en materialen afkomstig van autowrakken.
2.3.
[verzoeker] is de zoon van de directeur van [B.V.] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is ook (indirect) bestuurder en eigenaar van [B.V.] .
2.4.
Met een brief van de advocaat van [B.V.] van 11 januari 2024 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In die brief staat als reden voor het ontslag dat [verzoeker] op woensdag 27 december 2023 eigendommen van [B.V.] en [naam 1] heeft weggenomen uit een opslagruimte, dat [verzoeker] op 29 december 2023 tijdens zijn arbeidsongeschiktheid het bedrijf van [B.V.] is binnengelopen en getracht heeft materialen mee te nemen uit het magazijn, en dat [verzoeker] op zondag 10 december 2023 met zijn privéauto en twee andere auto’s heeft getankt bij de benzinepomp van [B.V.] , terwijl [verzoeker] wist dat dit niet was toegestaan en hij heeft het tanken heeft willen verdoezelen door aanpassing van een tankbon.
2.5.
In de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2024 is het op 11 januari 2024 gegeven ontslag op staande voet vernietigd en is de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) ontbonden per 1 oktober 2024 onder toekenning van een billijke vergoeding en de transitievergoeding. Ook is [B.V.] veroordeeld tot doorbetaling van loon.
2.6.
Op 11 april 2024 (na de zitting in de hiervoor genoemde procedure) is [verzoeker] opnieuw (voorwaardelijk) op staande voet ontslagen. [B.V.] heeft aan dit ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] - zonder toestemming of overleg - twee Opel-motorblokken uit de voorraad van [B.V.] aan een collega heeft verkocht en de opbrengst voor zich zelf heeft gehouden. Het ontslag is meegedeeld door middel van een e-mail van 11 april 2024 van de gemachtigde van [B.V.] aan de gemachtigde van [verzoeker] en geldt voor zover het eerder gegeven ontslag op staande voet van 11 januari jl. in rechte zou worden vernietigd.
3Het verzoek
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [B.V.] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het onterecht gegeven ontslag op staande voet.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Er is geen sprake van een dringende reden en het ontslag is niet onverwijld gegeven. [verzoeker] heeft een motorblok (motorblok I) verkocht dat zijn eigendom was, namelijk van een auto die in 2016 door [verzoeker] zelf is aangekocht van een derde en waar [verzoeker] mee wilde gaan racen. Het andere motorblok (motorblok II) betrof een motorblok afkomstig uit een auto die eind 2017 binnengebracht werd op de sloperij. [verzoeker] heeft toestemming gekregen om motorblok II los te halen en apart te zetten en hij mocht bij wijze van sponsoring over dit motorblok beschikken. Omdat [verzoeker] senior waarschijnlijk al maanden van de verkoop van de motorblokken op de hoogte was, is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven.
3.3.
[B.V.] handelt in strijd met het goed werkgeverschap door een dringende reden er met de haren bij te slepen met als enig doel om onder het betalen van het loon, de transitievergoeding en de billijke vergoeding uit te komen. De schade die [verzoeker] hierdoor lijdt dient door [B.V.] vergoed te worden. Deze schade bestaat uit de kosten van rechtsbijstand in deze tweede procedure en deze kosten zijn begroot op € 4.863,13.
4Het verweer en het tegenverzoek
4.1.
[B.V.] verweert zich tegen het verzoek. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd.
4.2.
Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig. [verzoeker] heeft twee Opel-motorblokken verkocht aan een collega, zonder toestemming van of overleg met [B.V.] (de rechtmatige eigenaar) en de opbrengst niet afgedragen aan [B.V.] . Dit levert een dringende reden op die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het ontslag is ook onverwijld gegeven en de redenen zijn aan [verzoeker] meegedeeld. Het ontslag is dus rechtsgeldig.
4.3.
De door [verzoeker] verzochte schadevergoeding is een verkapte vraag om een volledige proceskostenveroordeling. Daarvoor is geen plaats omdat er geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.
4.4.
Verder wordt bij wijze van tegenverzoek verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 7.032,04, omdat [verzoeker] door opzet of schuld een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven.
Beoordeling
het verzoek
5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of aan [verzoeker] een schadevergoeding moet worden toegekend.
5.2.
Voor een geldig ontslag op staande voet is vereist dat sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Als dringende redenen worden volgens artikel 7:677 van het Burgerlijk Wetboek (BW) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet.
5.3.
Verder is voor de geldigheid van een ontslag op staande voet vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer (artikel 7:677 lid 1 BW). Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, als een vermoeden ongegrond blijkt, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad.
5.4.
Als een op staande voet ontslagen werknemer de kantonrechter verzoekt dit ontslag te vernietigen en daarbij de dringende reden betwist, moet de werkgever stellen en zo nodig bewijzen dat de dringende reden op het moment van het ontslag op staande voet aanwezig was.
Voorwaardelijk ontslag
5.5.
Het ontslag is gegeven onder de voorwaarde dat het eerdere ontslag op staande voet van 11 januari 2024 in rechte geen stand houdt. De kantonrechter constateert dat tot dit moment aan die voorwaarde is voldaan aangezien het ontslag van 11 januari 2024 in de beschikking van de kantonrechter van 24 april 2024 is vernietigd. De kantonrechter heeft op de zitting begrepen dat hoger beroep tegen die beslissing is ingesteld en de beslissing dus nog niet onherroepelijk is. Dat betekent dat het oordeel van de kantonrechter over het ontslag van 11 april 2024 geldt voor het geval het ontslag op staande voet van 11 januari 2024 (onherroepelijk) in rechte is vernietigd.
Onverwijldheid
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [B.V.] voldoende voortvarend te werk is gegaan en het ontslag onverwijld heeft gegeven. [B.V.] heeft gesteld dat haar kort voor de mondelinge behandeling van het eerdere verzoek op 27 maart 2024 signalen bereikten dat [verzoeker] twee Opel-motoren aan een collega had verkocht. Ze heeft het onderzoek daarnaar tijdens de mondelinge behandeling aangekondigd. [B.V.] heeft vervolgens onderzoek laten uitvoeren naar de herkomst van de motorblokken. Daarvoor was onderzoek van de administratie door een accountant nodig en was het noodzakelijk om bij de collega aan wie de motorblokken waren verkocht navraag te doen. Nadat deze collega op 10 april 2024 een schriftelijke verklaring had afgelegd was het onderzoek afgerond en is [verzoeker] de volgende dag, op 11 april 2024, op staande voet ontslagen. De kantonrechter vindt het voldoende aannemelijk dat het onderzoek naar de herkomst van de motoren enige tijd in beslag heeft genomen omdat motornummers niet worden genoteerd, zodat uitgebreid onderzoek in de administratie en het doen van navraag bij collega’s noodzakelijk was. In deze omstandigheden heeft [B.V.] voldoende voortvarend gehandeld met het geven van het ontslag en het meedelen van de dringende reden. De stelling van [verzoeker] dat [B.V.] in januari 2024 al op de hoogte was van de verkoop van de motorblokken is door [B.V.] betwist en door [verzoeker] niet verder uitgewerkt, dus de kantonrechter gaat daaraan voorbij. De conclusie is dat het ontslag onverwijld is gegeven.
Dringende reden
5.7.
[B.V.] stelt dat de dringende reden bestaat uit het zonder toestemming of overleg verkopen van twee motorblokken waarvan zij eigenaar was door [verzoeker] en het in eigen zak steken van de opbrengst. Over het eerste motorblok stelt [B.V.] dat het voor zich spreekt dat deze het eigendom is van [B.V.] omdat [B.V.] nu eenmaal handelt in gebruikte onderdelen van auto’s. Volgens [B.V.] kan uit de Whatsapp van [naam 2] niet afgeleid worden dat motorblok I afkomstig is uit een auto die in 2016 aan [verzoeker] is verkocht. Over motorblok II zegt [B.V.] dat dit blok afkomstig is van een sloopauto die op 9 december 2021 bij haar is binnengebracht en [B.V.] onderbouwt dit met een ‘innamekaart’ uit haar administratie en een verklaring van de collega die het motorblok heeft gekocht ( [naam 3] ). [B.V.] stelt dat motorblok II in 2022 naar de loods aan de [adres] is gebracht voor de export en ontkent dat [verzoeker] toestemming had om dit motorblok bij wijze van sponsoring zelf te gebruiken.
5.8.
[verzoeker] heeft de dringende reden betwist. Hij stelt dat motorblok I afkomstig is van een auto die hij in 2016 zelf heeft gekocht van [naam 2] en dus zijn eigendom was. Hij heeft ter onderbouwing Whatsappberichten uit 2017 van en met [naam 2] overgelegd. Over motorblok II voert [verzoeker] aan dat deze afkomstig is uit een sloopauto die eind 2017 binnenkwam bij [B.V.] . Hij heeft aan [naam 1] gevraagd of hij de motor mocht gebruiken om in zijn eigen (beschadigde) race-auto te zetten. [naam 1] is daarmee akkoord gegaan en heeft de motor uit de auto laten halen. Motorblok II is vervolgens opgeslagen in de loods aan de [adres] bij motorblok I. Op een gegeven moment is motorblok II door [naam 1] bij het opruimen van de loods in de oud-ijzerbak gegooid, d.w.z. weggegooid. [verzoeker] heeft ter onderbouwing verwezen naar een verklaring van een collega ( [naam 4] ) en van zijn zus ( [naam 5] ). Verder stelt [verzoeker] dat collega [naam 3] heeft gezien dat de motor in de oud-ijzerbak belandde en dat [naam 3] daarom aan [verzoeker] heeft gevraagd of hij de motor kon overnemen. [verzoeker] was gerechtigd over dit motorblok te beschikken, enerzijds omdat dit motorblok bij wijze van sponsoring was geschonken en anderzijds omdat hij als aanspreekpunt fungeerde en in die hoedanigheid bevoegd was dit soort beslissingen te nemen, alles volgens [verzoeker] .
5.9.
Op grond van het voorgaande staat vast dat [verzoeker] twee motorblokken heeft verkocht aan [naam 3] voor een totaalbedrag van € 1.500,- en dat de opbrengst niet is afgedragen aan [B.V.] . Wat (nog) niet vaststaat is dat [B.V.] de eigenaar van motorblok I was. [B.V.] stelt dat het eigendom voor zich spreekt, maar [verzoeker] betwist dat gemotiveerd. Ook staat (nog) niet vast dat [verzoeker] motorblok II zonder toestemming of voorafgaand overleg met [B.V.] heeft verkocht en/of dat hij niet gerechtigd was over motorblok II te beschikken. Wat [B.V.] ter ondersteuning van haar standpunt heeft overgelegd, is nog niet voldoende voor het bewijs. Op de innamekaart van december 2021 staat namelijk niets over het motorblok vermeld. En de verklaring van [naam 3] met de foto’s en de e-mail van zijn vader ter bevestiging zijn onvoldoende, omdat [verzoeker] die gemotiveerd betwist met de e-mails van [naam 4] en [naam 5] .
Dictum
De kantonrechter:
het verzoek
6.1.
laat [B.V.] toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat:
[B.V.] de eigenaar van motorblok I was, en/of
[verzoeker] motorblok II zonder toestemming of voorafgaand overleg met [B.V.] heeft verkocht en/of dat hij niet gerechtigd was over motorblok II te beschikken;
6.2.
bepaalt dat bewijslevering door middel van het overleggen van stukken plaatsvindt uiterlijk op 30 oktober 2024;
6.3.
wanneer [B.V.] voor bewijslevering getuigen wil laten horen, moeten uiterlijk op 30 oktober 2024 ook het aantal en de personalia van de getuigen worden opgegeven evenals de verhinderdata van beide partijen, de gemachtigden en - voor zover mogelijk - van de getuigen. Daarna zal een tijdstip voor het verhoor worden bepaald;
6.4.
uitstel wordt in beginsel niet verleend. Bij het ontbreken van tijdig bericht van [B.V.] wordt ervan uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering;
het verzoek en het tegenverzoek
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gewezen door mr. I.H. Lips, kantonrechter en op 2 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55
Productie 3 van [B.V.]
Productie 6 van [B.V.]